De kilometers tellen op en af …

Omdat velen al lang niet meer weten wat we precies allemaal gedaan hebben en wat we in grote lijnen bezocht hebben, geven we met plezier een klein overzichtje om ons relaas mee af te sluiten. Alles vloeide naadloos in elkaar over, panta rhei, maar laat ons voor het gemak toch tot een knipactie van een aantal grote etappes overgaan.

Onze eerste etappe: de groooote oversteek met Loya

1 g

img vertrek

 

Onze tweede etappe: Venezuela, de Guyana’s en de Amazone

2

IMG_2109

 

Onze derde etappe: de aankoop van Melqui en vroem vroem naar het noorden door Bolivië, Peru en Equador. 

3 g

IMG_4200

 

Onze vierde etappe: met Melqui helemaal naar Ushuaïa met opnieuw Equador, Peru en Bolivië; maar bovenal Chileens en Argentijns Patagonië 

4 g

_DSC7380

 

Onze vijfde etappe: vier maanden werken in Valparaíso, Chile

5

__4

 

Onze zesde en laatste etappe: de grooooote, maar iets snellere, terugtocht naar België 

6

via Cordoba

via Buenos Aires

en via Iguazu

en met finaal toch drie ijzeren vogels tot in België …

 

Tot slot rest er ons nu, met terzelfdertijd heel veel weemoed én vreugd in het hart, nog een laatste boodschap aan jullie, onze trouwe bloglezers, over te maken: EEN WELGEMEENDE MERCI voor de maandenlange (en bijna jarenlange) opvolging van ons wedervaren.

Nu staan we voor avonturen die jullie minder vreemd zijn, dus bergen we de pennen op…

Maar waarde lezers, niet getreurd, want dit was vast niet ons laatste avontuur …

Chaos …

Voor het eerst in maanden komt het tijdsframe van onze blog dichter bij de realiteit. Reeds maanden proberen we bij te benen door aan hoog tempo onze avonturen met jullie te delen, maar ondanks onze wekelijkse verhaaltjes raken we maar moeilijk up to date.

Eindelijk is het dan zover: het verhaal van deze blog behelst de laatste maanden van onze nieuwe leefwereld.

Bij aankomst in deze nieuwe wereld heerst er grote chaos in ons hoofd omdat we ons voor het eerst in elf maanden zonder Melqui moeten verplaatsen, er is chaos in ons hoofd omdat we onze enige vaste structuur (ons klein gezellig rollend huis) hebben ingeruild voor een ander bestaan. We starten opnieuw een sedentair leven na 18 maanden rondtrekken. Het is niet gemakkelijk voor twee landlopers van het eerste uur, maar we verplichten onszelf een opwarmcursus voor het leven in België…

Tijdens onze vele kilometers in het zuiderse Patagonië, hadden we ruim de tijd om ons voor te bereiden op deze episode. We regelden reeds een vrijwilligerswerk, via de site Workaway die we al eens uitgetest hadden in Equador. Het is altijd aangenaam om aan te komen in een nieuwe grote stad en direct bij iemand persoonlijk onthaald te worden. Plaats van afspraak: Plaza Echaurren, gekend als één van de meest notoire pleinen van Valparaíso. Bij aankomst krijgen we meteen het ware gezicht van onze schunnige nieuwe buurt te zien: zwervers, dronkaards, daklozen, drugdealers en gauwdiefjes dralen, schreeuwen of staren voor zich uit tegen een achtergrond van bouwvallige krotten afgewisseld met klassieke gevels uit ver vervlogen gloriedagen… Kortom een wijk waar je niet te koop loopt met je spullen. Even die mooie grote camera opbergen. We krijgen bovendien de raad om niet te laat naar huis te komen, zeker voor blonde kleine meisjes is dit niet aan te raden.

Ons gastgezin bestaat uit Nathalie, haar man Guillermo en hun 14-jarige dochter Rayen. Het doet ons snel terugdenken aan onze tijd op de zeilboot met het Franse koppel en hun tienerdochter. De Zuid-Franse uitbundige Bourgondiërssfeer van toen  wisselen we deze keer in voor sober, eenvoudig en veganistisch. Met tonnen groentjes en fruit, tot acht verschillende soorten per maaltijd versterken we dagelijks onze inwendige zelf. Alles wordt geprepareerd in zijn puurste vorm. Olie, boter of kruiden lijken niet meer te bestaan. Kaas, melk, vlees, vis, wijn… zijn hier uit den boze. Ongelooflijk gezond, iets anders zullen we nooit beweren, maar als Bourgondiërs kunnen we niet ontkennen dat een beetje meer smaak en afwisseling voor onze geestelijke gezondheid geen overbodige luxe is.

Op voorhand was niet afgesproken welke taken we precies op ons zouden nemen, noch welke delen van het huis extra zorg nodig hebben. Het enige wat min of meer vastlag, was de lengte van ons verblijf. We zouden vier weken ter plekke blijven. Gaandeweg, na enkele dagen met ons vingers te draaien, wordt duidelijk waar we mee kunnen helpen. De gastvrouw heeft niet zo veel structuur in haar huis noch in haar ideeën. Uiteindelijk installeert Tim samen met Nathalie ontbrekende raamprofielen en gevelbekleding terwijl ik een klein slaapkamerplatformpje vorm geef met de aanwezige houtvoorraad. Het hout dat dienst doet voor mijn opdracht ligt verspreid over alle mogelijke en onmogelijk plekken in huis: het terras beneden, het balkon boven, in drie werkkamers, in de kelder die omgebouwd is tot atelier, op de koer…  Bovendien blijkt de helft van de balken te lijden aan een Zuid-Amerikaanse variant van houtworm. Daarnaast proberen we het nijpend ruimtegebrek op te lossen door verschillende katrolsystemen te bevestigen: één voor de fiets en eentje voor het wasrek. Afwisselend moet het dak zo snel mogelijk afgewerkt worden! Want De Regen komt eraan! Dat is duidelijk: iedereen in Valparaíso zit op zijn dak, gaten te vullen, structuur te herstellen, plastieken zeilen te bevestigen… Het levert een ongelooflijke sfeer op: met zijn allen op de daken van de kleurrijke stad! Nathalie haar dak bestaat uit verschillende lagen rubberverf met daartussen een aantal lagen stof, die blijkbaar ook in de bootindustrie gebruikt worden. Er moet dringend extra verf en extra stof besteld worden, want de voorraad is bijlange na niet strekkend. Bijkomende moeilijkheid: er mag niet geschilderd worden wanneer het dak nog vochtig is, noch wanneer de zon schijnt en noch wanneer het te warm is. Deze onmogelijke beperkingen proberen we te gemoed te komen door te schilderen tijdens het ochtendgloren en de laatste uren van de dag net voor de nachtvochtigheid opnieuw toeslaat. Alle hens aan dek!

Dit volledige huis straalt chaos uit. Laten we een wandeling maken door dit puntige hoekhuis bovenop Cerro (heuvel) Cordillera. Al bij het binnenkomen, wordt de bezoeker uitgedaagd zich een pad te banen tussen de honderden spullen die de gang rijk is: zakken aarde, lege potten verf, drie fietsen, verscheidene metalen raamprofielen die wachten tot ze geïnstalleerd worden … Eenmaal aangekomen in de eetkamer/living moeten we onze ogen zover mogelijk opensperren om niet over onze eigen voeten te struikelen. Het licht sijpelt doorheen de ramen aan slechts één zijde van de leefruimte, zich bochten banend door gordijnen, sjaals, handdoeken en prularia uit de vier windstreken. De eettafel staat gedrongen tussen dressoirkasten, de bar van de keuken en de kolommen in het midden van de ruimte. Het huis puilt uit van de overvloedige spullen: boeken die niet worden gelezen (maar noodzakelijk 30 jaar bewaard worden), kledij van twintig jaar geleden die ligt de verkommeren … Ik word versmacht… Wij krijgen gelukkig onze eigen kamer toebedeeld en daar proberen we alle overgebleven spulletjes uit Melqui te ordenen, maar orde en rust creëren is niet evident.

