DEEL 2: Onze mijnbezoeken – Potosí

… Waar deze gangen door harde rotsen lopen, zijn het slechts onderaardse gewelven, maar als zij zich in een broze en deels afgebrokkelde steenlaag  bevinden, worden zij van boven beschoten met een houten dak, dat door dennenhouten palen wordt beschut, omdat door het uitzagen,  het spoedig tot verrotting overgaat. Hoewel de boomstammen zo gesteld waren, dat zij aan drukking van het gewelf weerstand konden bieden, is deze soms zo sterk, dat de palen ombuigen de gangen smaller worden, of zo laag, dat men er slechts op handen en voeten door kan kruipen. Op dit hout ontwikkelden zich paddenstoelen en witte, wolachtige vlokjes, waarvan de witheid onderling afstak bij de zwarte grond; de gisting der bomen deed een sterke geur ontstaan, en op de champignons, op de onbekende planten, op het witte mos, zag men vliegen, spinnenkoppen en vlinders, die niet op de soorten geleken welke men boven de grond ziet. Ook ratten kropen door deze holen en vleermuizen hangen aan de palen met de koppen naar beneden.

Deze gangen kruisten elkaar op verschillende punten evenals in Parijs de pleinen en straten; er waren mooie en grote, zoals de boulevards nauwe en lage, zoals de onaanzienlijke straten in de achterbuurten; deze onderaardse stad was echter veel slechter verlicht dan de straten zelfs bij nacht, want hier waren geen lantarens of gaspitten, maar slechts de lampjes welke de mijnwerkers bij zich dragen. Al was het zeer donker, toch hoorde men aan het leven, dat er heerste, dat men niet onder de doden toefde, in de werkplaatsen vernam men de ontploffingen van het kruit, waarvan de lucht en de rook tot de arbeider doordrongen; in de gangen hoorde men het rollen van de wagens; in de schachten het wrijven tegen de touwen van de korven, waarmede mensen en kolen opgehaald en neergelaten werden; en daar bovenuit het dreunen der stoommachine, die op de tweede verdieping was gesteld. …

Alleen op de wereld – Hector Malot

 

Zo voelt het ook voor ons wanneer we bij aankomst in de mijn achter onze gids, Juan, aanrennen, in de gapende opening van de nog steeds actieve zilver( en andere mineraalrijke )mijn van Potosí, Zuid-Bolivië. We geven het  beste van onszelf om onze gids niet meer dan een meter uit het oog te verliezen in deze duistere onderaardse wereld. De mijnschacht is slechts anderhalve meter breed en afhankelijk van de plek tussen de 1,5 en de 2 meter hoog. We moeten dus niet alleen voor ons kijken, ook boven en vooral onder onze voeten is het opletten geblazen. Gelukkig hebben we elk een eigen helm met lamp, geen overbodige luxe voor talentvolle enkelomzwikkers in schachten die soms een dwergenmaat hebben. In de aarden vloer is één roestig railspoor te zien die dienst moet doen voor karretjes in beide richtingen. Onze enige bescherming, naast onze gids natuurlijk, is het lege karretje voor ons, getrokken door één sportieve kerel en geduwd door twee van zijn collega’s. Wanneer we een daverend en oorverdovend geluid horen naderen, met een snelheid gelijkaardig aan een jetplane, gooien de kerels vliegensvlug hun lege zware metalen kar aan de kant, zodat de tegenoverliggende gevulde kar, die nooit vertraagt, kan passeren. De helling van de rails ligt logischerwijs in de goede zin voor de volle karren, rechtstreeks naar buiten. Remmen zijn hier niet aanwezig, de schoenzolen van de achterste twee mijnwerkers zijn de plaatsvervangende remschijven. De mijnwerkers zetten met veel metalig lawaai, getrek, geduw en gekreun de lege kar opnieuw op de rails, en vervolgen hun tocht. We zitten nog maar even te hijgen en te puffen aan de kant of we moeten opnieuw rennen. Wij, als niet ervaren mijnbezoekers, lopen met een zakdoek voor onze mond want het opvliegende stof is net iets verstikkender als de stofwolken op de talloze grindwegen die we al hebben afgelegd. Geen enkele mijnwerken die er nog maar aan denkt om zichzelf te beschermen tegen dit latente geweld. Iedereen loopt hier rond in de vuilste werkkleren, zonder enige bescherming noch voor het stof, noch voor enig ander dreigend gevaar. Zo hebben ze ook nog nooit gehoord van veiligheidsschoenen. Tijdens onze halfuur durende tocht tot aan een zijtunnel, horen we een constant geluid van karren die ofwel naar je afdonderen of van je weggeduwd worden. Wij proberen aandachtig te luisteren naar alle geluiden, maar echt wijs raken we er niet uit. Onderling bestaat er tevens een lichtencode om aan te geven welke richting je uit gaat en welke kar er nog in de buurt rondvlamt, wist onze gids ons te vertellen.

 

De tocht in de mijn is het ware hoogtepunt, maar ook wat aan deze helse tocht voorafgaat is duivels interessant. We worden om 8.50u stipt verwacht in het touroperatorkantoor van onze georganiseerde tour naar de zilvermijn van Potosí. Onze gids komt toe. Hij is nog niet heel goed wakker en zegt tegen zijn collega: “we gaan naar Salar de Uyuni”. We zijn een beetje uit ons lood geslagen. Hmmm, neen naar de mijnen? Hij lacht een beetje groen en zegt dan “Tuurlijk” met een vlotheid zoals alleen de Zuid-Amerikanen dat kunnen. De uitstap komt een beetje traag op gang. We wandelen naar de bus, daar wachten we op andere reizigers. De andere al aanwezige gidsen, ex-mijnwerkers zitten de hele tijd cocabladeren te kauwen … Wanneer een tiental toeristen uiteindelijk ons gezelschap vervoegen, rijden we wat verder tot we aankomen bij onze omkleedplek. We worden aangekleed met grijze mijnwerkerspakjes, bijhorende laarzen, helm en lampje. Opnieuw allemaal de bus in om tot bij een marktje te rijden. We gaan naar een actieve mijn en het is de gewoonte om de mijnwerkers te bedanken voor hun gastvrijheid met een cadeautje. Wij kopen niet alleen een fles frisdrank, maar ook cocabladeren en… een dynamietstaaf. Op dat moment vinden we het allemaal nog een beetje vreemd en voelen we ons jammer genoeg opnieuw de witte Gringotoerist. Maar dat beeld verandert snel.

Een tussendoortje. Van waar komt het woord Gringo? Wij wisten het tot voor kort ook niet. Een sympathieke Chileen deed ons volgende uitleg. Ten tijde van de Noord-Amerikaanse burgeroorlog waren de strijders gekleed in verschillende uniforms. Er waren soldaten in groene pakjes en andere in grijze. De ene zei tegen de andere “Green Go”, wat na verloop van tijd en afstand verbasterde tot Gringo.

 

Eenmaal aangekomen aan de ingang van de mijn, vertelt onze gids dat iedereen hier voor eigen rekening werkt. Er is geen algemene baas die de hele mijn bezit. Je koopt zelf een lot in de mijn van x-aantal vierkante meters. Je schakelt, indien gewenst, een paar extra werkkrachten in om jouw stuk van de mijn uit te pluizen. Je winst hangt helemaal af van hetgeen je vindt op jouw lot, welke mineralen en vooral in welk percentage de mineralen aanwezig zijn. Het is dan ook voor de werkmannen geen evidentie om dagelijks honderden toeristen te ontvangen. De werkmannen  moeten extra opletten voor die onoplettende toeristen, die hun werk storen, die nieuwsgierig komen wezen, die babbeltjes maken en die hun kostbare tijd afnemen. Daarom neem je dus die geschenken mee als gebaar om merci te zeggen. Merci dat we even deel mochten uitmaken van dit bijzondere leven in omstandigheden die doen denken aan bijna twee eeuwen geleden.

Na het verlaten van de hoofdtunnel bezoeken we, naar ons aanvoelen, een heel desolate plek in de mijn. De tunnels worden af en toe claustrofobisch smal maar het gevaar voor een aanstormende volle kar is dan toch al geweken. Het is een doodlopende tunnel met verschillende verdwijngaten (zoals in het gezelschapsspel Saboteur) waar er op het einde een mannetje helemaal alleen zit te werken met een radio naast zich. Alles is pikdonker behalve het rode ledlampje van de radio en de brokken waarop zijn hooflampje schijnt. Het is uniek dat iemand hier een radio kan gebruiken, tussen al het lawaai. Hij voert testen uit om na te gaan hoe goed de kwaliteit van dit lot is. Met andere woorden hoeveel procent mineralen er in de stenen zit. Naast hem staat een grote zak stenen. Hij neemt er telkens eentje uit om die met een hamer kapot te slaan. Voor ons is het magie, een alchemist aan het werk. Jammer genoeg is zijn werk niet zo toverachtig. Afhankelijk van het percentage kan je per 100 kilogram steenpuin betere prijzen krijgen bij de verpulverfabriek. Het percentage van hun lot blijkt jammergenoeg niet zo hoog te zijn als verwacht.

Onze gids komt steeds meer los omdat we hem steeds meer vragen stellen, de rondleiding expliciet in het Spaans wilden doen en het duidelijk wordt dat we breed geïnteresseerd zijn in de Zuid-Amerikaanse geschiedenis. We zeggen tussen onze tanden door dat we ‘Open veins of Latin America’ gelezen hebben van Eduardo Galeano. Dat is echt het kantelpunt. Hij bloeit helemaal open. Als jongetje van vijftien jaar heeft hij in hoogsteigen persoon kennis gemaakt met de auteur. Op dat moment had hij totaal geen idee wat die vreemde in zijn propere kleren in de mijn kwam doen of waarom hij zoveel vragen kwam stellen. Maar op het einde van zijn bezoek gaf hij onze gids een boek (Open Veins) als bedanking voor hun gastvrijheid. Pas jaren later slaagt onze gids er in om dit boek eindelijk te doorgronden en begrijpt hij welk man hij precies ontmoet heeft.

We klauteren verder doorheen vele kleine andere tunneltjes: links, rechts, rechtdoor. Ik ben al lang mijn oriëntatie kwijt. We komen aan bij een diepe put die leidt naar een nieuwe ontginningsplek op een ander ‘verdiep’. Tim probeert er in de klauteren maar ik moet mijn grenzen erkennen en toegeven. In een donkere put afdalen en daarna opnieuw klimmen over meer dan vijftien meter zonder enige vorm van bescherming, is toch een beetje te veel van het goede. Andere bestemming dan maar. Op naar de man die gaten voorbereidt om dynamiet in te steken. We hadden al verschillende keren knallen gehoord. Telkens verschiet ik mij een ongeluk tot amusement van onze gids voor wie dit de normaalste zaak ter wereld is. We klimmen andermaal in een heel smal tunneltje omhoog. Helemaal bovenaan met een klein lampje zit “El Pitufo” (de Smurf, ook hier kennen ze de kleine blauwe mannetjes), zoals een dwerg in het clipje van Ramstein met rondspattend zweet en steengruis te drillen. De man werkt met een gigantische en veel te zware boormachine om gaten met een diameter van 4 cm te maken. Het is oorverdovend en heel claustrofobisch. De man in kwestie heeft er helemaal geen probleem mee. Geen vuiltje in de lucht, figuurlijk dan toch.

