… Waar deze gangen door harde rotsen lopen, zijn het slechts onderaardse gewelven, maar als zij zich in een broze en deels afgebrokkelde steenlaag bevinden, worden zij van boven beschoten met een houten dak, dat door dennenhouten palen wordt beschut, omdat door het uitzagen, het spoedig tot verrotting overgaat. Hoewel de boomstammen zo gesteld waren, dat zij aan drukking van het gewelf weerstand konden bieden, is deze soms zo sterk, dat de palen ombuigen de gangen smaller worden, of zo laag, dat men er slechts op handen en voeten door kan kruipen. Op dit hout ontwikkelden zich paddenstoelen en witte, wolachtige vlokjes, waarvan de witheid onderling afstak bij de zwarte grond; de gisting der bomen deed een sterke geur ontstaan, en op de champignons, op de onbekende planten, op het witte mos, zag men vliegen, spinnenkoppen en vlinders, die niet op de soorten geleken welke men boven de grond ziet. Ook ratten kropen door deze holen en vleermuizen hangen aan de palen met de koppen naar beneden.
Deze gangen kruisten elkaar op verschillende punten evenals in Parijs de pleinen en straten; er waren mooie en grote, zoals de boulevards nauwe en lage, zoals de onaanzienlijke straten in de achterbuurten; deze onderaardse stad was echter veel slechter verlicht dan de straten zelfs bij nacht, want hier waren geen lantarens of gaspitten, maar slechts de lampjes welke de mijnwerkers bij zich dragen. Al was het zeer donker, toch hoorde men aan het leven, dat er heerste, dat men niet onder de doden toefde, in de werkplaatsen vernam men de ontploffingen van het kruit, waarvan de lucht en de rook tot de arbeider doordrongen; in de gangen hoorde men het rollen van de wagens; in de schachten het wrijven tegen de touwen van de korven, waarmede mensen en kolen opgehaald en neergelaten werden; en daar bovenuit het dreunen der stoommachine, die op de tweede verdieping was gesteld. …
Alleen op de wereld – Hector Malot
Zo voelt het ook voor ons wanneer we bij aankomst in de mijn achter onze gids, Juan, aanrennen, in de gapende opening van de nog steeds actieve zilver( en andere mineraalrijke )mijn van Potosí, Zuid-Bolivië. We geven het beste van onszelf om onze gids niet meer dan een meter uit het oog te verliezen in deze duistere onderaardse wereld. De mijnschacht is slechts anderhalve meter breed en afhankelijk van de plek tussen de 1,5 en de 2 meter hoog. We moeten dus niet alleen voor ons kijken, ook boven en vooral onder onze voeten is het opletten geblazen. Gelukkig hebben we elk een eigen helm met lamp, geen overbodige luxe voor talentvolle enkelomzwikkers in schachten die soms een dwergenmaat hebben. In de aarden vloer is één roestig railspoor te zien die dienst moet doen voor karretjes in beide richtingen. Onze enige bescherming, naast onze gids natuurlijk, is het lege karretje voor ons, getrokken door één sportieve kerel en geduwd door twee van zijn collega’s. Wanneer we een daverend en oorverdovend geluid horen naderen, met een snelheid gelijkaardig aan een jetplane, gooien de kerels vliegensvlug hun lege zware metalen kar aan de kant, zodat de tegenoverliggende gevulde kar, die nooit vertraagt, kan passeren. De helling van de rails ligt logischerwijs in de goede zin voor de volle karren, rechtstreeks naar buiten. Remmen zijn hier niet aanwezig, de schoenzolen van de achterste twee mijnwerkers zijn de plaatsvervangende remschijven. De mijnwerkers zetten met veel metalig lawaai, getrek, geduw en gekreun de lege kar opnieuw op de rails, en vervolgen hun tocht. We zitten nog maar even te hijgen en te puffen aan de kant of we moeten opnieuw rennen. Wij, als niet ervaren mijnbezoekers, lopen met een zakdoek voor onze mond want het opvliegende stof is net iets verstikkender als de stofwolken op de talloze grindwegen die we al hebben afgelegd. Geen enkele mijnwerken die er nog maar aan denkt om zichzelf te beschermen tegen dit latente geweld. Iedereen loopt hier rond in de vuilste werkkleren, zonder enige bescherming noch voor het stof, noch voor enig ander dreigend gevaar. Zo hebben ze ook nog nooit gehoord van veiligheidsschoenen. Tijdens onze halfuur durende tocht tot aan een zijtunnel, horen we een constant geluid van karren die ofwel naar je afdonderen of van je weggeduwd worden. Wij proberen aandachtig te luisteren naar alle geluiden, maar echt wijs raken we er niet uit. Onderling bestaat er tevens een lichtencode om aan te geven welke richting je uit gaat en welke kar er nog in de buurt rondvlamt, wist onze gids ons te vertellen.