Er is niet alleen letterlijk te weinig ruimte. Ook figuurlijk krijgt ons hoofd te weinig plaats. In ons eigen hoofd heerst de chaos van het einde van een nomadenleven, maar ook het hoofd van Nathalie lijkt op een woelige zee. Tijdens elk onbewaakt moment katapulteert ze haar persoonlijke geschiedenis op ons af, van ‘s morgens tot ‘s avonds, van aan de ontbijttafel tot aan het veganistische avondsoepje. We doen een poging om de luistershiften te verdelen tussen ons, zodat we niet beiden volledig tureluur worden, maar we moeten dringend uit onszelf en dit huis breken.

Tussen de werken bij Nathalie door vangen we de zoektocht naar een nieuwe woonst aan. Alle immosites worden afgeschuimd naar betaalbare plekjes. Valparaíso kan enerzijds een heel goedkope maar anderzijds, vanaf een minimum aan kwaliteit, ook een heel dure stad zijn. Na een eerste ronde zijn we nog niet echt tevreden met hetgeen we te zien krijgen.

We gooien het over een andere boeg en dankzij Nathalie treffen we op huizenzoektocht onze huidige baas. We komen in contact met de Consul van Oostenrijk die toevallig architect is. De man woont al 25 jaar in Chile, is getrouwd met een Chileense dame en zit al drie decennia in de bouwwereld. De ideale man dus om eens een babbeltje mee te slaan.

Het is niet gemakkelijk om hem te bereiken. We staan verschillende malen aan de deur van het Oostenrijkse consulaat, bellen menige malen, maar we krijgen niemand aan de lijn. We zijn volharders, slaan hem uiteindelijk na vele malen aan de haak en een afspraak volgt. Zoals verwacht is er een sympathieke chaos in het gesprek en springen we dus van de hak op de tak. Er wordt gepraat over zijn reis, over onze ervaring, over welke projecten hij heeft …

Al snel blijkt dat hij een heel joviale man is. In het begin is de conversatie nog een beetje verkennend, leek hij niet meteen werk voor ons te hebben en polsten we naar mogelijke jobs bij collega’s. Na een kwartiertje had hij misschien toch werk voor één persoon en kon hij ons misschien ook op een ander vlak helpen… Het was wat moeilijk voor hem om ons volledig uit te betalen, maar hij kon ons voorzien van een woonst: een kleine maar smaakvol afgewerkte duplex.

De eerste echte verhuis na Melqui is snel beklonken. We doen ons best om al onze spullen die we onderweg verzameld hebben in twee rugzakken te plooien en de rest in vier kartonnen dozen te duwen.

Er komt voor het eerst een beetje rust over onze ziel. We horen dat Melqui het goed doet. Wij verlaten het grote overvolle huis van Nathalie en installeren ons in ons eigen plekje! Wat doe je als alles eenmaal rustig aanvoelt? Vrienden uitnodigen natuurlijk. Onze placebo-ouders die we ontmoet hebben in Chiloë komen op bezoek en een Belgisch-Colombiaans koppel, die we geïnspireerd hebben om ook een Combi te kopen, komen langs. Maanden van bezoeken en bezocht worden, kunnen beginnen!

Na het eerste zenmomentje, blijven we toch een beetje hangen in onze vertwijfelde gevoelens. Chaos steekt de kop weer op. Welk werk we moeten we nu precies moeten doen? Welke projecten zullen belangrijk zijn in de oneindige veelheid? Wat is het doel van de projecten? Waarom worden we altijd zo laattijdig geïnformeerd over de duizenden koerswijzigingen? Waarom heeft niemand structuur? Waarom neemt niemand hier ooit verantwoordelijkheid? … Dit zijn slecht enkele vragen in ons hoofd die tonen hoe het er hier aan toegaat.

Verder heerst chaos omdat we niet goed weten wat we willen: willen we hier werken? Zoekt de andere nog ander werk? Willen we misschien toch nog verhuizen naar Santiago en bij een bekend bureau aan de slag? Alles lijkt open te liggen. Na enkele weken tobben, volgt een avond in een gezellig café met een glaasje wijn en een bordje olijven. Bijna in koor komt een ander sentiment naar boven. “Is het geen tijd om vaste grond te zoeken in België? Willen we niet opnieuw onze architectuurkwaliteiten laten zegevieren in eigen land, in onze eigen taal? Willen we onze vrienden niet al lang terug zien? Misschien willen we toch samen met onze familie eens een goeie barbeque houden in de zomermaanden?” Sinds die gedachte uitgesproken is, is het moeilijk om nog te denken over Santiago of over andere plekken dan thuis.

Na alle chaos is de kogel dan toch door de kerk. Onze reis kreeg plotseling een einddatum, voor het eerst ooit. Het was fantastisch om te kunnen reizen zonder die vermaledijde einddatum. Want het hoofd speelt toch altijd rare spelletjes met zichzelf. “We zitten al in een kwart van de reis, in de helft, over halfweg … o nee, het einde is in zicht en we moeten al naar huis.” Neen, dit hebben we in ons chaotische hoofd gelukkig niet gehad. We genoten van elk moment zonder ooit een timing te projecteren en nu genieten we ook van onze laatste weken hier, tussen de nodige chaos door, en kijken we er ongelooflijk naar uit om midden augustus op Belgische bodem te landen!

Op een verloren maandagmiddag tussen drie en vier, zitten Tim en ik beiden te werken in ons afzonderlijk kantoor. Tim krijgt telefoon van Michi (onze baas heet officieel Michael, maar iedereen noemt hem Michi, dus wij ook). “Heb je zin om mee te vliegen?” “Huh, ja?!” Tussen de regels door hadden we al gehoord van de extravagant hobby’s van onze baas. Hij houdt ook van zeilen, van moto’s en ook van sportvliegtuigjes. Hij vindt het altijd aangenamer om gezelschap te hebben op zijn vluchten. Zo gebeurde het dus dat wij op die maandagavond, net voor zonsondergang, boven Valparaíso vlogen in een mini-vliegtuigje ter grootte van een auto. Wow, er ging toch wat adrenaline door ons lijf toen we over de zee zweefden en er plotseling wat turbulentie was.

Tot slot moeten we den baas ook uit de problemen helpen. Hij gaat met zijn gezin voor een maand op reis naar Afrika. Normaal werkt er een dame fulltime in hun huis voor onderhoud, voor de huisdieren (Laika, de labradorhond en Elliot, de lieve huiskater), voor de maaltijden, voor de planten … Maar die persoon heeft hen net verlaten. Met de handen in het haar komt hij naar ons met de vraag of wij een maand op zijn huis en huisdieren willen letten. Natuurlijk!

Wees welkom in ons klein kasteeltje op de heuvels van Valparaíso.

Bienvenidos a Ranquilco

“Jullie moeten gewoon naar Onze Plek komen waar we vrijwilligerswerk doen, nabij Neuquén, Zuid-Argentinië!!! Dit is Dé meest geniale plek die wij tot nu toe in het volledige continent gezien hebben. Het is het einde van het seizoen, dus de bazen vinden het niet erg als jullie een dagje komen. Om hier te raken, moet je het volgende doe:.

Rijd naar het godvergeten mini-dorpje El Huecù. Neem aan het einde van het dorp de grindweg links, die leidt stevig omhoog. Volg dit wegje tot wanneer je niet meer stijgt. Sla dan vanaf je kan linksaf. Neem steeds de meest bereden zandweg. Als er keuze en twijfel is, neem altijd de meest rechtse weg. Volg dat pad voor een halfuurtje, misschien 40 minuten met jullie auto. Onderweg zien jullie misschien enkele gaucho’s (paardenmenners) en enkele van hun hutjes. Bij twijfel kan je de weg aan hen vragen. Als jullie een dubbele poort treffen, is dat een goed teken. Ga er door, en sluit de poort opnieuw. Rijd opnieuw een halfuurtje. De weg slingert een beetje ophoog en omlaag, een beetje naar links en naar rechts, maar op het einde kom je op de eerste Estancia aan. Daar kom ik ook naartoe. Want daar laten we jullie auto achter en wandelen we nog drie uur over de heuvels heen. We zien elkaar over 3 dagen om 14u ’s middags…”

Dit is de uitnodiging die we van Hannah en Sam – onze nieuwe hartsvrienden uit Vuurland – ontvangen om naar de Estancia Ranquilco te gaan (http://www.ranquilco.com/). Daar moesten wij als twee avonturiers toch meteen op ingaan? Dit is gewoon de mafste uitnodiging die we al gekregen hebben op deze reis.