Op weg naar buiten (eindelijk denk ik dan na twee uur in deze onmenselijke onderwereld) houden we nog een laatste keer halt. We stoppen in een klein kapelletje, één van de vele. De mijnwerkers hebben de gewoonte om sigaretten en pure chemische alcohol (96%) te schenken (na er zelf van gedronken te hebben) aan een wel heel speciale godheid. We treffen er een beeld van El Moreno, de zwarte Jezus, die aardbevingen en ontploffingen voorkomt. Onder de grond, in deze onderwereld bestaat God niet, alleen deze “El Tio” of vrij vertaald “den nonkel”.

 

Het is een zeer bijzondere wereld. Daar onder de grond waar iedereen voor elkaars veiligheid instaat, maar ieder toch zijn eigen stuk beschermt. Daar waar volledig andere wetten heersen. Daar waar de bovenwereld een droomwereld lijkt.

Onze gids, Juan, werkt al meer dan tien jaar niet meer in de mijn, maar hij houdt van deze mijn. Zijn liefde voor deze opmerkelijke wereld blijft. Zelfs na al die jaren als toeristische gids komt hij nog steeds graag op bezoek. Begrijpe wie het begrijpen kan.

De onverwoestbare Tim …

Bij ons vertrek uit Arica slaan we nog even wat basisvoeding in voor onze tocht naar het Parque Nacional de Lauca. Na het rustmoment bij onze vriend Juan-Pablo, gaan we op zoek naar nieuw avontuur. Het wordt een fabelachtige combinatie van rotswoestijnen met besneeuwde vulkaanpieken, ijsmeren en reeds eeuwen verlaten forten die de enige toegang naar het rijk in de bergen moesten beschermen. We treffen niet alleen konijnen met rare krulstaarten en condors die door de lucht kruisen, maar ook lama’s in carnaval kostuums.

Aan de oever van één van de mooiste meren in het noorden van Chili, de Lago Chungará, houden we halt voor enkele dagen. Vanop de hoofdbaan rijden we via een grindpadje met veel putten en bulten een paar honderd meter naar beneden om ons op te stellen naast het meer. We houden een romantische avond met op de achtergrond een heldere sterrenhemel en de duistere omlijning van enkele iconische vulkanen. We bevinden ons op 4800 meter hoogte en onze ademhaling loopt al wat moeizamer.

Tim begint te hoesten, midden in de nacht. “Het zal wel de hoogte zijn.” De volgende dag blijft Tim hoesten en puffen en halen we toch eens de thermometer boven. Jawel, 39° koorts. Het zal wel beteren, gewoon een beetje aanpassen aan de hoogte. Het hoesten is toch wat lastiger wanneer er minder zuurstof in de lucht hangt. Ik lig ’s nachts verschillende scenario’s te bedenken. Ik  begin te vrezen dat het grindpadje toch niet zo ideaal is voor ons Melqui’tje. Ook HIJ heeft een beetje last van de hoogte en op het pad omhoog kunnen we geen aanloop nemen door de slechte staat. Stel dat het echt niet beter wordt met Timmetje en dat we midden in de nacht moeten vertrekken en dat we echt niet boven raken. Wat dan? Tim woelt de ganse dag en nacht in bed. Hij waagt zich, warm ingeduffeld, aan een kleine wandeling, maar na 100 meter moet hij, verplicht door zijn zwakke lichaam, terug naar het busje in het wild terugkeren. Wanneer de nacht valt, vat hij opnieuw de moeizame slaap aan, hoewel hij al quasi heel de dag horizontaal doorbracht. Hij hapt de ganse nacht moeizaam naar adem. We halen de morgen.

De volgende dag, terwijl we onze ogen openen, is er bezoek van een pick-up met drie toeristen uit Oostenrijk. We zien onze kans. Ik ga een praatje maken en leg de situatie uit. Mogelijks raken we niet op ons eentje boven met de auto. Is het mogelijk om ons naar boven te trekken, indien nodig? We proberen eerst op eigen houtje boven te raken, maar we moeten toegeven: Melqui kon het niet alleen. We hadden hulp nodig van een stoere pick-up. De eerste echte keer dat we hulp nodig hadden om uit een netelige situatie te raken.

Eenmaal 50 km terug in het eerste noemenswaardige dorpje met meer dan tien huizen, maar vooral de eerste bewoonde locatie met meer dan duizend meter verschil in hoogtemeters, ga ik op zoek naar een apotheek om die bronchitis aan te pakken. Want die zal niet op zichzelf genezen. Het geluk staat aan onze kant die dag, want net op woensdag is er in Putre een rollende apotheek. Een grote Mercedes sprinter gevuld met alle noodzakelijke medicijnen samen met een dokter zal ons redden uit de nood.

Uiteindelijk blijven we vier dagen in het dorpje Putre en treffen we wonder boven wonder in het hol  van plutol twee sympathieke koppels Belgen. Meer zelfs, West-Vlamingen. Belle en Jorn uit Menen, en Willy en Chris uit Brugge. We gaan na nog een dagje uitzieken samen iets knabbelen in het enige gezellige restaurantje dat het dorpje rijk is en we klinken met een pint. Het is zeker, Tim is genezen.

 

DEEL 1: Onze mijnbezoeken – Arica

Tijdens onze al vijftienmaanden durende reis gingen we de confrontatie aan met talloze veranderingen: in kwaliteit, in levenswijze, in technologie …. We hebben zowel de modernste hoofdsteden als de kleinste bergdorpjes bezocht. We hebben zowel hoogtechnologische ferry’s als lokale vissersbootjes genomen. Zowel super chique hotels (in Venezuela) als gore hotelkamers (zoals de varkensstallen van onze grootouders) bezocht. En ga zo maar door. We houden er van om de extremen op te zoeken, om de uitersten tegenover elkaar te zetten.

Zo wisten we bijvoorbeeld nog niet dat ons eerste ‘open’ mijnbezoek nabij Arica (Chili), in april 2015, een opvolger zou krijgen in de ondergrondse mijn van Potosí (Bolivië), november 2015. De mijn in Arica is het toonbeeld van de moderniteit en technologie van vandaag de dag. De mijnsite ligt op ongeveer twee uur rijden van het dichtstbijzijnde stadje, geen aparte woonsite aanwezig naast de mijn. Iedereen gaat dagelijks op en af met een georganiseerde bus van het bedrijf. De site zelf bestaat uit een centraal opgestelde cockpit met secretariaat, een apart bureau voor de directeur, een kantine met restaurant, enkele bestuurskamers, omkleedlokalen voor mannen en vrouwen,… Alles heeft een welbepaalde plaats en structuur, iedereen weet waar wat ligt. Kortom het is een goed georganiseerde site, waar niet alleen Chilenen (zowel van het noorden als van het zuiden), maar ook talloze andere nationaliteiten aan de slag zijn.

De mijn in Potosí (zuid Bolivië) daarentegen heeft niets van dit alles. Het is een mijn met een geschiedenis die teruggaat tot de eerste kolonisatoren, de Spanjaarden die hier vanaf de 16e eeuw hun zilver kwamen opeisen. Het belangrijkste verschil is en blijft dus ook het grote leeftijdsverschil tussen beiden. Waar Arica een groentje is met de laatste technologie, daar is Potosí een oude grijsaard die (noodgedwongen) voortbouwt op zijn oude technieken en machtsstructuren. Het is een ware teletijdmachine naar het einde van de negentiende eeuw. Het is een plek waar enkel oude technieken worden gebruikt, waar oude metalen zware karren handmatig moeten voortgeduwd worden, waar de werkmannen werken met hoofdlampen die elk moment uit elkaar kunnen vallen, waar iedereen voor eigen rekening werkt met een aangekocht lot, eventueel met een aantal werkmannen die hij moet onderhouden … Het is een ondergrondse aparte wereld waar geen heiligen regeren maar alleen El Tio, ‘den nonkel’. Ons bezoek aan deze laatste mijn van de twee wordt uitgebreid verteld in een volgende blog: DEEL 2: Onze mijnbezoeken – Potosí.

 

Arica, een godvergeten plek in het allernoorden van Chile

In het zuiden van Peru haasten we ons, op het einde van november, om op tijd in Arica te raken voor Het Halloweenfeestje van het jaar. We rijden en rijden en rijden om toch maar voldoende kilometers te halen met Melqui. Maar die gaat nu eenmaal niet zo snel vooruit en zeker niet als er iets motor technisch verkeerd loopt. Tegen heug en meug zetten we toch door want we willen onze Chileense vriend Juan Pablo niet teleurstellen. Na nog een honderdtal kilometer gereden te hebben, moeten we toegeven dat er toch iets wezenlijk scheelt met de auto dat niet te negeren valt. Op VW bezoek dan maar in Arequipa (zie één van de vorige blogs), Peru, en met een klein hartje maar laten weten aan onze vriend dat we – naar Zuid-Amerikaanse gewoonte – niet op tijd zullen zijn.

Hoe komt het nu dat we al zo’n goeie vriend hebben in Arica? Tijdens onze intense autozoektocht in april vorig jaar (alles loopt hier een beetje door elkaar) komen we in contact met een Duits koppel die hun reismobiel verkoopt in Arica. We contacteren hun snel en delen onze interesse in hun auto mee. Het lot beslist er toch anders over en net die dag is de auto al verkocht. Verdorie!! Maar we spreken toch nog eens af om hun info i.v.m. auto’s kopen te aanhoren. Op dat moment zijn we nog groentjes op  het vlak van ‘auto’s in Zuid-Amerika’. Een gezellige avond op café verder, met het nodige gerstenat, hebben we heel wat autokennis bij. Maar het belangrijkste bleek uiteindelijk de tip dat zij verbleven bij een wel heel sympathieke couchsurfer. We wisten nog niet hoe onze tocht verder zou verlopen maar een gezellige en rustige slaapplaats konden we wel gebruiken.

Het zou onze eerste couchsurferplek worden van de reis en we hebben die dan nog wel gevonden via rechtstreeks contact. Normaalgezien contacteer je een persoon via de site van Couchsurfing en krijg je zo de nodige gegevens en contactmogelijkheden. Maar het net iets anders aanpakken (en de site eigenlijk niet gebruiken), dat blijkt nogal goed bij ons te passen. We komen op de koop toe aan op een zaterdagavond om 22u, zoals steeds een briljante timing. We wisten nog niet zo veel van de Chileense gewoontes en gingen er van uit dat zij op dat uur al lang gegeten zouden hebben, dus wij hadden net een lekkere pizza opgesmoefeld. Zij dachten er anders over… Ze hadden reeds gekookt voor ons. Wow, wat een gastvrijheid van die Chilenen! Het zou niet de laatste keer zijn dat we zo’n positief beeld krijgen van de Chilenen, wat een oprecht sympathiek volk!