De tocht in de mijn is het ware hoogtepunt, maar ook wat aan deze helse tocht voorafgaat is duivels interessant. We worden om 8.50u stipt verwacht in het touroperatorkantoor van onze georganiseerde tour naar de zilvermijn van Potosí. Onze gids komt toe. Hij is nog niet heel goed wakker en zegt tegen zijn collega: “we gaan naar Salar de Uyuni”. We zijn een beetje uit ons lood geslagen. Hmmm, neen naar de mijnen? Hij lacht een beetje groen en zegt dan “Tuurlijk” met een vlotheid zoals alleen de Zuid-Amerikanen dat kunnen. De uitstap komt een beetje traag op gang. We wandelen naar de bus, daar wachten we op andere reizigers. De andere al aanwezige gidsen, ex-mijnwerkers zitten de hele tijd cocabladeren te kauwen … Wanneer een tiental toeristen uiteindelijk ons gezelschap vervoegen, rijden we wat verder tot we aankomen bij onze omkleedplek. We worden aangekleed met grijze mijnwerkerspakjes, bijhorende laarzen, helm en lampje. Opnieuw allemaal de bus in om tot bij een marktje te rijden. We gaan naar een actieve mijn en het is de gewoonte om de mijnwerkers te bedanken voor hun gastvrijheid met een cadeautje. Wij kopen niet alleen een fles frisdrank, maar ook cocabladeren en… een dynamietstaaf. Op dat moment vinden we het allemaal nog een beetje vreemd en voelen we ons jammer genoeg opnieuw de witte Gringotoerist. Maar dat beeld verandert snel.
Een tussendoortje. Van waar komt het woord Gringo? Wij wisten het tot voor kort ook niet. Een sympathieke Chileen deed ons volgende uitleg. Ten tijde van de Noord-Amerikaanse burgeroorlog waren de strijders gekleed in verschillende uniforms. Er waren soldaten in groene pakjes en andere in grijze. De ene zei tegen de andere “Green Go”, wat na verloop van tijd en afstand verbasterde tot Gringo.
Eenmaal aangekomen aan de ingang van de mijn, vertelt onze gids dat iedereen hier voor eigen rekening werkt. Er is geen algemene baas die de hele mijn bezit. Je koopt zelf een lot in de mijn van x-aantal vierkante meters. Je schakelt, indien gewenst, een paar extra werkkrachten in om jouw stuk van de mijn uit te pluizen. Je winst hangt helemaal af van hetgeen je vindt op jouw lot, welke mineralen en vooral in welk percentage de mineralen aanwezig zijn. Het is dan ook voor de werkmannen geen evidentie om dagelijks honderden toeristen te ontvangen. De werkmannen moeten extra opletten voor die onoplettende toeristen, die hun werk storen, die nieuwsgierig komen wezen, die babbeltjes maken en die hun kostbare tijd afnemen. Daarom neem je dus die geschenken mee als gebaar om merci te zeggen. Merci dat we even deel mochten uitmaken van dit bijzondere leven in omstandigheden die doen denken aan bijna twee eeuwen geleden.