We gaan de uitdaging aan om daar op tijd te raken, niet evident met deze omschrijving, maar tegelijk noodzakelijk aangezien je hier nog met rooksignalen moet communiceren. Het dorp vinden, gaat gemakkelijk. We polsen nog even bij de lokale kruidenierswinkel naar de weg. Even dubbelchecken kan nooit kwaad. Ze bevestigen de route van Hannah. De route naar boven, treffen we gemakkelijk, maar eenmaal boven zijn ze toch even in de war. Wanneer precies moeten we nu linksaf slaan? Passeerde we reeds de afslag of is het nog een beetje verder? Wij rijden nog even door en komen een mini huisje tegen.  Tim stopt het busje, ik spring uit, maar daar komen al snel twee gigantische loebassen af om hun terrein te verdedigen. Snel terug de auto in. Wisselen van rol. Tim gaat uit de auto en stapt het erf op. Aan het einde van het pad staat een man uit te kijken wat er zal gebeuren. Hij gaat het huis binnen, en keert na een paar seconden terug. Hij heeft een knuppel in de hand. Ok, op het platteland moet je jezelf verdedigen blijkbaar… Ik bedenk meteen scenario’s in geval dat de situatie uit de hand zou lopen. //Ik spring achter het stuur, start de auto vliegensvlug, schakel in achteruit, ga met gierende banden op het erf, en Tim kan net op tijd in de auto vluchten alvorens de man attaqueert. En dat met een 41 jaar oude Volkswagen Combi!// De man antwoordt uiteindelijk na vier keer herhalen onze vraag in welke richting we uitmoeten. Eerst zegt hij rechtdoor en dan verandert hij van idee: terugkeren en het andere pad nemen. We zijn een beetje in twijfel, maar beslissen toch terug te keren en dat eerste pad in te slaan.

De rest van de route gaat min of meer zoals beschreven in de mail. Onderweg treffen we inderdaad verschillende gaucho’s die ons – natuurlijk – om drank vragen. Uiteraard… hebben we er geen bij. Na een grote 50 minuten komen we zoals aangekondigd aan bij de dubbele poort. Hoera! Door het eindeloze glooiende landschap haasten we ons zoveel het kan want de ondergrond is toch wat minder vlak dan gewenst. Rotsen, leischilfer, diep uitgesneden zand. Interessante route!

Zoals het echte Europeanen betaamt, komen we stipt om 14u aan en komt Hannah ook net gezwind over de heuvel aan de horizon aangewandeld. De eerste Estancia is zoals een paardenranch er hoort uit te zien. Verscheidene gebouwen over het terrein verspreid, geen enkele barak afgewerkt, het erf ligt er bij alsof er een ontploffing heeft plaatsgevonden, alles ziet er vuil en versleten uit, en tot slot komt de vrouw des huizes afgewandeld met haar zoontje hand in hand, moeder met tot de naad versleten schort en zoontje naakt en roetzwart. Na wat verkennende minuten worden we vriendelijk maar kordaat onthaald. Wij rijden heel langzaam door en de zoon vliegt aan de borst. We rijden nog even verder over de steeds ruwere en steilere route, laten de auto achter op een heuvelrug in the middle of nowhere en vervolgen onze tocht te voet in de blakende zon tot aan een rivier die we moeten doorwaden. Op de heuvel aan de overkant van de rivier zien we een kleine Akropolis. Bestemming bereikt!

Waar de eerste Estancia voldoet aan alle clichés van de vuile oude boerderij, overtreft de tweede Rancho alle mogelijke tegenovergestelde verwachtingen. Het eerste iconische beeld dat we te zien krijgen is de rustieke poort die de slogan ‘Bienvenidos a Ranquilco’ draagt. De warme welkomstwoorden die elke bezoeker, geel van het opwaaiende zand, het gevoel heeft in een veilige haven aangekomen te zijn. Daarachter een brede geordende laan met cipressen waarlangs de bezoekers geleid worden naar de verschillende gebouwen die de rancho rijk is: het kasteeltje waar de toeristen verblijven, een bijgebouwtje waar de eerste voorraad wordt weggelegd, een hangar voor de paarden, een hutje van de plaatselijke housekeepers, het pand waar alle vrijwilligers worden ondergebracht en ga zo maar door. Alles straalt grootsheid uit. Ook de volledige route vanaf het dorpje El Huecù blijkt reeds op het eigendom te liggen en dan hebben we nog maar een glimp opgevangen van het volledige domein, dat de grootte heeft van de provincie West-Vlaanderen.

We kunnen even proeven van een wereld die de onze niet is. Een wereld waar paardenliefhebbers enkele duizenden dollars neertellen voor een meerdaagse uitstap met de lokale getrainde paarden. Ze worden verwend in de chateau en kunnen door het raam van hun kamer genieten van een adembenemend uitzicht over de ongerepte vallei. Tijdens ons tweedaags bezoek transformeren we van undercover bezoekers naar mede-vrijwilligers en helpen de Californische eigenaar TA een handje bij het vervoeren van een paar honderd kilo grind om beton te maken.

De langzame route die ik zonet beschreef, is de enige toegangsweg naar deze verborgen vallei. Je kan je dan ook zonder probleem inbeelden dat het niet evident is om bouwmaterialen ter plaatse te krijgen. Alles wordt met paard en kar vervoerd of met de ene grote tractor die geen handrem meer heeft en waarvan de embreage niet al te goed meer werkt.

Wat even ‘snel op en af rijden en wat scheppen’ moest worden, werd een tergend lange werkdag. Alles begon met de tractor op de plaats in de rivierbedding krijgen die net de goeie groottes van kiezels bevat. Vlot tot daar… De tocht met de gevulde tractor door de rivier, op de steile oevers en omhoog de heuvel op, is andere koek. Over één kilometer doen we zowat zes uur en uiteindelijk belandt slechts de helft van de vracht boven.

Gelukkig wordt ons ‘harde’ werk beloond. Tijdens de eerste avond worden we getrakteerd op een speciale lokale barbecuewijze. Vers geslacht geitenvlees, zonder rigor mortis, wordt gespitst naast het vuur neergepoot om de komende drie uur zeer langzaam gaar te braden. Met de nog aanwezige vrijwilligers toosten we mee op een geslaagd seizoen (ook al kwamen we net aan).

De tweede avond wacht ons een andere verwenningskuur. Doorheen het uitgestrekte landgoed loopt een rivier, en langs deze rivier werd er enkele jaren geleden een primitieve houtsauna gebouwd. Naast een massieve steenwand, in het maanlicht en met het geluid van kabbelend water op de achtergrond ontsteken we het vuur en vijf minuutjes later wanen we ons in een exclusief spa-resort. Ons zweet spoelen we af met een plons in het frisse rivierwater.

Als echte gentlemengastheren en -vrouwen wandelen ze ons de laatste ochtend van ons verblijf uit, opnieuw de tocht doorheen de rivier en twee uur door de blakende zon omhoog tot aan ons liefste vervoermiddel en trouwste reisgenoot, Melqui. Het is voor hen de eerste keer dat zij ons mobiele huis in levende lijve zien en ze worden spontaan verliefd…

Aan het einde van de wereld

Vertoeven de beste vrienden

WAKE UP CALL aan de vermoeide reizigers! Hé jongens en meisjes, jullie hebben het recht niet om moe te zijn!! Jullie mogen nog geen heimwee hebben naar thuis. Er wacht nog heeeel veel natuurpracht op jullie. Hoe konden we er nog maar gedacht hebben om Tierra del Fuego of Vuurland niet te bezoeken?

En dus beslisten we, na het blitse bezoek van Wouter, halsoverkop om alsnog de tocht door het betoverende Vuurland aan te gaan.

Eigenlijk hadden we niet het minste idee wat daar te bezichtigen viel. Maar één ding stond vast: we zouden en moesten koningspinguïns zien!!!!! Jawel, als grootste fan van Fluppie, wou ik zijn broertjes en zusjes in levende lijve zien...