We doen ons uiterste best om aangename gasten te zijn tussen al ons gezoek naar een auto: uren en uren het internet afschuimen, notaria’s en overheidsdiensten bezoeken om een Chileens RUT-nummer te bekomen (we zouden dit het best kunnen vergelijken met het Belgische Rijksregisternummer, met het verschil dat in Chile alles met dit nummer gebeurt; of je nu naar de burgerlijke dienst gaat of naar de supermarkt, overal heb je dit nummer nodig), andere officiële diensten in Arica bezoeken om meer informatie te weten te komen over hoe een auto te kopen van buitenlanders, andere Chilenen ontmoeten …

Juan-Pablo en zijn vriendin Carla blijven top gastheren en -vrouwen. Samen bezoeken we het centrum van Arica, de centrale houten kerk die een ontwerp is van Gustave Eiffel, eten we één van de lekkerste ijsjes van Chile … en gaan we samen heerlijk uiteten in één van de betere restaurants van de stad. Daar in onze allermooiste kleren (na het zwemmen in de zee) treffen we de hoge bazen van JP en Carla. Zij werken in één van de vele kopermijnen die Chile rijk is. JP als mijningenieur en Carla als verpleegster. Hij heeft duidelijk een goeie band met hen, stelt ons voor, informeert dat we architecten zijn op bezoek uit België. Na enkele minuten worden we uitgenodigd om de mijn te bezoeken. We zijn een beetje overdonderd door dit snelle gebaar maar een gegeven paard kijk je niet in de bek. Dus we aanvaarden beleefd.

 

De volgende ochtend komt een privé taxidienst van de mijn ons ophalen. Speciaal voor ons, jawel, een heen- en terugrit van respectievelijk anderhalf uur, met de bus duurt dit traject minimum twee uur. Alle werknemers in de mijn moeten dit dagelijks afleggen. JP licht ons in dat er verschillende werkregimes bestaan: je werkt zeven, tien of veertien dagen en nadien heb je telkens zeven, tien of veertien dagen vakantie. Per dag werkt een gemiddelde werknemer 12u, in dag- of nachtshiften. De normaalste zaak in de wereld, lijkt het. Allemaal goed en wel, zou je denken, zolang je geen gezin of familie hebt die je graag op regelmatige basis wil zien. Ook in Peru en Bolivië hebben we al te vaak over dergelijke werkregimes gehoord.

Aan een sneltempo vliegen we door de noordelijke woestijn van Arica. Droog droog droog! Werkelijk niets te zien. Geen rivier, geen watervoorziening, geen landbouw, amper bomen… De inwoners hebben in eerste instantie dan ook geen enkele reden om naar hier te trekken en te wonen. Wie wil er hier nu ook wonen? In een regio, op 2000 kilometer van het centrum van het land (Santiago, Valparaiso en omstreken), met alleen zand, droge bergen en dorre valleien. Ze worden naar hier gelokt door enerzijds het goedbetaalde werk in de mijn en anderzijds door een taksvrije zone. Alles is hier een vierde van de prijs goedkoper. Handig voor onze aankoop van een auto dachten wij (tot we doorhadden dat je met een dergelijke auto maar drie maanden uit de regio mag).

Eenmaal op de werf aangekomen, na een controlepost waar we geregistreerd stonden, worden we aan iedereen voorgesteld, krijgen we plannen te zien van de site en krijgen we een helm opgezet. Jammer genoeg krijgt alleen Tim een witte helm, zoals het hoort voor een ingenieur. Ik moet het doen met een blauwe. Juan-Pablo geeft ons een snelle introductie omtrent de werking van een kopermijn. Zoals het een echte leerkracht betaamt, met een wit bord en stift. Als super enthousiaste leerlingen letten wij heel goed op. Hoe de mineralen uit de grond gehaald worden, waar ze naartoe gebracht worden om vermalen te worden tot klein gruis om tot slot klaargestoomd te worden voor het chemische proces om het koper te scheiden, te concentreren en de koperplaten te kunnen produceren.

JP verlaat ons en een andere ingenieur, Miguel, die het hele koperproces controleert, neemt het van onze vriend over. Miguel zal ons gedurende een paar uur rondleiden op de site, meer bepaald het deel met de open mijn. In één van de vele rode pick-ups met rood wapperend vlaggetje (voor de zichtbaarheid) rijden we vlot enkele kilometers rond. Het is groter dan gedacht zo’n open mijn. Geen wonder dat ze elk met een bedrijfswagen rondrijden, te voet of met de fiets zou je amper naar de andere kant kunnen rijden en je dagtaak zou er al op zitten. We starten onze tour met een fantastische overzichtsplek van de mijn. Ook hier komen alle ingenieurs samen om de mijn te observeren. We zien de gigantische bulldozers rondrijden. Dit zijn echt etende monsters. Ze rijden rond op onwaarschijnlijk grote wielen, een diameter van om en bij de drie tot vier meter. Ze verorberen tonnen steengruis om die later opnieuw uit te spuwen in een al even grote truck. Die camion rijdt op zijn beurt naar een plek, met kilometerslange loopbanden, waar de grote brokken steen worden vermalen tot klein steengruis. Dit proces wordt zo vaak herhaald als nodig tot het gruis kan verwerkt worden in een chemisch proces. Ondertussen zijn we al rondgereden over de halve site, telkens naar een andere plek. Er moet een reden zijn waarom de verschillende stappen van dit productieproces zich niet vlak naast elkaar bevinden, maar dat is ons toen en nu nog steeds onduidelijk. We rijden wat verder naar een aantal reservoirs waar enkele bijzonder chemische producten liggen te gisten. Er worden steeds andere experimenten uitgevoerd om het koperproces zo efficiënt mogelijk te maken, zo licht onze ingenieur ons in. Wanneer we bij één van de controleposten komen, waar alle computers de gegevens verzamelen van de duizenden sensoren die ergens in het chemische proces verborgen zitten, ontmoeten we nog enkele andere bazen, waaronder een Chinees of Koreaan (de precieze nationaliteit ontgaat ons even). Deze man is echter niet zo tevreden met ons bezoek. Hij ziet ons allicht aan als mogelijke spionnen en niet als de spontane toevallige bezoekers. We zijn nog maar een halve seconde binnen in het kantoor, de Chileense mannen leggen ons sympathiek uit hoe het in zijn werk gaat, wat we precies moeten kunnen zien op de vele diagrammen die daar binnenkomen, terwijl die Koreaan ons met een duidelijk misprijzen aankijkt. We voelen ons dan ook niet echt zo op ons gemak, en na een paar minuutjes stuurt Miguel ons aan verder te gaan. Een laatste stop is daar waar het koperpoeder tot koperplaten wordt geconcentreerd. Er staat ons opnieuw een open hangar met talloze verschillende machines te wachten. Wij kennen natuurlijk niets van deze machinerie. Vijftig platen worden mooi op elkaar gestapeld en aan elkaar gebonden, klaar voor vertrek. Hier is duidelijk geen gebrek aan koper. We zagen dan ook in deze regio al menig daken of bakgoten in koper. Daar kan een Belgische architect alleen maar van dromen, want daar aan jullie kant van de wereld, in het koude België, betaalt men daarvoor een fortuin. We besluiten onze voormiddag met een lunch in het werkmansrestaurant samen met alle collega’s en bazen. Zoals altijd treffen we een voortreffelijke keuken ;-).

Een welgemeende merci aan onze vriend Juan-Pablo die het mogelijk maakte om dit bezoek te kunnen doen.

 

Na onze intense maand zoeken naar een auto (april 2015), vonden we geen exemplaar in Arica zoals we eerst dachten, maar moesten we opnieuw reizen naar La Paz (Bolivië), want daar stond Melqui op ons te wachten. Maar na zeven maanden (november 2015) reizen en zeven maanden na onze eerste ontmoeting met Juan Pablo en Carla, hadden zij twee natuurlijk nog geen kennis gemaakt met Melquiades. Het was dan ook snel beslist dat we Melqui moesten voorstellen. We houden vijf dagen rust met heerlijke Zuid-Amerikaanse lappen vlees op de parilla natuurlijk!

De nachtelijke rendez-vous van Melqui

Dat Melqui bijzonder sociaal is, konden jullie al lezen in één van de vorige blogs waarin Tim alle kwaliteiten van onze derde reiziger vertelt. Maar dat ze ook rendez-vous heeft tijdens de nacht of tijdens de vroege uurtjes, wisten jullie nog niet. We komen er soms wat mee in schande maar, meestal kunnen we er goed om lachen.

De ene keer wordt ze/hij (onze auto heeft wat hermafrodiete kantjes) omringd aan het centrale plein door fanfares, zingende mensen die allemaal een fakkel in hun hand houden, kinderen die voluit op hun trommels kloppen, vreemd rondlopende figuren in de meest onmogelijke kostuums, dansende koppels die hun traditionele folklore harmonieën tentoonspreiden of muziekantjes die naast de auto hun gitaar bovenhalen…

Op een doordeweekse avond hebben we ons opnieuw opgesteld aan het centrale plein, de Plaza de Armas, het Parque Central of welke naam het ook draagt. Uit ervaring weten we al dat dit meestal een bijzonder aangename plek is met voldoende sociale controle. We hadden geluk en vonden net het laatste parkeerplekje. We gaan nog even op verkenning in het stadje, pikken een lekkere pizza met de obligatoire pint mee en kruipen nadien snel onder de wol.
De volgende morgen, het bleek een zondag te zijn, ontbijten we op ons gemak in de auto. We plannen een bezoekje aan de markt om wat verse producten in te slaan. We genieten van onze lekkere koffie, als echte Italianen hebben we een caffetière in de auto. “Grmqmqmdlsfj”, we horen een zacht gerammel in de verte, enkele metaalachtige gerinkels al wat dichter. Ik dacht dat ze het plein opruimden van de festiviteiten van de avond ervoor. Tim daarentegen dacht er anders over. Hij springt uit de auto, legt zijn haar in de plooi, strijkt zijn broek wat gladder en start een praatje met een man aan onze auto. Dit gebeurt allemaal in een fractie van een seconde. Ik kijk nog een beetje rond, vat nog niet helemaal goed wat er gebeurt.

Wat bleek nu? De man in kwestie stond op het punt een wielklem rond ons voorwiel te leggen, op zondag mag er niet geparkeerd worden op het plein. Wij weten hem nog net te overtuigen dat wij nietsvermoedende toeristen zijn, amper Spaans kunnen spreken en al helemaal geen bordjes hebben gezien. De man geeft zich na vijf minuten gewonnen. Misschien had hij wel wat sympathie voor ons en laat ons gaan, zonder een boete. Fjuw, hup dan maar naar de volgende stad.