Na het verlaten van de hoofdtunnel bezoeken we, naar ons aanvoelen, een heel desolate plek in de mijn. De tunnels worden af en toe claustrofobisch smal maar het gevaar voor een aanstormende volle kar is dan toch al geweken. Het is een doodlopende tunnel met verschillende verdwijngaten (zoals in het gezelschapsspel Saboteur) waar er op het einde een mannetje helemaal alleen zit te werken met een radio naast zich. Alles is pikdonker behalve het rode ledlampje van de radio en de brokken waarop zijn hooflampje schijnt. Het is uniek dat iemand hier een radio kan gebruiken, tussen al het lawaai. Hij voert testen uit om na te gaan hoe goed de kwaliteit van dit lot is. Met andere woorden hoeveel procent mineralen er in de stenen zit. Naast hem staat een grote zak stenen. Hij neemt er telkens eentje uit om die met een hamer kapot te slaan. Voor ons is het magie, een alchemist aan het werk. Jammer genoeg is zijn werk niet zo toverachtig. Afhankelijk van het percentage kan je per 100 kilogram steenpuin betere prijzen krijgen bij de verpulverfabriek. Het percentage van hun lot blijkt jammergenoeg niet zo hoog te zijn als verwacht.
Onze gids komt steeds meer los omdat we hem steeds meer vragen stellen, de rondleiding expliciet in het Spaans wilden doen en het duidelijk wordt dat we breed geïnteresseerd zijn in de Zuid-Amerikaanse geschiedenis. We zeggen tussen onze tanden door dat we ‘Open veins of Latin America’ gelezen hebben van Eduardo Galeano. Dat is echt het kantelpunt. Hij bloeit helemaal open. Als jongetje van vijftien jaar heeft hij in hoogsteigen persoon kennis gemaakt met de auteur. Op dat moment had hij totaal geen idee wat die vreemde in zijn propere kleren in de mijn kwam doen of waarom hij zoveel vragen kwam stellen. Maar op het einde van zijn bezoek gaf hij onze gids een boek (Open Veins) als bedanking voor hun gastvrijheid. Pas jaren later slaagt onze gids er in om dit boek eindelijk te doorgronden en begrijpt hij welk man hij precies ontmoet heeft.
We klauteren verder doorheen vele kleine andere tunneltjes: links, rechts, rechtdoor. Ik ben al lang mijn oriëntatie kwijt. We komen aan bij een diepe put die leidt naar een nieuwe ontginningsplek op een ander ‘verdiep’. Tim probeert er in de klauteren maar ik moet mijn grenzen erkennen en toegeven. In een donkere put afdalen en daarna opnieuw klimmen over meer dan vijftien meter zonder enige vorm van bescherming, is toch een beetje te veel van het goede. Andere bestemming dan maar. Op naar de man die gaten voorbereidt om dynamiet in te steken. We hadden al verschillende keren knallen gehoord. Telkens verschiet ik mij een ongeluk tot amusement van onze gids voor wie dit de normaalste zaak ter wereld is. We klimmen andermaal in een heel smal tunneltje omhoog. Helemaal bovenaan met een klein lampje zit “El Pitufo” (de Smurf, ook hier kennen ze de kleine blauwe mannetjes), zoals een dwerg in het clipje van Ramstein met rondspattend zweet en steengruis te drillen. De man werkt met een gigantische en veel te zware boormachine om gaten met een diameter van 4 cm te maken. Het is oorverdovend en heel claustrofobisch. De man in kwestie heeft er helemaal geen probleem mee. Geen vuiltje in de lucht, figuurlijk dan toch.
Op weg naar buiten (eindelijk denk ik dan na twee uur in deze onmenselijke onderwereld) houden we nog een laatste keer halt. We stoppen in een klein kapelletje, één van de vele. De mijnwerkers hebben de gewoonte om sigaretten en pure chemische alcohol (96%) te schenken (na er zelf van gedronken te hebben) aan een wel heel speciale godheid. We treffen er een beeld van El Moreno, de zwarte Jezus, die aardbevingen en ontploffingen voorkomt. Onder de grond, in deze onderwereld bestaat God niet, alleen deze “El Tio” of vrij vertaald “den nonkel”.
Het is een zeer bijzondere wereld. Daar onder de grond waar iedereen voor elkaars veiligheid instaat, maar ieder toch zijn eigen stuk beschermt. Daar waar volledig andere wetten heersen. Daar waar de bovenwereld een droomwereld lijkt.
Onze gids, Juan, werkt al meer dan tien jaar niet meer in de mijn, maar hij houdt van deze mijn. Zijn liefde voor deze opmerkelijke wereld blijft. Zelfs na al die jaren als toeristische gids komt hij nog steeds graag op bezoek. Begrijpe wie het begrijpen kan.