Op een godvergeten donderdagavond komen we om 18u aan in Punta Arenas. De laatste grote stad alvorens de leegte begint. Deze stad telt slechts één camping waarop maximaal zeven tenten passen in een gore minituin, tussen alle achtertuinen van de buren in. De aantrekking van de camping: het kookvuur (van hetzelfde type als bij Emilia) in een keukentje van vier vierkante meter waar iedereen rond en bij elkaar kruipt om de ijzige koude buiten te sluiten. Aan die ene keukentafel waarrond je maar net met zes personen plaats kan nemen en je dan niet meer kan verroeren, daar gebeurt de magie, daar treffen we gelijkgezinden die ook op avontuur naar die grote pinguïns wilden!!!

Met ons favoriete vervoersmiddel steken we de straat van Magallanes over naar het laatste land van de wereld! Jieha nog eens op de boot naar VUURLAND.

Gelijkgezinden, soort zoekt soort, alle onafhankelijke reizigers op weg naar de pinguïns, treffen elkaar meteen op deze tocht. Het is alsof we elkaar ruiken: wij, Sam & Hannah, een jong Koppel Duitsers Paula en Timo, Ed uit New York die er voor het eerst alleen op uit trekt (met alle noodwendige problemen van dien) en de Fransman Loïc met het bijzondere talent om als eerste in het water allerlei wonderen te spotten. Orka’s in de verte en dolfijnen wat dichterbij!

De groep moet nog een beetje wennen aan zijn nieuwe constellatie, we weten nog niet zo goed hoe ons te gedragen. Aangekomen in het mini-dorpje Porvenir, aan de overkant van Punta Arenas, moet een bus gezocht worden. Er is niet zo veel keuze. De ene helft wil toch liften hoewel hier geen auto’s zijn en de anderen willen een veel te dure bus nemen … uiteindelijk gaan we na het nodige zoekwerk gewoon met zijn allen mee met de enige spotgoedkope gemeentebus die het eiland rijk is (en slechts 2 maal per week rijdt).

Na een busrit van twee uur staan we dan in THE MIDDLE OF NOWHERE aan een klein hekje. In de verte zien we twee afgeleefde containers staan. Is dit de befaamde plek waar we de enige koningspinguïns buiten Antarctica moeten zien?? Jawel. Een kwieke dame van middelbare leeftijd leidt ons in, in de wereld van die zwart-witte beestjes. Dit is de enige plek op het continent waar deze koningen langskomen om hun kleintjes (op) te voeden. Ze vertelt ons dat er twee groepen pinguïns zijn. Trippel trippel … ooo ooo ooo… waar zijn die beestjes??

Nietsvermoedend staan ze een beetje te staan aan de overzijde. Want dat is wat ze de hele dag doen: staan, slapen, wacht houden op hun kleintje, een beetje waggelen en roddelen, roddelen, roddelen… Zo lijkt het ons toch… In werkelijkheid is er telkens een van de ouders op jacht naar visvoer. Schitterend om dit natuurwonder van zo dichtbij (vanop 20 meter) in hun natuurlijke habitat te kunnen treffen. Missie geslaagd!

Zoals altijd met snel gemaakte vrienden, scheiden de wegen snel en de groep wordt een beetje kleiner. De acht kleine Chineesjes worden er al snel zeven, wanneer de Fransman nog diezelfde avond terugkeert. De zeven padvinders gaan op pad om een plekje te vinden om te kamperen. Ooo waar zullen we een plekje vinden om te slapen (in een omgeving van kilometers en kilometers prachtig NIETS)? Zoals echte vluchtelingen zetten we ons kamp langs de baene op.

De zeven kleine Chineesjes dunnen de volgende ochtend uit tot vijf. De twee sympathieke Duitsers hebben andere plannen. Maar wij gaan met ons vijven naar het hart van Vuurland! Daar waar er niets meer is. We hadden de avond ervoor een deal gemaakt met de buschauffeur (dat doe je maar beter, aangezien er maar één bus per week passeert) om ons op te pikken, in ruil voor een warme tas koffie. Zo gezegd zo gedaan. De man krijg zijn warm bakje troost en wij hopten op de bus. We passeren langs enkele mini-dorpjes, lege grasvelden, maar ook door enkele quasi volledig omgelegde bossen. Het verschrikkelijke werk van bevers. Deze beestjes zijn hier ooit gekweekt omwille van hun pels, maar aangezien ze in het verre zuiden de vijanden uit Noord-Amerika missen, poepen ze gelik de… bevers en knagen ze alle bomen van Vuurland om.

Tegen de middag worden we afgezet aan Lago Blanco, het middelpunt van Vuurland waar geen enkele normale sterveling iets verloren heeft. Het is er ijzig koud, de wind loeit hard rond onze oren en we wandelen verder tot aan de waterkant. Ed, de vrolijke Amerikaan, verkiest een hutje boven zijn tent, dus hij wandelt de andere kant op. Toen waren ze nog met vier.

Het zonnetje begint door het wolkenpakket te priemen. Een ranchero van een van ’s werelds meest desolate Estancia’s, komt ons welkom heten alvorens hij er weer even snel vandoor sjeest op zijn quad. Deze middag is de meest perfecte die we ons kunnen wensen: aan het einde van de wereld, aan de oevers van het meer, in het zonnetje met een kampvuurtje voor ons alleen. De dames met een boekje in de hand. De jongentjes beleven hun kinderjaren opnieuw en kunnen samen de clown uithangen…

Nu hangt het van onszelf af, geen bussen meer, we moeten liften zonder auto’s. Bij het water smeken we voldoende lang om één lift te versieren tot aan de grens. Met ons vier, Sam & Hannah en ik & Tim, beginnen we vol goede moed aan de dag. Maar het wordt een dag van wandelen en wandelen en wandelen. We hadden het eerst niet geloofd dat we aan het einde van de wereld zaten omdat alles, dankzij het toeval, zo vlot verlopen was. Maar nu kwam echt niemand meer langs… En maar liften en maar liften. Niemand kwam en niemand nam ons dus mee. Op de beats van Kraftwerk’s We are the robots stappen we een hele dag met ons vier. 38 km later, 8 uur later en 5 blaren meer, houden we uiteindelijk halt. Een schitterende dag om vriendschap te smeden.

Hinkend en pijn verbijtend gaan we de volgende dag opnieuw op stap. De twee vrolijke mannen van ons gezelschap gaan op verkenning bij één van de vele estancia’s die Vuurland rijk is om water te halen. “Ze blijven maar weg, vermoedelijk weer praatjes makend met Jan en alleman”. Want geloof het of niet, Sam is een nog vlottere babbelaar dan Tim. Met een brede smile van oor tot oor keren ze terug. De vriendelijke Franse dame van het landgoed biedt eten aan in ruil voor een beetje bessengepluk. Tuurlijk. Er volgt een dag van gezellig kletsen met voormalige Europeanen in een setting die je doet dromen. Midden in een landschap van zacht glooiende weilanden, waar wilde paarden gemend worden door Rancheros en waar die Rancheros in de winter de wind horen fluisteren tot ze er knettergek van worden.

We werden door het meest desolate eiland ter wereld dus maar één dag echt op de proef gesteld. Op het einde van de geanimeerde middag biedt de landheer aan om ons mee te nemen richting de stad. Op dat kruispunt nemen we afscheid van onze nieuwe hartsvrienden, Sam & Hannah. Maar we voelen dat dit geen definitief afscheid is. Toen waren deze twee Chineesjes uiteindelijk opnieuw met zijn tweeën.

Onze duim gaat de lucht en deze weg biedt duizend keer meer auto’s. Vroem vroem, de tijd gaat snel voorbij en we hebben een afspraak. De eerste van een hele reeks. In het hol van Pluto, in Tolhuin, wacht een vriend die we ontmoet hebben in dat fameuze park Perito Moreno. Wat volgt is een hilarische feestavond met twee Fransen die ook toevallig diezelfde avond passeren. De verscheurende eenzaamheid van Vuurland dacht u?

“Neen, we kunnen echt niet meer dan één avond blijven, we hebben een strakke planning.” Ja die trekjes van thuis keren toch snel terug. We hebben slechts één dag om Ushuaïa te bezoeken. De meest zuidelijke stad ter wereld. TOERISTISCH!!! Zeker als je net vanuit het hartje van Vuurland komt. Er valt helemaal niets te beleven behalve het vreemdste dier ter wereld observeren van op de terrassen van de koffiehuizen: de Homo Turistibus. Heerlijk om net binnen die toeristische show van dikke Amerikaanse cruisescheeptoeristen aan te bellen bij vrienden, Betiana en Pavel.