 

Op nog een andere avond komen we (opnieuw) laat in een stadje in het noorden van Chili aan (+/- 23u.) en zoeken een slaapplaats. Na bijna alle straten afgereden te hebben, vinden we een aantrekkelijk straatje midden in de stad: rustig met toch voldoende passage, naast een paar rozenstruiken, enkele woonhuizen en een paar openbare gebouwen. Het lijkt ons perfect. We slapen als roosjes.
De volgende morgen gaan we toch even de stad verkennen. Zoals steeds treffen we een centraal plein met daaromheen straten in een rechthoekig patroon. Alles blijkt ’s morgens vroeg (=9u) heel rustig te zijn in de stad. Chilenen beginnen wat later aan hun dag, pas om 10 à 11u wekt de stad echt. Er is eigenlijk niet zo heel veel te beleven noch te bezoeken, dus we beslissen om onze tocht verder te zetten. Eenmaal terug bij de auto, vinden we een blaadje onder onze ruitenwisser. Een boete, de eerste van onze reis. We waren ons van geen kwaad bewust, geen enkel parkeerbord te zien noch andere aanduidingen. Alleen een mannetje die rondloopt tijdens de werkuren, hadden we nadien door.
Zoals altijd en overal in Chili, zijn publieke parkeerplekken opgeëist door een privé persoon om daar geld uit te slaan. Er zijn geen officiële borden, er is geen grootschalig stedenbouwkundig plan om auto’s buiten de stad te houden, maar alleen iemand die de parkeerplekken bewaakt uit eigenbelang. Zo is het niet alleen midden in het centrum, maar ook op een museumparking, een supermarktparking ongeacht of je er aankopen hebt gedaan of niet … Daar hebben we het toch wat moeilijk mee! En al zeker in dit geval, in een buurt die geen bewaker nodig heeft. De buurt is veilig en er is helemaal niets aan de hand.
Ons plan komt even spontaan als het snood is… Het is werkelijk waar de eerste keer dat we dit toepassen. We doen alsof we niets gezien hebben, geen papiertje te zien en hup we gaan op route. Aan het einde van de straat staan er echter lichten en natuurlijk is het net rood wanneer we er passeren. Het mannetje haalt ons in, wil zijn uitgeschreven boete komen innen. Wij spreken plotseling geen Spaans meer en … het wordt groen. In dit land (en vele andere landen) waar corruptie en uitgevonden jobjes de plak zwaaien, doen wij ook even alsof we een local zijn en niet de eerlijke en veel te plichtsbewuste Europeaan die al genoeg heeft bijgedragen aan dit subsysteem.

Op een andere avond staan we geparkeerd aan een klein strand, in een mini-dorpje met een magnifiek uitzicht op de besneeuwde vulkanen aan de overkant van het meer. We kijken gezellig naar een filmpje, genieten van de rust aan het meer, waar alle strandgangers al naar huis zijn teruggekeerd. De totale rust van Zuid Chili. Plotseling horen we echter een bende jongeren tussen de 16 en 18 jaar met sterk Noord Amerikaans accent, bijna uitsluitende jongens. Ze hebben zich opgesteld net aan de neus van Melqui. We kunnen ze niet negeren. Ze groeperen één meter van de auto, terwijl er aan het strand meer dan een kilometer aan ruimte naast ons vrij is. We zijn ons nog maar net aan het frustreren over hun gekozen locatie of ze beginnen één voor één à capella een sonate te zingen tot wanneer ze één geoefend geheel vormen. Het hogere doel blijkt twee Zuid-Amerikaanse deernetjes te veroveren. Ze kunnen zingen, daar bestaat geen twijfel over. Ze hebben talent en zijn geoefend. Dit zijn geen ‘gewone’ Amerikaanse jongeren.

Frutillar, Zuid-Chile, is een dorp met twee parallelle avenues en enkele verbindingsstraatjes, honderd huizen waarvan de helft hostals of restaurants. Daartussen staat een mega theaterhuis aan de waterkant, ‘Teatro del lago’, waar niet alleen theaters, concerten of optredens plaatsvinden. Er worden ook zomerstages van muziek tot en met ballet georganiseerd voor een schappelijke prijs. Deze jongens dienen als promotie voor deze nieuwe veelbelovende onderneming. Ze komen van een American Highschool waar muziek centraal staat en voeren hier enkele dagen optredens op, om nadien door te trekken naar een volgende Zuid-Amerikaanse stad. (voor zij de ex-Sint-Lodewijkers onder jullie: een iets grootsere onderneming dan Ons Dorado). Dit is de eerste keer dat we zoiets zien in Zuid-Amerika. Graag meer.

 

The long way down, 3200 km doorheen Peru in 5 minuten tekst en beeld

Onze reisroute wordt steeds aangepast en bijgestuurd. Daar zijn we al in getraind. Na het bezoek van Arne (Blog Arne), pikken we onze Melqui weer op waar we hem achter gelaten hadden (in Quilotoa). Na het rustmoment op de camping Ibarra, bij de Duitsers (Camping Sommerwind), de stevige week in de school (Schooltijd) en een laatste keer rusten aan het paradijselijke strand, kunnen we er weer tegenaan om vanuit het meest noordelijke punt van onze reis, de kust van Ecuador, onze route naar het zuiden aan te zetten. Er wachten ons zowaar 8000 km in vogelvlucht naar Patagonië!

We cruisen in twee dagen naar de grens van Peru, naar het begin van deze blog. En dit verhaal wordt voor het eerst een eenvoudige oplijsting van de grote afdaling! Onze teksten verliepen doorheen heel Peru thematisch, nu geven we jullie toch een idee van wat we op de terugweg deden! We beginnen op 8 oktober 2015 en eindigen op 3 november 2015 aan de voordeur van Chili! 3200 km dichter bij onze huidige locatie en een maandje dichter bij vandaag! Nog drie maand in te halen…

 

8/10, km 0000: Om zes uur uit de veren, want grensovergangen met Melqui zijn altijd een avontuur! Alle bidons zijn vol met goedkope benzine. Douche zoeken in het stadje Macará, scheren en verse kleertjes aan! Dat hebben de douaniers graag! Correct zo blijkt! Na één uur zijn we Peru binnen met de vingers in de neus.

Net over de grens en we treffen al vier politiecontroles. Lang leve de politie van Peru!!

Net over de grens en we zien een Pelgrimage van 200 km langs de Panamericana. Leve het ongeregelde Peru!!

 

9/10, km 0310: Dagje rust in Rancho Santana tussen de paardjes. Ontmoeting met Belgische psychologe Myrthe en hoteleigenaar Filip. We spelen een beetje architect en geven tips voor de renovatie van zijn hotel. Leve het ontbreken van bouwregels in Peru!!

10/10, km 0540: Te koerse naar het zuiden tot de Ruïnes van Tucume. In Tambo grande eten we heerlijke Cevice! Leve de Cevice van Peru!! Huphup.

Snel door naar Huanchaco om een pintje te drinken in een surfershostel! Leve de backpackershostels waar nooit iets verandert en dezelfde luilekkerclichés blijven gelden!!

 

11/10, km 0700: Te veel déjà-vu’s en zelfde verhalen, dus we verlaten dit surfstrand na het genieten van een heerlijke chocoladecroissant! Leve die ene bakker in Peru waar je lekker gebak kan krijgen!!

Na een kleine 700 km in de Peruaanse woestijn, rijden we ‘de Cañon del Pato’ in. Een nieuwe wereld ontdekken in de Cordillera Blanca!

12/10-19/10, km 1110: Een weekje genieten van een schoonheid zoals onze Alpen op hun best, maar dan op meer dan 4000m. Zie onze promoblog van Noord Peru. (Het Noorden van Peru). Leve iets anders dan woestijn!!

 

20/10, km 1510: We zijn nog maar de bergen uit of we belanden bij de Hare Krischna’s in het ECOTRULY PARK op 60km van Lima. We komen even tot onszelf en praten enkele uren met een Belgisch-Amerikaans koppel die ons in grote lijnen hun leven in de gemeenschap beschrijven. Leve de vrijheid van elk individu… in Peru…!!

 

21/10, km 1600: Om 6u uit de veren en we betalen aan de kuisdame (we treffen niemand van de verantwoordelijken) aangezien we in deze gemeenschap uitgaan van honderd procent eerlijkheid. We rijden meer dan 3u door de hel van Lima. Na drie bijna aanrijdingen en een heus gevecht met een 15 ton wegende vrachtwagen, komen we aan bij onze favoriete mechanieker IPA. (IPA) Leve de klotechauffeurs van Peru!!

22/10-26/10, km 1650: Opnieuw vijf dagen mechaniekertje spelen in Lima en ditmaal zonder dat er iets fout was aan de auto! Wat een dagje langsgaan bij een oude bekende zou zijn, werd een sleurtocht om een vreemd nieuw-veroorzaakt probleem op te lossen. Nu, we grepen de kans dan maar meteen aan om nog wat stukjes stad te verkennen die ons nog onbekend waren, en wat oude bekenden weder te zien. Uiteraard aten we met IPA opnieuw de heerlijkste ceviches en uitzonderlijke straatontbijtjes! Leve het straat- en marktvoer van Peru!!

 

26/10, km 1830: Op tocht naar het zuiden! We zouden en moesten zo snel mogelijk van Lima weg raken! Genoeg is genoeg. Net voor het donker landen we in het gehucht Cerro Azul langs de woestijnkust van Peru en tot onze grote verbazing treffen we er de beste Italiaanse keuken van het hele land! Leve de niet-Peruaanse keukenverrassingen!!

27/10, km 2140: Melqui doorkruist verder als een grote held de droogste woestijn van de wereld (met éénmaal regen om de 40 jaar) tot aan Nasca! We bezoeken er een planetarium met uitleg over de mysterieuze lijnen. Een kleine beloning die we oversloegen tijdens de tocht naar het noorden. (Met Rik en Nick!). Leve nooit alles bezoeken en altijd iets overlaten voor later!!

 

28/10, km 2340: Ons geluk keert… Onze lichten werken niet door een kortsluiting en de corrupte politie van Peru vraagt opnieuw wat zakgeld. Leve de corruptie van Peru!! Op de koop toe krijgt onze motor het te warm…

29/10, km 2340: We beseffen dat we het Halloweenfeestje in Arica, Chili, waar ze ons twee dagen later verwachtten, niet zullen halen. We besluiten meteen van het strand van Puerto Del Inca bij Chala te genieten. We schakelen onze 4G verbinding in om auto-info op te zoeken. Dankzij de keuze om het die dag voor een keer op het gemak te doen, lossen we theoretisch het autoprobleem op, beleven we een heerlijke stranddag en ontmoeten we vijf gekke Argentijnen die samen reeds een half jaar in één busje reizen en overal theatrale voorstellingen brengen, hecho in Chino. Leve de verandering van plannen, zelfs als ‘de tijd krap zit’!!

 

30/10, km 2740: We contacteren, via de vele VW-clubs, Luis in Arequipa en gooien er nog wat kilometers tegenaan! Dat is: door de woestijn, bergop, met een motor die te veel opwarmt! Niet zo snel dus! ’s Avonds op onze slaapplek rijdt een dronken vrachtwagenchauffeur gelukkig net niet tegen Melqui. De muur achter ons moet er wel aan geloven. De chauffeur gaat er uiteraard vandoor… Leve… het ontlopen van verantwoordelijkheden!!