Hup hup hup, het hoofdbezoek van onze reeks laat niet op zich wachten. Onze vrienden zetten ons ’s morgens vroeg af op de bus omdat we toch zeker op tijd willen zijn op onze volgende afspraak. Gilbert Pieters, de voormalige baas van Tims papa, nodigt ons uit om samen te lunchen en dat niet zomaar in Café de Tijger.  Het belooft meteen de chicste plek te worden die we gedurende heel onze reis zullen bezoeken. Opnieuw in diezelfde MIDDLE OF NOWHERE, waar we dus al eens passeerden op die befaamde wandeldag van 38km. Ditmaal niet als landlopers met trekschoenen aan, maar met speciaal voor ons geregeld 4×4 privétransport. Fantastisch om te midden van al die natuurkracht, in een behaaglijk interieur, verwend te worden met malse stukjes vlees en een onderhoudend gesprek in onze moedertaal. Onze bezoekenreeks wordt in stijl afgerond met dank aan een van onze trouwe blogvolgers! Dankjewel Gilbert.

Zo zien jullie maar dat het einde van de wereld niet iedereen kan verpletteren met zijn ongenadige eenzaamheid.

Het godvergeten park van Perito Moreno, Argentinië

Terwijl elke camping in Torres del Paine (zie volgende blogtekst) overrompeld wordt door honderden en honderden toeristen, waar er slechts één toilet is voor de gigantische horde wandelaars, waar er amper bescherming is tegen de regen, waar kortom quasi geen enkele voorziening te bespeuren valt … daar word je hier, in het nationale park Perito Moreno, overdonderd door de stilte, omvergeblazen door de pracht van de ongerepte de natuur, word je bijna onder de voet gelopen door de duizenden Guanaco’s en tref je de snelst werkende WiFi van Zuid-Amerika aan (tweehonderd kilometer verwijderd van het dichtstbijzijnde dorp) bij de parkwachters.

Op een ijskoude januari-avond, midden in de Patagonische zomer, zitten we ons met een aantal gelijkgezinden op te warmen in het kleine containerkeukentje dat één van de twee campings rijk is. Samen prepareren we een koningsmaal, want iedereen draagt iets uit zijn overlevingspakket bij. Wij zitten aan het eind van onze voorraad. We hadden niet gepland om zolang in dit ‘parkje’ te blijven. Het enige wat ons nog rest zijn droge pasta en noodles. Uithongeren gingen we sowieso niet doen, maar gelukkig konden de anderen ons een beetje helpen bij onze Spartaanse maaltijd. Zij waren beter voorzien en hadden nog voldoende verse voer of groenten uit blik mee. Samen met individuele kookkunsten uit alle uithoeken van de wereld serveerden we ver verwijderd van beschaving heerlijke maaltijden. Gelukkig heeft Melqui vele geheime voorraden en konden we tevens uitblinken in het voorzien van godendranken.

 

Toen we de grens met Argentinië kruisten … jawel lezers, u leest het goed. Onze Melquiades is binnengelaten in Argentinië. Na ons eerste debacle in het noorden van Chile, probeerden we het hier nog een tweede maal, aan de Lago Carrera, twee maand na de zware dobber. We hadden de grens aan Chile Chico goed uitgekozen. De kleine en tevens laatste autogrens tussen Chile en Argentinië. (Er is nog één  grens zuidelijker, aan Villa O’Higgins, het einde van de Carretera Austral, maar moet je talloze kilometers wandelen, de boot nemen, het geluk hebben dat de veerman in een goede bui is en je wil overbrengen en nogmaals een stuk wandelen. Nu kunnen we eenmaal Melqui niet op onze rug nemen, dus beslisten we deze ietwat meer toegankelijke grens te proberen.) Zoals gewoonlijk zijn we wat gestrest maar dat blijkt (achteraf) voor niets nodig. Achter de balie zit een goedlachse oude man die blij is met wat gebabbel tussen zijn saai papierwerk. Wij detecteren zijn nood aan verhalen meteen en doen ons best om zoveel mogelijk te vertellen over onze reis, de man luistert gefascineerd en kijkt amper naar de papieren. Na tien minuten blijkt alles gefikst en hebben we een entréepapiertje op zak. We durven nog geen gelukskreet te slaken, want wie weet … Eenmaal we de douanierspost verlaten en tien kilometer verder rijden tot in het dorpje van Los Antiguos laten we ons helemaal gaan en schreeuwen we het uit: MELQUI EN WIJ DUS OOK ZIJN IN A!R!G!E!N!T!I!N!I!E!

 

Aan de Argentijnse zijde van het meer heerst nog steeds het mediterrane microklimaat zoals in Chile Chico aan de Chileense zijde. Een klein stadswandelingetje is aan de orde. Bij de toeristische dienst horen we dat we nog net het einde van het kersenseizoen treffen. Er zijn talloze Chakra’s (of boomgaarden) om uit te kiezen. We pikken er op het gevoel eentje uit. We worden hartelijk onthaald door een oudere dame die deze boomgaard helemaal in haar eentje managet. We worden uitgenodigd om rond te wandelen op de boomgaard en zoveel kersen te proeven als we willen. Wow, we lopen meer dan een half uur rond, proberen de verschillende bomen want elke boom heeft een eigen stip: rood, geel, wit … Allemaal duiden ze verschillende types aan. De één wat zoeter, de ander wat groter … We hebben geen honger meer. De dame is vrolijk om twee Europeanen te treffen, want binnen enkele maanden vertrekt ze samen met haar dochter naar Europa. In twintig dagen zal ze Europa zien: Parijs, Madrid, Barcelona, Rome, Venetië, Wenen …  ze zal amper tijd hebben om adem te halen, laat staan om de steden te kunnen onthouden. We proberen haar enkele tips te geven die het ene oor in- en het andere opnieuw uitgaan. Maar tegelijkertijd praat ze met ons over de politieke toestand in Argentinië. De verkiezingen, het post-Kirchner tijdperk, in de hoop dat er iets zal verbeteren, maar tegelijk de realiteit onder ogen zien dat er waarschijnlijk niet te veel zal veranderen. Argentinië is zo en zal nog even door enkele families beheerst blijven…

 

Een bijzonder aangename eerste kennismaken met de openheid van de Argentijnen die we steeds opnieuw zouden blijven treffen. De landen mogen dan meer dan tweeduizend kilometer grens met elkaar gemeen hebben, er is een wereld breed verschil tussen de Chilenen en de Argentijnen. Allebei hartelijk, beide op een andere manier.

 

Zo zitten we dus in Los Antiguos, in een streek waar de eigen gemaakte traditionele producten hoogtij vieren. Daar moeten we toch enkele zaken van meenemen! Naast onze driekilodoos kersen, nemen we ook nog een confituur mee van cassis, chocoladepralientjes (wij als Belgen moeten dat toch ook eens proberen, niet slecht, maar we missen toch onze Belgische Olifant) en niet te vergeten flesjes likeur gemaakt van onder meer een lokale variant van kleine kersen.

_DSC7368

We gaan spaarzaam om met onze likeur en daardoor hebben we nog een beetje bij om die koude avond in dat keukentje in het Nationale park op te warmen. We kraken een paar flessen wijn van de andere gasten en wij kunnen het dessert voorzien: likeur met chocolade. Wie deelt ons gezelschap die bibberkoude Patagonische nacht: een bevriend duo Argentijnen dat houdt van wandelen; een koppel gletsjerdeskundigen uit respectievelijk de UK en Slovakije, wonend in Edinburgh; en tot slot een reizend koppel waar de vrouwelijke helft Argentijnse is en de man Pools, ze woonden een paar jaar in Mexico en nu reizen ze over land naar Ushuaïa om daar hun nieuwe thuishaven te zoeken. We voelen ons in ons nopjes met dit internationaal gezelschap waar de voertaal tussen Spaans en Engels wiegt.

Het barakje in het Nationaal Park Perito Moreno dus. Perito Moreno. In de boekjes staat dit park beschreven als een ongekende parel. Het park telt slechts 1200 bezoekers per jaar. Met een klein beetje geduld kan je de fauna van ongewoon dichtbij bewonderen. Wij troffen Guanaco’s, een grijze vos, een gordeldier, een Choyque (kleine ñandu of struisvogels), een das en jammer genoeg geen poema’s. Het is mogelijk om er te treffen. Want op alle borden in het park staat dat je best niet meer na 17u op pad gaat. Dat is het uur waarop de poema’s naar buiten komen. We hebben dat toch geprobeerd, maar zelfs dat mocht niet baten. De schuwe beesten lieten zich niet zien, alleen hun sporen hebben we getroffen.

De reden waarom het park dan zo weinig bezoeker heeft is diens desolate locatie. Zelfs binnen de ‘gangbare’ afstanden van Argentijns Patagonië waarbij je makkelijk 300 km kan rijden zonder één huisje te zien, is dit park nog een buitenbeentje te noemen. Na 250 km over asfalt, vanuit een van de dichtbij gelegen ‘dorpjes’ volgt nog een doodlopende grindweg van een kleine 100 km door de droge Steppe tot aan de eerste Guardiaparque (de parkwachter).

In Los Antiguos lieten we ons al vertellen dat we dit pad onder geen beding mochten oprijden wanneer het regent, dan wordt het een complete modderpoel en kan je enkele dagen vaststaan. Wij hebben geluk, de weersvoorspelling zegt in de volgende dagen geen regen. De parkwachter in het grensstadje vroeg ons een gunst. Als we toch naar het NP Perito Moreno reden, of we geen twee bidons benzine wilden meedoen. Andere reizigers kwamen blijkbaar enige tijd geleden in de problemen, leenden toen een aantal liter benzine van de parkwachters en hadden nieuwe gekocht in dit kleine stadje. Maar dit moest opnieuw bij de oorspronkelijke wachters raken. Tuurlijk, geen probleem. Heerlijk dat onvoorwaardelijke vertrouwen in afgelegen regio’s, zelfs voor gringo’s die uit Europa komen. Melqui kan nog een beetje meer nafte meenemen. Wij rijden al rond met ongeveer 70 liter extra benzine, verdeeld over vier bidons, voor onvoorziene omstandigheden. In tijden van nationale staking, waardoor alle tankstations leeg zijn, zeker in het zuiden van het land, is het geen overbodige luxe om wat meer bij te hebben.

 

Eenmaal aangekomen in het kleine gezellige bureautje van de Guardiaparque worden we met een hartelijkheid onthaald die we nog maar zelden in de rest van Zuid-Amerika gezien hebben. Wow, wat een welkom in een park. Een dame die helemaal in haar eentje het park moet onderhouden, ook in de winter wanneer er niemand langskomt, is bijzonder enthousiast. Gedurende meer dan een uur legt ze ons uit wat we allemaal kunnen doen in het park, welke wandelingen, welke campings, dat we onder geen beding een kampvuur mogen aanmaken en dat er WiFi is op deze locatie. En ja… dat het nationale park compleet gratis is… Ongelofelijk!!

Uiteindelijk na veel gepalaber en getwijfel beslissen we eerst naar de noordelijke camping te rijden. Daar is er beter weer volgens de parkverantwoordelijke. Zo’n uitgeruste camping hebben we nog nooit gezien! We komen toe en kunnen meteen kiezen tussen tien verschillende plekjes om te kamperen met je auto. Allemaal overdekte “hansje en grietje”-huisjes met picknicktafels. De meest perfecte plek, net naast het meer, is al ingenomen. Verdorie toch, maar de volgende plek moet zeker niet onderdoen. Uiteindelijk stationeren en acclimatiseren we op deze plek drie dagen. De eerste dag omdat iedereen die we al tegenkwamen in het park bij ons maté komt drinken en daar de hele middag bleef zitten. De tweede dag omdat we een dagje wilden schrijven aan alle achterstallige blogteksten (we zijn nog steeds bezig…) en de derde dag omdat het met bakken uit de lucht valt.

Uiteindelijk op de vierde dag verlaten we toch eens ons holletje en gaan op verkenningstocht naar de andere kant van het park of toch het toegankelijke deel met de auto. Na anderhalf uur te rijden opnieuw over die hobbelige schattige grindwegen (Melqui is er al aan gewoon), komen we toe op de andere camping. Niemand te bespeuren in het oude U-vormige hacienda gebouw. We piepen toch even binnen en treffen een mini museumpje van vier vierkante meter met allemaal spulletjes uit de vorige eeuw. Oude kaarten, oude telefoontoestellen, tot een elektrische windmolen van 100 jaar oud… allemaal van in de tijd dat een kolonist of militair daar alleen de winter moest doorbrengen, zonder internet. Kan je je dat nog inbeelden?

We parkeren ons rollende huisje alvast op de parking. Er blijkt een klein keukentje beschikbaar te zijn voor de bezoekers met een perfect functionerend gasfornuis. Het stromend water moeten we honderd meter verder zoeken. Elke avond wanneer de koude de vallei begint in te nemen, nestelen we ons, samen met de andere bezoekers in dat kleine keukentje. Daar smeden we plannen voor de volgende dagen, waarheen we willen wandelen, welke tochten wie al heeft gedaan, wisselen we tips uit, koken we samen en klinken we natuurlijk een paar glazen… In deze keukenbarak verdween de rest van de wereld. Mochten we de kwaliteiten van dit park op voorhand geweten hadden, dan hadden we zeker een gigantische voorraad ingeslagen om ons verblijf daar te verlengen. Maar het had een ongelofelijke charme om daar op het einde van de wereld aan het einde van onze voorraad te zitten en er samen op uit te  trekken …

Waar ons fortuin vandaan komt …

Wanneer jullie als trouwe volgers onze blog lezen, onze verhalen met de hakbijl doorklieven of fluweelzacht savoureren, jullie zich verbazen over die fantastische landschappen of jullie zich frustreren over die grijze werkweek thuis, vragen jullie zich waarschijnlijk ook af en toe iets anders af. Hoe is het mogelijk dat die twee snotapen zo lang reizen met de verloning van twee stagiair architecten? Hoe kun je nu sparen met zo’n loontje en tegelijk een goed leven leiden? Waar komen die centjes vandaan? Hebben zij stiekem vijf jobs gecombineerd en hun monnikenbestaan verborgen gehouden? Hebben zij een geheime erfenis ontvangen? Hebben zij een bijzonder goede sponsor?

Het is tijd om op die ongestelde – en voor velen waarschijnlijk indiscrete – vragen antwoord te bieden. Jullie verdienen het na al dat werk de waarheid te weten… Hier komen de grote geheimen om met een dwergenloon een reuzenreis te maken!

Eduardo en Arthur hebben veel geld

Alles begint met grote goesting! Zeker weten dat je iets bijzonder wil doen met die bling bling. Je maakt een spaarrekening aan en daar zet je je volledige mindset op in! Elke maand een beetje op zij en daar bovenop alle grote bijdragen van de Sint en de Kerstman (dank aan alle ‘oude mannen’ in disguise).

Eén van de grootste uitgaven is je woonst. Dus daar hoor je te beginnen met de ‘keep it small’-actie. We leefden samen in een bijzonder klein, maar schattig rijhuisje. Ons stulpje in de Zakstraat was geen plek voor grootse gala’s, maar een rommelige overvolle instuif of een frisse winterbarbecue behoorden zeker tot de opties. Onze kosten aan gas, elektriciteit, water en internet waren met €50 per maand minimaal na een korte ‘hop en shop’ actie bij de verschillende leveranciers. Jawel, het is aan de wakkere klant om de goedkoopste acties eruit te halen.

Hoe graag we ook leven als Bourgondiërs (dat is er zeker met de paplepel ingegaan ten huize Vanhooren), we lieten even al die bijzonder lekkere restaurantjes aan de kant staan. We werden zelf grootse chef-koks à la Piet Huysentruyt met ingrediënten uit de Colruyt (“de laagste prijzen”) en niet te vergeten met de wekelijkse verse biologische groenten- en fruitmand van de Wassende Maan. “Waar zijn de specialiteiten?”, zou je kunnen denken. In alle kasten van ons huis. De wijnkelder, die vervangen werd door een kast, werd gevuld met speciale wijntjes van het Wijnhuis in Gent. Een speciaal kaasje hier, eentje daar.  “Moeten we ook niet elke dag vlees of vis eten?”, zoals een echte West-Vlaming denkt. Neen, de vegetarische keuken is minstens even lekker en dat vleesje tussendoor smaakt des te meer. Als de vismarchand van Brugse bodem (Rik Vanhooren) ons voorziet van verse vis, dan namen we dat met plezier aan.