31/10, km 2740: Luis, die ons online reeds meermaals hielp, ontvangt ons met open armen! Brengt ons van de ene onderdelenzaak naar de andere. Brengt ons bij de juiste mechanieker en met zijn en onze kennis samen is Melqui in 15 minuten weer de oude! Leve het onvoorwaardelijk helpen van de Peruanen!!

’s Avonds dompelen we ons samen onder in de gekte van Halloween. Arequipa, net zoals elke stad in Zuid-Amerika, is gek op dit Noord-Amerikaanse festijn. Leve de mondialisering zeker…!!

1/11, km 2740: Allerheiligen, een familiedag bij ons, wordt hier ook gevierd. We brengen die hier door met onze tijdelijke familie. Zowel de voorbereiding als het (vr)eetfestijn zijn voor ons eye-openers. We krijgen, net voor ons tweede vertrek uit Peru, nog eens een andere bril op onze snoet. Die toont ons hoe ook de stedeling van de 2de grootste stad van het land Arequipa, zijn tradities van het platteland meebrengt. We eten zwijn uit de Caja China, we zien de kiekens en cavia’s voor eigen consumptie op de kleine binnenkoer en krijgen een blik in het huis achter een van de duizenden buurtwinkeltjes in de straat! Ook horen we onmogelijke verhalen over de smokkelroutes met Bolivië! Leve de deuren die Melqui opende in Peru!!

 

2/11, km 3170: Op Allerzielen beslissen we de laatste kilometers door Peru te cruisen. Tijd om een episode af te sluiten met deze leuke ervaring fris in de geest!

 

3/11, km 3200: Enkele formaliteiten op papier en vooral een grondige controle van al onze verse Peruaanse voedingswaren, kruiden, thees, droogvoer én souvenirs. Chili laat niets van vers waar binnen. Maar alles verloopt hier zo beleefd, zo correct en zo makkelijk dat we opnieuw het gevoel hebben thuis te komen! Leve de chaos van Peru!! Maar blij eindelijk wat orde te vinden!!! Op naar het avontuur in Chili!!!!

IMG_6281

Wist je dat… Prijzen in Ecuador

 

Wist je dat de prijsverschillen, afhankelijk van het restaurant en de regio, in Ecuador, voor een basisdiner en een gedeelde grote pint, gemakkelijk van 1,2 dollar tot 20 dollar kunnen variëren?

 

Wist je dat een metser in Ecuador moet rondkomen met 15 dollar per dag en iemand die op een bananenplantage of palmoliebedrijf werkt met 300 dollar per maand? Dit terwijl alle luxeproducten hier even duur zijn. Daarnaast verdient de agent recentelijk 900 dollar: een verdrievoudiging van zijn voormalige loon. De officiële reden is om de corruptie tegen te gaan. Volgens heel wat kwatongen is dit echter vooral om de agenten aan de zijde van de huidige regering (die de grondwet wil wijzigen om rarara …  langer aan de macht te laten blijven) te houden. Leerkrachten van het middelbaar onderwijs ontvangen dan weer 1200 dollar per maand.

 

Wist je dat Ecuador een grote campagne voert om de eigen economie te stimuleren? Die bestaat enerzijds uit een grootschalige reclamecampagne en steun voor eigen productontwikkeling. Anderzijds betekent dit importtaksen van vijftig tot honderd procent voor buitenlandse merken. Voorlopig betekent dit jammer genoeg al te vaak veel te dure geïmporteerde kwaliteits-, of lokale kwaliteitsloze producten. Maar wij geloven dat – met een beetje democratische bijsturing van het land – deze weg vruchten kan afwerpen!

Wist je dat, in de lijn met de vorige wist je dat, de importtaks in Ecuador op drank makkelijk 78 procent kan bedragen? Combineer dat met een beperkte kennis van wijn en je krijgt zeer vreemde taferelen. Jawel, dat is Liebfraumilch en Jawel dat zijn prijzen in dollar.

4,5 wijn.JPG

 

Wist je dat de benzine in Ecuador 1,48 dollar per Gallon (3,8 liter) kost. Dus… om en bij de 35 eurocent per liter.

5 BENZINE

 

Een verborgen paradijs

Onlangs kwam de vraag uit Zuidoost-Azië waar wij de tijd vandaan halen om onze blogs te schrijven.  Het antwoord is heel eenvoudig. Als de omgeving te veel prikkels geeft. Als je onvoldoende innerlijke rust vindt om een tekst te ‘kakken’. Als je je niet kan één maken met je tekstjes, dan moet je het met een uitwendige rust doen. Een ideale locatie zoeken.

Een van die plekjes was de Playa Escondida. Het verborgen strand.

Niet dat strand van The Beach met Leonardo di Caprio waar veel te veel wanna be anarchistische, wereldverbeteraarpubers wonen die van ’s ochtends vroeg tot ’s avonds laat groentjes roken en danig dicht op elkaar zitten dat ze elkaar de haren uit kunnen trekken.

Noch een hippiekamp waar alle artesaniajeugd elkaar leert dezelfde macraméknoopjes maken, Ché aanbidden zonder een beetje geschiedenis te kennen en de hele dag door met de hand open naast hun artisanale producten hangen.

Noch de Kamping Sommerwind van twee blogs terug, want daar moesten we veel te veel aperitieven met de Europeanen.

En al zeker niet één van de huizen van de leerkrachten uit de vorige blog, waar de rondvliegende kinderen, de tv en het continue bezoek een uitdaging waren om zelfs alleen maar een mailtje te sturen.

Maar dit geïsoleerde paradijselijke strand. Gelegen in een baai met licht kabbelende golfjes, een watertemperatuur van om en bij de 25 graden en omgeven door tropisch groen.

Dit is een plekje die voor ons net voldoet om ons van onze productiefste schrijfkant te tonen. Hier blijven we al eens graag een paar dagen hangen om stil te staan bij de waterval aan gebeurtenissen en hieruit een selectietje te maken voor jullie.

 

Zo Benji en Jolien. Dit is het eenvoudige antwoord op jullie vraag. Ik ben er van overtuigd dat jullie daar in Zuidoost-Azië (en zo meteen in Centraal Amerika) ook zo’n plekjes vinden! Blijf dan even twee dagen langer. Er is tijd zat!

https://wezijnhiernutoch.wordpress.com/

 

Maar ook hier, waar het enige geluid van de tropische vogels en de rollende golfjes lijkt te komen, ontmoeten we inspirerende nieuwe personages. Met eentje onder hen, Majo, trekken we er nog enkele honderden kilometers op uit langs de stereotiepe surfstranden van Ecuador!

September: naar school!!

Proloog

Het noorden van Ecuador is een bijzonder amalgaam van feeërieke woudlandschappen, kilometers uitgestrekte landbouwgronden, opmerkelijke dorpscentrumpjes tot geanimeerde marktgebeurtenissen. Onze route door dit land neemt zoals altijd letterlijk ‘vreemde kronkels’ aan. We laten de drukke hoofdstad Quito achter ons en dalen enkele tientallen kilometers af in een landschap dat het best te omschrijven valt als een combinatie van een mistige, gure kustregio en de jungle met bijna 100% vochtigheid. De wereld van J.R.R. Tolkien komt tot leven. We zijn volledig in de ban van het donkere woud waarin de zichtbaarheid tot enkele meters beperkt wordt, waar alle vreemde wezens tot leven zullen komen. Misschien komt Legolas achter de bomen tevoorschijn, denken we. In deze wondere elfenwereld beslissen we even halt te houden, niet te lang, want we zouden wel kunnen vertrappeld worden door de grote enten van dit duistere bos. Het dorpje waar we via een klein kronkelend grindpadje terechtkomen, heet Mindo. Zoals alle Zuid-Amerikaanse dorpjes heeft ook dit een rechthoekig grid. In de zeven straten, die het dorp rijk is, slenteren we even rond, bang dat we doordrenkt zullen raken door de miezerige, warme motregen dat langzaam naar beneden zweeft. Wie staat daar plotseling vlotjes praatjes te maken tussen drie knappe Ecuadoraanse vrouwen? Oude bekende, Victor, een sympathieke Zweed met wie we enkele avonturen deelden in Baños tijdens het bezoek van Meester Carton. Vrolijk klinken we samen op de tweede toevallige ontmoeting met een volle bierkruik.

Het was een laatste luchtige toeristendag. Van hier af aan voelen we dat het menens wordt voor ons technisch schoolbezoek. We willen ons goed voorbereiden en scherpen al onze zintuigen aan. We willen zoveel mogelijk oppikken zowel van de omgeving, van de complexe samenleving, als van alle zaken die scheef lopen in dit mooie land.

De zweverige boswereld laten we even voor wat het is en duiken de werkelijkheid in. De grootste binnenlandse markt van Ecuador vindt plaats in Otavalo. Hoe beter met de neus in de werkelijkheid geduwd te worden dan met de doordringende geur van fecaliën. Gelukkig wordt de markt opgesplitst: de artisanale markt, voornamelijk voor de toeristen; de groenten- en fruitmarkt; en de laatste, maar absoluut niet de onbelangrijkste, de beestenmarkt! De beestenmarkt zoals wij die niet meer kennen (of toch zeker ik niet als stadsmeisje). Kleinvee in een eerste deel en daar worden ook de kleine puppy’s aan drie dollar bijgerekend, een tweede afdeling met biggetjes- en varkens en een derde met kalfjes, koeien en paarden. Kortom alles wat je maar wil op een hoop. Over hygiëne praten we al niet meer. De ganzenmenner vond duidelijk zijn weg niet meer naar het juiste deel van de markt, maar gelukkig volgde de kroost gele kuikens hem door de drukke straten.

Eenmaal terug op de baan, treffen we nog meer aspecten van het ‘echte’ leven. Aspecten die we eigenlijk liever niet zien. Waar groenten en gewassen gekweekt worden, zijn er onlosmakelijk sproeistoffen bij gemoeid en dat in alle mogelijke vormen. Grote panelen ter promotie van de efficiëntste en meest chemische sproeimaterialen en meststoffen; sproeimannetjes die een hele dag rondhuppelen met hun sproeireservoirs vol; of op nog grotere schaal met kleine vliegtuigjes die de velden overvloedig voorzien van pesticides.

Als onze ogen niet op de lucht gericht zijn naar de tientallen vliegtuigjes, kijken we in het rond en naast de baan zien we tientallen reclame borden: “Primero” Ecuador. “Ecuador eerst” vrij vertaald in het Nederlands. De eerste op alle mogelijke wijzen en interpretatiemogelijkheden. De eerste in eigen producten (de overheid stimuleert eigen productie in plaats van import), eigen traditie (terwijl verschillende minderheidsgroepen zich gediscrimineerd voelen), eigen makelij (om artisanale ambacht te onderhouden), de eerste in toerisme (het wordt er flink ingepompt dat ze het mooiste land van Zuid-Amerika zijn met de meeste diversiteit), de eerste in … Fantastisch initiatief, maar er is nog werk aan de winkel. (Tim vertelt jullie daar later meer over)

 

Bij de familie

In het noorden van Ecuador transformeren wij onszelf even, en met even bedoelen we 48 uur, in de rol van biologen, leerkrachten, fotografen en verslaggevers. Als (ontdekkings)reizigers houden we van uitdagingen en verandering van plannen. We geven ons volledig over aan een ander vakgebied.

We gaan op bezoek bij een Technische school en Landbouwinstituut in Ecuador, in het kleine dorpje van Las Villegas. Het is geen kant en klaar geregeld bezoek. Er komt een beetje chaos bij kijken, maar daar houden we van. Waarom gaan we nu net daar op bezoek? Het LTI, het Land- en Tuinbouwinstituut in Oedelem houdt een uitwisselingsproject met de school in Las Villegas. Het is natuurlijk niet evident om als Belgische school even op en af te reizen naar Ecuador en dus werd er voor een eerste persoonlijk contact aan alternatieven gedacht. Geert Glorie, leerkracht LTI, en vriend van de Vanhoorens, komt met ons in contact. De eerste ruwe vragen werden reeds een jaar geleden via mail heen en weer gestuurd: de vraag of wij eens kunnen op prospectie gaan, wat foto’s kunnen nemen, kennis willen maken met de betrokken leerkrachten… In functie van een goeie toekomstige samenwerking tussen de scholen.

We steunen altijd uitwisselingsprojecten tussen scholen, welke vorm ze ook aannemen. We hebben zelf ook het geluk gehad om in het middelbaar met scholen in andere landen in aanraking te komen. Tim verkende op die manier IJsland en Rusland, zelf kon ik Zuid-Afrika proeven. We herinneren ons maar al te levendig hoe intens en inspirerend zo’n uitwisseling kan zijn. Het blijft hoe dan ook een fantastische ervaring, of je er nu in levende lijve heengaat of via de hedendaagse digitale wereld communiceert.

Na veel wijzigingen in onze plannen luidt de afspraak finaal zondagmiddag 27 september 2015 om 16u. aan het ronde punt waar een standbeeld staat met een bronzen man met een sigaarstompje in zijn mond (“Doe toch die sigaar uit je mond, Sjohnny”, denk ik dan, een gedicht voorgedragen in de poëzieavond, bijna tien jaar geleden). “Het dorpje is helemaal niet groot, en je herkent direct het plein waar we het over hebben”, zeggen ze. Ok, wij zijn benieuwd. En inderdaad, we herkennen al snel de man met sigaar in de enige Avenue, en één van de drie straten van het dorpje. En wachten maar. Uitkijken wat er allemaal in dit kleine dorpje gebeurt: oude mannetjes zitten op de stoep, de dorpsjeugd klit wat bij elkaar terwijl ze staren naar die twee vreemde gringuitos, kinderen spelen in het midden van de straat, het marktgebouw staat er leeg bij op deze zondagnamiddag, er passeren een paar auto’s, gezellig kletsende dametjes die ons allemaal even vriendelijke welkom heten … en dan zien we twee dames uitgelaten en met veel kabaal op ons afkomen. Wij zijn namelijk twee gemakkelijk te herkennen gasten ;-).

De ontvangst door de twee dames, Carmen en Aura, is van een warme Ecuadoraanse hartelijkheid. Onze eerdere communicatie was steeds met de directeur van de school, maar hij had een bezette agenda deze zondagmiddag en stuurde twee van zijn sympathiekste en babbelachtigste collega’s. We vernemen snel dat Carmen leerkrachte biologie is in de middelbare school en Aura leerkrachte lager onderwijs in de enige andere school van het dorp. Wij laten ons overal naar meeslepen. Geen idee wat er ons te wachten staat. We worden gehuisvest bij Aura en haar familie. Dus we wandelen direct naar hun huis, maken kennis met haar man, die toevallig thuis is alvorens hij opnieuw twee weken van huis gaat werken, twee oudere zoons en één achterkomertje van acht jaar. Iedereen wil graag kennis met ons maken. Niet enkel het gezin, maar ook de andere leden van de familie: tantes, nonkels, neven, nichten, buren, vrienden … We hebben er geen idee van hoeveel totten we gegeven hebben die dag. Elk moment van de dag was er iemand op bezoek in de gemeenschappelijke voorruimte van het huis die dienst doet als living, wasdroogruimte, hangmatplek, garage … ook onze auto werd uiteindelijk binnen gezet, zodat de auto zeker veilig staat in dit grote dorp ;-).

Die zondagavond neemt Carmen ons direct mee op avondwandeling door het dorpscentrum. Het is een bijzondere ervaring om net toe te komen in dit dorp en meteen kennis te maken met het nachtelijke gebeuren (er gebeurt niets ;-)). Tijdens het wandelen vertelt ze honderduit over van alles en nog wat. We horen haar bijzondere familiegeschiedenis. Haar vader kwam vijftig jaar geleden naar deze plek en stichtte het dorp tussen de uitgestrekte landerijen. Gedurende tientallen jaren was het dorp een miniatuurgemeenschap en slechts de laatste jaren kent het dorp een gestage groei. Ondertussen kent het dorp ongeveer 5000 inwoners. De familienaam van Carmen is dus, net als de naam van dit dropje, Las Villegas.

Tussen haar familiegeschiedenis vallen ook verschillende opmerkingen over de school: dat het schoolsysteem steeds verandert; dat zij als leerkrachten steeds harder moeten werken voor hetzelfde loon, dat ze nieuwe opleidingen moeten volgen voor andere vakgebieden die de hunne niet zijn omdat je aan het volledig aantal uren moet komen, dat ze zo goed als geen middelen van de overheid krijgen als technische school, dat de directeur niet altijd zijn leerkrachten ondersteunt doordat iedereen telkens binnen het hiërarchisch schoolsysteem een streepje voor wil op het volgende niveau, dat alle leerkrachten in Ecuador zwijgplicht hebben ten opzichte van de media… Leerkrachten mogen onder geen beding commentaar geven op de radio, tv of krant op het onderwijssysteem. Alleen het hoofd van de scholengemeenschap mag, na overleg met de overheid, een interview afleggen. Ontzetten uit de ambt en gevangenisstraffen worden hierbij niet geschuwd. Dit vormt een bijzonder interessante achtergrond om morgen het schoolbezoek aan te vangen.

 

Op de schoolbanken

We voelen ons bijna als officiële ambassadeurs van het LTI uit Oedelem wanneer we maandagmorgen om 7.30u stipt opgehaald worden door Carmen. Het schoolterrein is slechts enkele bouwblokken verwijderd van onze slaaplocatie, waardoor wij uiteraard veronderstellen te voet te gaan. Niets is minder waar. Alles gebeurt met de trouwe vierwieler, dus we gaan met de auto. Aangekomen op het schoolterrein worden we door leerkrachten en leerlingen vriendelijk welkom geheten. Alle leerkrachten zitten gezellig te kletsen in het mini-leerkrachten lokaal, alvorens de lesdag te starten. Het nieuws gaat al snel de ronde dat de twee Belgen op bezoek zijn. Dit gebeurt namelijk niet elke dag, dus iedereen komt eens zijn neus binnensteken. We maken onder andere kennis met de andere leerkrachten die dit uitwisselingsproject hielpen opstarten: leerkrachte Engels Olga, leerkrachten landbouwkunde Romulu en Edgar; en verantwoordelijke voor het landbouw- en tuindeel Eker.

Carmen neemt ons dan maar snel mee naar het belangrijkste kantoor van de school, dat van de directeur. We keken al even uit naar de ontmoeting met de man met wie we reeds enkele geschreven contacten hadden gehad. De ontmoeting is hartelijk en er wordt geïnformeerd naar de kwaliteit van ons logement en naar onze avonturen tot nu toe. Maar veel tijd voor ons heeft hij echter niet want om 8u stipt start het algemene appel. Alle 400 leerlingen staan in formatie, per afdeling en per klas, tegenover het podium waar de directeur zijn dagelijkse speech houdt. Natuurlijk worden we uitgenodigd op het podium om een woordje te houden. Eeuwig vlotte Tim had in de ene denkminuut net voldoende tijd om te bedenken wat hij zou zeggen: wie we zijn, wat we komen doen, dat we hopen een normale schooldag te zien en op het einde de obligatoire dankwoordjes aan zoveel mogelijk mensen (dit is zeker in Zuid-Amerikaanse landen een uitgebreide traditie, we hebben al goed opgelet).

Ons tweedaags bezoek belooft een bijzonder intens bezoek te worden, dat hebben we al snel door. We worden overal meegenomen, rondgeleid, voorgesteld, uitgenodigd om samen koffie te drinken en het hart te luchten… We wisten echter op dat moment nog niet dat maandagmorgen een hele lange voormiddag zou worden. De eerste rondleiding start met de schoolgebouwen, de leslokalen, de refter, en verscheidene technische leslokalen … Kortom alles wat een technische school tot een technische school maakt. We worden geïnformeerd dat het de laatste schooldagen zijn alvorens de examens starten. We hebben geluk met onze timing van bezoek dus, want een school zonder leerlingen is zoals een Zuid-Amerikaans busstation zonder chaos.

Ik herinner me deze laatste dagen voor de examens als een periode waar nog zoveel mogelijk puntjes op de i worden gezet, waar leerkrachten pogen de laatste moeilijkste oefeningen uiteen te zetten, waar leerlingen alle mogelijke laatste vragen stellen, waar leerlingen al een beetje gespannen lopen … Van dit alles is hier niets merkbaar, noch van de logische orde die bij Belgische scholen altijd aanwezig is. Wanneer in België het belsignaal gepasseerd is, staan de leerlingen in semi-ordentelijke rijen te wachten tot de leerkracht hun komen halen. Eens alle studenten in de klaslokalen zitten, is er niemand meer te bekennen op de speelplaats. Samengevat: heerst er een rust over het schoolgebouw na het kabaal van de speeltijd.

Van deze rust is hier niets te merken. Het uur van lesgeven is begonnen. Maar we zien minstens een derde van de leerlingen rondlopen, voetbal spelen, kletsen met elkaar, computerspelletjes spelen of hun facebookpagina checken …. Wanneer we dus kijken in de klaslokalen, is logischerwijs de helft niet gevuld. We raken er op dat moment, en eigenlijk ook vandaag, nog steeds niet aan uit hoe dit schoolsysteem werkt. We wijten het aan het moment van het jaar, we veronderstellen dat het op een ander moment in het jaar er anders aan toegaat.