Kwamen er minder gasten over de vloer? In tegendeel, we hielden ervan om vriendjes, vriendinnetjes en familie lekker te verwennen ten huize Vanhooren-Tavernier.

vanhoorens

Is het geen legendarische uitspraak geworden bij de vrienden van Tim? “Een Vanhoorentje doen?” Of met andere woorden, voor mensen die Tim een beetje minder goed kennen: alles en vooral zoveel mogelijk combineren. Van de ene activiteit naar de andere hollen, noodgedwongen op alle activiteiten te laat komen (een academisch kwartiertje…), overal veel te vroeg moeten vertrekken met de belofte om de volgende keer langer te blijven… Deden we minder activiteiten tijdens die afgelopen jaren? Waarschijnlijk wel, waarschijnlijk hebben we al eens NEEN gezegd tegen de zoveelste skireis. Maar over het algemeen hebben we van alles zoveel mogelijk genoten. Talrijke vriendenweekendjes, uitstapjes, mini-reisjes, goedkoop gaan skiën, bachelorreisjes … Veel thuis waren we eigenlijk niet (achja, dat helpt natuurlijk ook aan je energierekeningen ;-))

Tot slot komt onze grootste “ster” nog in beeld, onze derde telg, onze trouwe viervoeter die ons overal in Europa vervoert, waarheen we ook maar willen, onze Marianne. Misschien dat sommigen het ondertussen al vergeten zijn, maar ook in België hadden en hebben we nog steeds een klein wit bemeubeld camionnetje! Die nu al meer dan anderhalf jaar alleen staat te wezen! Maar wat een vrijheid. Elke zomer of eigenlijk elk verlengd weekend zijn we met plezier er op uit getrokken. Geen dure vliegtuigtickets die maanden op voorhand moeten gekocht worden, geen extravagante hotels, geen exclusieve restaurants … Marianne is ons rollend peperkoekenhuisje die ons van alles voorziet.

Maar ze heeft wel een omgekeerde werkweek, van maandag tot vrijdag staat ze resoluut op stal! Alleen in het weekend voor plezierritjes wordt ze uitgehaald. Onze oude rammelende grootouderfietsen voeren ons tijdens de week overal heen, over dé ‘berg’ van Gent, van her naar der. Goed voor de conditie toch? De mensen van dit continent zouden dit beter ook wat vaker doen, alledaagse sportactiviteiten, maar dat is een andere discussie. Voor ons waren het voor extra centjes op die spaarrekening!

marianne

Waar de onlinetips (‘How to save up for travel?’) vooral ingaan op de tips hoe je moet sparen, dus met andere woorden het voorbereidende deel, het deel thuis, is dat niet voldoende voor ons. Want hoe goed je ook kan sparen vóór een reis, dit bepaalt lang niet volledig hoe lang je kan reizen. Dit is niet het einde, maar slechts het begin. Als geitenwollensokkers zoals we door velen aanzien worden (ondertussen weten zij dat we eigenlijk helemaal niet zo hippie zijn na het ontmoeten van dozijnen halve garen op dit continent), doen we het ook tijdens onze reis gewoon graag een beetje anders.

geitenwollensokken

Komen per vliegtuig? Dat is toch absoluut niet nodig! Er zijn ook andere manieren om aan de andere kant van de wereld te raken. Per boot arriveer je ook, zo bewezen we meer dan een jaar geleden. Gaat het even snel? Neen, maar hoeft dat dan ook? Je gaat nu toch eenmaal op reis? Eén van de redenen is toch om meer tijd te hebben om te de wereld te ontdekken, om iets nieuws te leren, om jezelf te verkennen, om meer boeken te lezen, om … ?

Slapen we elke nacht in een driesterrenhotel? Neen en toch ook een beetje ja. In Venezuela, omdat het daar door de devaluerende munteenheid mogelijk was, leefden we als koningen. Even genieten van de luxe om te slapen in een chique hacienda met twee patio’s, loungeruimtes en een heerlijk oude mannen bar. Ook in Ecuador, in één van de meest toeristische dorpjes Vilcabamba, laten we ons verwennen in een hotelletje. Maar daar moeten we gelukkig niet betalen en effectivo (met geld), daar betalen we in natura met onze architectenskills voor kost en inwonen.

Maar dit geldt niet voor alle bestemmingen. In alle andere landen zochten we naar betaalbare oplossingen: slapen in goedkope (en dus soms ook bijzonder gore) hostels, slapen in de hangmat waar het mogelijk is (in de drie Guyana’s en in de boot op de Amazone), slapen bij kennissen van kennissen, slapen bij mensen op de zetel via Couchsurfing, …

Maar de echte reden tot slagen in deze missie was de investering van Melquiades: ons rollende huis in Zuid-Amerika. Tuurlijk is het een ‘dure’ aankoop, maar we hebben hem wel op dit continent gekocht en niet in Europa. We hoorden van vele andere motorhomereizigers dat de kost om een auto naar hier en terug te verschepen evenveel kost als de aankoop van onze Kombi. En als we op het eind onze medereiziger opnieuw zouden kunnen verkopen, is de cirkel helemaal rond.

Wat zijn Melqui’s kwaliteiten? Ondertussen kennen jullie die wel al een beetje ;-). Een korte résumé voor de mensen die het toch wat vergeten zijn. We kunnen rijden en bezoeken naar believen, we zijn niet afhankelijk van busuren, noch van schurdige buschauffeurs (alhoewel dat ik moet toegeven dat Tim op het einde toch aardig meedeed met de plaatselijke gewoontes).

Naast de rijdkwaliteiten, biedt de buik van Melqui voldoende mogelijkheden om feestmaaltijden klaar te maken (zoals jullie konden lezen in de Eetweek die Tim beschreef). Maar tegelijk vragen we ons af “Waarom je op reis bent?” Om altijd zelf te koken? Neen toch! Wij genoten er evenveel van om de plaatselijke specialiteiten te proeven. En waar is de beste plek en het beste moment om dat te doen? In de markt rond lunchtijd. Zijn we bang van hygiënestandaarden? In het begin een beetje, maar zolang alles goed gekookt, gebakken of gefrituurd is, zien we geen problemen.

Maar vooral het bed in Melquiades is van onschatbare waarde. Niet alleen omdat we tijdens onze lange reis nood hadden aan ons eigen plekje, maar ook omdat dit ons ontelbare euro’s winst gaf. In Peru of Bolivië vallen die prijzen nog wel mee, maar eenmaal je verder zuidwaarts gaat, richting het toeristische Patagonië, daar begint het te veranderen. Daar kost elke nacht in de goedkoopste hostel een fortuin, die wij graag uitgeven aan andere zaken …

melqui

Voila zo moeilijk is het dus niet om er eventjes op uit te trekken en een beetje geld aan de kant te zetten. Het reizen zelf is al helemaal niet moeilijk! Iedereen die een beetje een avonturiersbloed in zich heeft en geen gat in de hand heeft kan er tussenuit!

_DSC2858

Highway to the South

CARRETERA AUSTRAL, of de Route 66 van Zuid-Amerika

The Carretera Austral begins where Chile’s Lakes District ends, snaking south for 1240 km into a land of dense forests, snow-tipped mountains, glacial streams, islands and swift-flowing rivers.

When you hear the term ‘Southern Highway’, you might imagine an orderly, well-paved route through the wilderness. You’d be wrong. Northern Patagonia is home to pioneers who’ve managed to tame the land just enough to make a living in the small settlements that dot the route. The road is still Chile’s most challenging road trip. Though parts of it have been paved over the years, much of the highway is still dirt and gravel, meaning the pertinent question is not ‘Will I hit any potholes?’ but rather ‘Which potholes should I hit to cause the least damage to my car?’