Wanneer we hierover enkele subtiele opmerkingen maken, wordt er niet op ingegaan. Even later in de gesprekken wordt er daarentegen wel verwezen naar een ander fundamenteel probleem. De leerlingen hebben geen respect voor de leerkrachten. Leerkrachten kunnen, of beter gezegd mogen, een leerling niet op zijn plaats zetten of een straf uitdelen. Ouders deinzen er namelijk niet voor terug om leerkrachten aan te klagen. Noch kunnen de leerkrachten leerlingen buizen wanneer deze niet voldoende scoren op een test. De regering eist dat alle leerlingen op het einde van het jaar slagen. Hoe moet een leerkracht zijn job volbrengen als alle middelen hem ontnomen worden?

Tussen de klasbezoeken door wordt opnieuw verschillende keren verwezen naar de andere structurele problemen die ze ondervinden bij het lesgeven. De overheid past steeds de leerplannen aan; eigenlijk kopieert ze die telkens van een ander Europees land; dit jaar zijn de Spaanse lesboeken aan de beurt (want die moet je niet vertalen), maar die staan mijlen ver af van de Zuid-Amerikaanse wereld. De werkdruk neemt steeds toe omdat ze meer uren moeten lesgeven dan voorheen. Dit is één van de weinige technische scholen van Ecuador, maar ze wordt door de overheid totaal niet financieel ondersteund, (want de nadruk moet op ASO liggen) zo moeten praktijklessen in groepen van 30 leerlingen doorgaan in een grote zaal met slechts twee werkende machines …

Het eerste deel van de voormiddag wordt besloten met een koffie en empanada (heerlijk gefrituurd hapje gevuld met kaas, gehakt, groentjes …), in de open schoolrefter, met de directeur. Ditmaal heeft hij wat meer tijd uitgetrokken voor ons. Hij wil graag wat langer met ons kennis maken. We keuvelen gezellig over onze eerste indrukken, maar na tien minuten worden we door andere leerkrachten meegesleurd op een nieuw avontuur en zien we ons verplicht dit onderhoud af te sluiten.

 

Naar de quinta

Om 11u worden we meegenomen naar de Quinta. Geen idee waar we naartoe gaan en wat we daar zullen doen. Het blijkt de praktijkboerderij/plantenkwekerij van de school te zijn. Die is gelegen op een grote drie kilometer van de schoolgebouwen. Via een bijzonder ongemakkelijk hobbelig aarden pad is het meer dan twintig minuten rijden met een stevige pick-up. De leerlingen moeten dit dagelijks wandelen, bedenken we ons, fietsen zijn hier niet in de mode. Het inkombord kondigt de Quinta aan. Een grote oprijlaan met aan elke zijde talrijke tropische bomen geeft het geheel een statig elan. In de verte zien we een heel klein gebouwtje en een dertigtal leerlingen met gele laarzen wachten ons op. Benieuwd!

De verantwoordelijke leerkracht Eker geeft een algemene uitleg wie we zijn en wat we komen doen, Tim vult hem aan daar nodig. We worden snel meegenomen in het leslokaal van de praktijkstudenten. Het lijkt een kleine schuur met golfplaten, een klein muurtje eromheen en een aantal tafels en stoelen als interieur. We worden meteen naar het bord geroepen. De leerkrachtenrol gaat Tim duidelijk goed af, maar ik sta hem bij daar waar we even niet op de Spaanse woordenschat komen. We informeren de leerlingen al snel dat wij geen leerkrachten zijn, noch biologen, noch plantendeskundigen. We schakelen over naar zaken die we meer beheersen: eigenschappen van België. Hoe ons land eruit ziet, welke talen we spreken, hoeveel inwoners… We krijgen de leerlingen op sleeptouw. Ze vullen ons aan met vragen over van alles en nog wat: Hoe is het leven in België? Hoe worden de feestdagen gevierd? Wat eten we in België? Hoe gaan de leerlingen naar school? Hoe zit een schooldag in België in elkaar? De verschillen worden snel duidelijk, maar we merken een ongelofelijk grote interesse van de leerlingen om kennis te maken met het leven en de school in België, een onbekend land aan de andere kant van de wereld. Het is een chaotische bedoening, maar wanneer nodig heeft Eker zijn groep leerlingen opnieuw in de hand.

Naar de praktijk. We voelen ons meteen als twee deskundigen in een plantenparadijs. We worden meegenomen op het schoolterrein van zeven hectares vol met nieuw aangeplante bossen, visvijvers, cacaoplantages, bananenvelden, en vooral honderden plantensoorten en gewassen die ons volledig onbekend zijn. Gedurende vier uur (jawel, vier uur non-stop) worden we rondgeleid, ik als de fotografe en Tim als flinke berichtgever van alle info. We proberen zoveel mogelijk informatie op te slaan en te verzamelen om die dan een weekje later door te geven aan het LTI. Opvallend was dat niet alleen de betreffende leerkracht Eker zo honderduit en bijzonder gedetailleerd vertelde over alle planten en bloemen, ook de leerlingen spreken enthousiast en vol kennis (soms bijgestaan door Eker) over hun planten. Als plantkundigen in spe zijn ze tijdens hun driejarige opleiding verantwoordelijk, twee aan twee, om de planten te verzorgen, te kweken, te snoeien …

Uitgeput door alle ontmoetingen, informatie, rondleidingen… worden we om 16u afgezet aan een klein restaurant waar een lunch op ons wacht. Blij om even in het Nederlands op adem te komen. De rest van de dag besteden we aan het neerpennen van alle gegeven informatie en het selecteren uit de honderden genomen foto’s. De centrale keukentafel bij Aura wordt ons tijdelijk bureau. Aura en haar familieleden raken er maar niet aan uit dat wij uren aan een stuk achter onze computer geconcentreerd zitten te werken. Het blijkt een compleet andere manier van doen te zijn. We moeten onze geest opnieuw scherp zien te krijgen, want morgen wacht ons opnieuw een rondleiding.

Ditmaal geen rondleiding op de schoolterreinen maar op het terrein van het bedrijf waar Eker werkt naast de schooluren. De biologie- en plantendeskundige Eker houdt ervan om zelf actief te blijven in de privé-markt. Hij vindt het belangrijk om op de hoogte te blijven van de laatste technologieën. Daar heeft hij de vrijheid om nieuwe testen uit te voeren met verschillende plantensoorten, andere oriëntatie in te zetten, nieuwe combinatie van planten te proberen etc. Deze nieuwe kennis brengt hij over aan de leerlingen tijdens de theorie- en praktijklessen. Deze kennis zorgt ervoor dat de leerlingen een blijvend en diep respect hebben voor Eker. Hij is geen leerkracht die blijft hangen bij de technologieën van twintig jaar geleden, hij is up to date en geeft deze kennis en passie door aan zijn leerlingen. Wij zijn oprecht onder de indruk van de inspanningen die Eker tijdens en naast de schooluren opbrengt in functie van zijn leerlingen.

Dit uitwisselingsproject met het LTI in België vormt dan ook de perfecte manier om zijn kennis, die van de andere leerkrachten en die van de leerlingen uit te breiden. Hij en alle leerkrachten zijn dan ook bijzonder enthousiast om deze unieke mogelijkheid verder uit te werken. Dit uitwisselingsproject biedt niet enkel een grote kans om kennis te maken met technieken in België, en bij uitbreiding Europa, maar ook met alle andere landbouwsoorten, gewassen… en vooral de levenswijze aan de andere kant van de wereld. We kunnen natuurlijk alleen maar hopen dat de leerlingen en leerkrachten in België even enthousiast zijn over deze uitwisseling in alle mogelijke manier en vormen.

Camping Sommerwind…

We rijden rondom een meer in Ibarra, het noorden van Ecuador, dat ons doet denken aan een kruising tussen de Lac van Loppem (in zijn gloriedagen) en de Blaarmeersen. Waterskiën, carting, paardrijden, lopen, fietsen… Alles is mogelijk.

Het verse asfalt onder de wielen leidt ons naar vier vlaggenposten met de Duitse, Zwitserse, Franse en Ecuadoraanse vlag. Een man met baard zwaait ons enthousiast toe, “Welcome! Wilkommen! Bienvenue!”, en we rijden de poort binnen.

We installeren ons op het perfecte grasveldje en zetten onze voortent uit.

Wat volgt is ons totaal onbekend en surreëel: we aperitieven op zijn Europees met de Duitsers, Zwitsers, Australiërs en heel fijne Belgen!

De Belgen zijn hier zelfs in de meerderheid: drie Belgische wagens, wel… twee Belgische nummerplaten en één Mexicaanse nummerplaat bereden door twee jonge Belgjes.

We vallen een beetje uit de toon, met onze (kleine) kombi en omwille van onze leeftijd, maar zo hebben we het graag! De gemiddelde wagen weegt hier namelijk acht ton en de gemiddelde leeftijd moet, dankzij ons, rond de zestig liggen!

We krijgen in elk geval een boost van hoop: het reizen is nog lang niet voorbij!

Maar in de rest van Zuid-Amerika…

Na de kleine maand rust en werken in Vilcabamba waar we ‘Architects in Residence’ waren, was het tijd voor Something Completely Different. Actieve toeristendagen met hoog bezoek uit Belgenland! Dé Meester Carton (advocaat van beroep) kwam drie weken (eind augustus en begin september) meereizen met jullie twee stratenlopers.

We voelden ons vlak voor de aankomst van Arne als ambassadeurs van Zuid-Amerika die hem een totaalbeeld van Ecuador (en bij uitbreiding het gehele continent) mee moesten en zouden geven. We zouden samen dé vier regio’s van Ecuador doorspitten: de eilanden, la Costa, la Cordillera (of de bergen) en de Selva (jungle dus).

De dag van aankomst begon reeds in de gepaste stijl. Arnes vlucht maakte een grote rondvlucht om rond Ecuadors grootste spektakel en spannendste instabiel element heen te vliegen. De erupterende vulkaan Cotopaxi. Wanneer zijn vlucht eindelijk in Cuenca aankwam, ontvingen wij hem in volle Zuid-Amerikaanse stijl… Een half uur te laat… (jaja, slechts een half uur). Dit maakten we meteen weer goed in volbloed zuiderse stijl door een namiddagje reisvoorbereiding met liters cocktails onder de loodrecht, met evenaarskracht, stralende zon. Zo hadden we allen in één klap de gepaste verbrande toeristenkleur opgedaan!

Bezoekdag één aan dé mooiste stad van Ecuador gleed zo iets vlotter voorbij dan gepland. ’s Avonds was het uiteraard meteen tijd voor een pintje, na heerlijk lamavlees bij Tiesto’s,  en ontmoetten we meteen de dolenthousiaste Ecuadoranen. Volledig volgens de professionele planning van de twee reisbegeleiders gaan rond een uur of twee de deuren van de bar vliegensvlug dicht, de muziek uit, de lichten op minimale dimstand… De Ecuadoraanse avondklok is van kracht én buiten patrouilleert een leger flikken! Die avondklok werd in voege gesteld zonder het consulteren van het parlement, omwille van de ‘State of Emergency’… (of het nu een vulkaan is of een terroristische aanslag, elke reden blijkt goed genoeg om beslissingen in een grote boog om de democratie heen te nemen zeker…)

Arne en zijn Ecuadoraans enthousiast vrouwelijk evenbeeld werken stevig op het systeem van de uitbaatster met hun volumeproductie die drie straten verder hoorbaar moet zijn. Na een half uur ‘opgesloten’ te zijn, sluipen we de doodse straten, die zojuist nog bruisten van het leven, door naar onze hostel. Dag één alvast geslaagd!

Na een serieuze toeristen-bezoekdag en het eten van CAVIA is het tijd om de bergen van Ecuador te verkennen en te ontdekken dat Ecuador niet enkel warme stranden en hete jungle is. Ik denk dat wij drie dát nooit zullen vergeten… Het Nationale park Cajas is namelijk adembenemend mooi, maar vooral NAT en KOUD. De nachten in de refuge vol kieren en gaten, en zonder enige vorm van verwarming, staan voor eeuwig in ons geheugen gegrift. De nachten van flink onder 0°C met de wind die door het gebouwtje loeit op 4000m hoogte, deelden we met drie biologen die zo gek waren hier het tweede jaar op rij wateronderzoek te leveren om de opwarming van de aarde in kaart te brengen. Gelukkig waren de gesprekken warm, want verder konden we ons enkel opwarmen aan alcohol, warme chocolademelk en de douche van ongeveer 10°C.

De wandelingen waren uniek, maar de dikke mist doorweekte alle kleren tot op het ondergoed, door de professionele wandelschoenen en technische kledij heen. Onze kleren plakten heerlijk op ons koude vel… ’s Nachts kropen Eline en ik heerlijk in onze twee ‘rupsen’ (AKA Superlight slaapzakken die tot min 15 graden gaan), maar Arnes slaapzakje moesten we bijstaan met zo’n 3kg dekens.

Na twee dagen Cajas en na nog twee dagen bezoekjes op hoge hoogte doorheen regen en mist, beslisten we dat het welletjes geweest was met het slechte weer. Het was duidelijk, point beeing made, in Ecuador schijnt de zon niet altijd. Arne introduceerde ons de lang vergeten moderne technologie en toonde ons dat de meteo in de bergen nog enkele dagen onveranderd zou blijven.  De applicatie aan de kust gaf ons daarentegen continu 30-35 graden samen met zon zon zon! Tijd voor een kleine koerswijziging dus…

 

We cruisen in een drietal uur doorheen 20 verschillende ecosystemen. Van dennenbomen en alpenvlaktes, door dikke mist die bovenaan fris en 1500m lager plakkerig warm aanvoelt, via dikke varens, minstens 100 types fruitbomen tot we, 20 graden warmer en 100 procent vochtiger, tussen de eindeloze monocultuur van de bananenbomen cruisen. Uiteindelijk komen we in bijna Caribische grootstedelijke regio’s terecht waarin de gekleurde bussen en mototaxi’s regeren.

Dit alles via de ‘perfecte’ wegen van Ecuador. Speciaal voor de Ecuadorpromotiestunt met Arne kregen we slechts 100km slechte wegen op ons menu. Waardoor ons statement dat de wegen in Ecuador niet zo goed waren als iedereen beweerde uiteraard niet geloofd werden door de Meester.

Dat lijkt echter jammer genoeg te gelden voor onze volledige Zuid-Amerikaanse kennis… tot Meester Cartons grootste frustratie ontkrachtte dit koppel reizigers allerlei Zuid-Amerika first timer ontdekkingen. Bij het gekke verkeer in Cuenca of Guayaquil konden we het niet laten te zeggen “Maar in de rest van Zuid-Amerika… en vooral Peru… rijden ze pas echt als gekken, hier is het ongelooflijk gereguleerd.” en zo ging het alsmaar door…

Maar in de rest van Zuid-Amerika ligt veel meer afval.

Maar in de rest van Zuid-Amerika kunnen ze nog slechter de weg uitleggen.

Maar in de rest van Zuid-Amerika zijn de markten lang zo proper niet.

Maar in de rest van Zuid-Amerika is alles nog veel goedkoper.

Maar in de rest van Zuid-Amerika zijn de uren van winkels nog veel onregelmatiger.

Maar in de rest van Zuid-Amerika zijn musea veel minder professioneel.

Maar in de rest van Zuid-Amerika zijn de bussen en taxi’s in veel slechtere staat.

Maar in de rest van Zuid-Amerika …

Tot deze puur informatieve mededelingen onze vriend danig de oren uitkwamen. Wanneer we uiteindelijk een bepaald boerendorpje vergeleken met een idyllisch alpendorp gingen we blijkbaar een stapje te ver. We kregen in een vlaag de koude realiteit over ons heen. “Dat lijkt in de verste verte niet op een alpendorp, jongens: golfplaten, grindwegen, honden op straat, inheemse bevolking, rommel, en ga zo maar een uur door…” Ok, toegegeven, ons beeld van de realiteit is al een beetje vervormd.

Time for a change dus, zoals we al zeiden. Een activiteit die zowel voor de kersverse reiziger als de gedeformeerde zwervers nieuw is: Wildlife spotting.

Regio 1 en regio 2 combineren (de folders van Ecuador hebben ons duidelijk gebrainwasht): regio één zijn de eilanden, regio twee de kust. Puerto Lopez en omstreken heeft beiden te bieden. Witte palmstranden met de gekste vogels die voorbijglijden én op anderhalf uur varen eilanden met de nodige uitzonderlijke wilde dieren. Voor de Galapagoseilanden ontbreekt ons de poen, dus het compromis met Meester Carton is de ‘Isla de la Plata’ of in de reizigersmond: ‘The Galapagos for the poor’. Het eiland biedt ons Blue footed boobies (Blauwvoetgenten in het Nederlands), allerlei stormvogels en pelikanen, zeeschildpadden en vissen in honderden kleuren.

Maar het is vooral onderweg naar het eiland dat moeder natuur ons verwent met een groots spektakel. Na een halfuurtje uitvaren speuren we de zee af naar bultrugwalvissen en i.p.v. er eerst in de verte een aantal gade te slaan, zoals je zou verwachten, springt een 30 tonner op nauwelijks 25m van de boot uit het water en levert die een bommetje  in het water waar je als kind enkel kon van dromen! De toon is gezet. Gedurende meer dan een uur varen we van school naar school en worden we verwend op een waar natuurspektakel. VINKJE GEZET!

 

Tijd voor het andere Ecuadoraanse kustcliché: MONTAÑITA. Dé merknaam voor witte stranden, surfen, cocktails, feest en kateren. Allemaal af te vinken!!

Darwin giet ons goed op met $3 cocktailkuipen in het ‘cocktailstraatje’ en de rest komt vanzelf. We ontmoeten oude bekenden en de dagen komen iets trager op gang. Het surfen de volgende morgen doet een beetje pijn en grootse plannen om door de jungle naar watervallen te hiken, draaien op een sisser uit door de ‘veel te vroeg invallende’ nacht waardoor we ons met iets kleinere watervalvariantjes tevreden moeten stellen. Maar ja… hier speelt het leven zich nu eenmaal ’s nachts af!  Hupla, nog een keer ;) Mochten we vanavond eens doen alsof we allemaal jarig zijn! Jaja, allemaal…

 

We zijn al snel verzadigd met zon, zee, strand en stevige cocktails en trekken opnieuw de bergen in, weg van zeetoeristen, eindeloze Argentijnse artesano’s, en Amerikaanse expats die een bijzonder regime van drank en goedkope Colombiaanse drugs er op na houden.

We trekken ditmaal naar de krater van Quilotoa. Een uitgedoofd kratermeer van meer dan twee kilometer diameter op 50km van de superactieve vulkaan Cotopaxi, op een hoogte van om en bij de 4100m. Daar ontdekken we dat van zeeniveau naar meer dan 4000m reizen in één dag toch niet zo gezond is. Ook niet voor doorwinterde reizigers die reeds vele dagen op hoogte doorbrachten. Alcohol en weinig slaap schijnen ook niet te helpen.

Eline en ikzelf liggen een namiddag geveld, terwijl avonturier Carton een eerste heldenwandeling onderneemt. We moeten onze fysieke meerdere erkennen. Eenmaal genezen vullen we drie dagen met adembenemende trektochten in dit unieke landschap.

 

Na deze tweede unieke hoogte-ervaring moeten wij bij terugkeer aan het kratermeer ontdekken dat onze Melquiades schuin gezakt staat… platte band. Te lang gereden op afgesleten banden, tot op de metalen draden van de band is dus iets te veel van het goede. De reserveband dan maar. Psssss. Nooit gebruikt gedurende jaren. Jaren, zonder bescherming, door weer en wind, zon en regen op het dak laten liggen. Allicht oxidatie op de velg en inderdaad, water in de band.

Met nog vijf dagen Arne-vakantie te gaan, beslissen we Melqui voor het eerst ergens alleen achter te laten, met openbaar transport te reizen en het probleem nadien onder ogen te zien.

Hup, busreizen! Anders zou Arne hét echte reizen door Zuid-Amerika niet meegemaakt hebben natuurlijk!

Maar in de rest van Zuid-Amerika zijn de bussen lang zo professioneel niet… “SHUT UP!”

Met een ongelooflijk efficiënt bussensysteem staan we in minder dan 4u, 250km verder en 2000m lager in Baños, uitvalsbasis voor de laatste van de vier Ecuadoraanse regio’s: de Selva (of jungle).

We laten ons opnieuw overvallen door de feestfactor en de vele leuke ontmoetingen. Ditmaal met Zweden, Britten, Amerikanen, Zwitsers en Ecuadoranen. We Cruisen eveneens 1000m naar beneden op de mountainbike, ondernemen hikes tot aan adembenemende zichten op ‘alweer’ een actieve vulkaan en reinigen ons lichaam van zweet en andere onpuurheden in de baños van Baños.

 

Om het bezoek aan Ecuador in stijl af te sluiten, bezoeken we tenslotte de hoofdstad Quito en brengen nog een bezoekje aan president Correa, de geliefde en gehate heerser van het land. Arne kon toch onmogelijk zijn reis afsluiten zonder een van de duizenden dagelijkse Zuid-Amerikaanse parades gade te slaan en met eigen ogen te zien hoe efficiënt het staatshoofd elke (!) maandag zwaar ‘werkt’ door te zwaaien naar zijn landgenoten die zich elke week voor het presidentieel paleis verzamelen.

Wij zijn moe maar voldaan wanneer we Arne op een ‘veilige’ taxi richting de luchthaven zetten! Voor ons is het tijd voor rust na deze ‘intensieve’ vakantie samen. Hoewel, het is toch nog tijd voor ons om één van de Zuid-Amerikaans clichés ontkracht te zien na het bezoek van Arne. Op weg terug naar Melqui worden we van onze E-reader beroofd. We zijn er nu 100% van overtuigd: “Het is in Zuid-Amerika gevaarlijker reizen met de bus dan met eigen transport!!”

Nog een special thanks aan intercontinentaal pakjesdozendelivery CARTON EXPRESS voor de post van en naar Belgenland!