Lonely Planet

 

“Vroemos vroemos, vroemos vroemos. Verdorie tochos, daar gaan we danos, eindelijk is het zoveros!” Schreeuwt Melquiades uit. “Na meer dan 10.000 km zuidwaarts cruisen, vanuit het meest noordelijke stadje van Ecuador (Ibarra) tot het centrum van Chili. Daar kom ik aan in Patagonië. Ligt Patagonië niet een stukje zuidelijker? Niets is minder waar. The Lake District of de Araucanië regio, ten noorden van Puerto Montt, daar begint het allemaal. Daar starten de goddelijke landschappen van de Patagoonse bossen, de heldere meren, de sneeuwwitte gletsjers, de turquoise rivieren … of dat denken toch mijn baasjes. Ze zijn soms toch een beetje gek of toch op zijn minst gezond gestoord. Ik vraag me oprecht af, wat is er nu zo fantastisch aan de Carretera Austral dat iedereen die ongelofelijk hobbelige bobbelige ruige grindweg wil afleggen? Ze mogen dan in de voorbije maanden al goed voor me gezorgd hebben – om de zoveel kilometer een beetje nieuwe olie, wat extra smeerstof, af en toe eens gekuist worden – toch denken ze nog steeds dat ik onverwoestbaar ben. Er valt niet meer te onderhandelen blijkbaar… Het is te nemen of te laten… We gaan de Carretera Highway op, willen of niet.”

plan

De fameuze – of beter gezegd notoire – Carretera Austral, 1240 km lang, kent een minder glorieus begin. In de jaren ’50 zette Pinochet dit prestigieuze project op poten – van respectievelijk meer dan 300 miljoen Amerikaanse  Dollars en enkele mensenlevens – om het zuidelijke deel van het land met alle fjorden over land toegankelijk te maken. Natuurlijk moest die weg ook zijn naam dragen. Gedurende verschillende decennia poogde men om die spectaculaire route op poten te zetten, maar de brute natuur zette daar keer voor keer, telkens weer, een stokje voor. In de onherbergzame natuur van de fjorden is het geen evidentie om een weg aan te leggen, laat staan te onderhouden. Pas in 1996 slaagden men erin om de verschillende delen met elkaar te verbinden. Nu zijn we twintig jaar later en nog steeds zijn overal werkmannen te bespeuren die weggezakte delen herstellen of pogen de grinddelen te vervangen door asfalt.

We starten het avontuur met enthousiaste reizigerskribbels, maar waren toch wat ongerust omtrent de gezondheid van Melquiades. We zullen nadien moeten toegeven: “Deze zware route is het waard!” Zonder enige twijfel één van de mooiste routes waar we al passeerden. Ook Melqui zal dat moeten toegeven!

foto algemeen CA

“Die twee halve garen geven me gelukkig toch nog een beetje rust. We starten via een “gemakkelijke” weg. Ze denken altijd het beste voor me te weten. We nemen niet de traditionele start van de Carretera Austral, die start in Puerto Montt, maar we gaan via het eiland Chiloë (het schijnt dat mijn baasje hier al een tekstje over schreef). Daar vergezelden onze placebo-ouders ons even. Ik moet het toch toegeven, het was wel een beetje zwaar met vier in de auto. Misschien wel een beetje te zwaar. Op een gegeven morgen pikken we ze op aan hun hotelletje en net wanneer we op de snelweg rijden … Knak. Alles doet pijn, Ik voel me geradbraakt. Bij elke grote put of bubbel doet het pijn aan mijn rechtervoorpoot. Gelukkig heeft chauffeur Tim goede oren en merkt hij meteen op dat er iets mis is. Na een snelle analyse blijkt hij de juiste conclusie te trekken: mijn rechtervoorschokdemper is in twee. Verdorie, schokdempers heb ik echt nodig op die Carretera! Anders overleef ik dit avontuur echt niet!! Ik hoop dat ze dat toch goed beseffen!”

Daar start een grote zoekactie om op het piepkleine eiland Chiloë nieuwe schokdempers te vinden. Iedereen die er een beetje uitziet als een mekanieker of alsof hij iets van auto’s weet, wordt door ons aangeklamd. Uiteindelijkvinden we de schokdemper niet in de “hoofdstad” Castro, maar in het kleine dorpje van Quellon, enkele uren alvorens we de ferry op moeten. Daar treffen we twee schokdempers van een 4X4, die mits wat aanpassen, de dienst kunnen doen. FJJEEUWWW… daar kunnen we toch goed vertrekken.

“Om 21u ’s avonds worden we verwacht aan de incheckbalie om op de ferry te rijden. We zijn toch allemaal een beetje zenuwachtig, want het is de eerste keer dat ik over water zal rijden. Een tocht van 24 uur door de Chileense fjorden. Het eerste deel van de tocht gaat over ‘open’ zee, met relatief grote golven. Het schijnt dat we geluk hebben, in de zomer zijn het maar kleine golfjes, in de winter daarentegen kunnen de golven tot tien meter hoog gaan. Ik hoorde van mijn baasjes dat ze heel tevreden zijn met deze kleine golfjes, die niks voorstellen in vergelijking met de stormgolven van de Atlantische Oceaan. Ze slapen als roosjes in mijn kajuit. Ze beseffen amper welke luxe ze hebben met mij, want de andere passagiers moeten met meer dan 300 in één grote muffe zaal liggen/zitten te slapen.”

Alarm om 5u ’s morgens!! Ai ai ai, wat doet dat pijn. We zetten door en willen echt de zonsopgang bewonderen. Het is fenomenaal! Onze mond valt open. Slechts met enkele passagiers staan we op het dek de steeds veranderende kleuren te adoreren. Elke minuut heeft de hemel een ander schilderij voor ons in petto. Langzaam bewegen we door het rustige water, de oevers veranderen stilaan van donkergroene landschappen (die ongetwijfeld monsters verbergen) tot frisse lichtgroene en –blauwe taferelen. De boot stopt op de meest onmogelijke plekjes, aan stranden waar schijnbaar niemand woont en geen wegen heenleiden. Daar stappen mensen op en  af, lokalen en toeristen. We vragen ons oprecht af wat ze daar allemaal doen…

Aankomst in Puerto Cisnes om 19u ’s avonds. We houden vast aan het principe dat we ’s nachts niet rijden wanneer het niet absoluut noodzakelijk is. Dus we blijven nog een avondje in Puerto Cisnes. Een minuscuul dorpje dat toch meer verrassingen bezit dan op het eerste zicht gedacht. Een aangenaam aangelegde dijk, een klein dorpscentrumpje en enkele gezellige cafétjes. Santé op het nieuwe avontuur. En de volgende morgen ontdekken we nog een andere verrassing: een zeebaai met warm water op 43° zuiderbreedte!

Na een verkwikkende dag aan het strand, starten we aan de echte Carretera! Na veel inleiding laten we de beelden voor zich spreken.

“Onze eerste stop, aan de Ventisquero Colgante of de ‘hangende gletsjer’,  in het Nationale Park Quelat, was dikke kak. Je kon alleen een dagticket kopen en op dat moment was het al 16u. Bovendien hadden de parkwachters het niet echt voor mij. Onder geen beding mocht ik daar de nacht doorbrengen. Grrrrrrrmmm. Ok dan, dachten Eline en Tim, dan toch nog een beetje verder doorrijden naar het dorp van Puyuhuapi. Wie zien we daar langs de kant van de weg? Ik herken die jongeman. Die heeft ook de ferry genomen. We stoppen en nemen de fransman mee. We informeren eens wat zijn plannen zijn. Want hun idee is om naar warmwaterbronnen te gaan. Opnieuw van datteu … Eline en Tim en dienen Guilhem gaan de heerlijke warme waterbaden in, en ik moet braaf housesitten op mezelf en al het gerief dat in mij staat. Geen enkele inspraak heb ik!

Wanneer de avond valt, zo tegen een uur of 21u vertrekken we dan eindelijk naar het dorpje. Dienen fransman weet een goed plekje. Dat denkt hij dan toch. Langs de rivier. Schitterend uitzicht, tussen de hoge gewassen, uitzicht in de verte op de fjorden. Heerlijk uitrusten na de eerste etappe van grind met een man extra. Ik doe mijn ogen dicht terwijl zij koken, laat de slaap over me komen, maar nog net in mijn ooghoeken zie ik iets glinsteren. Oei …oei !! Het water stijgt en stijgt en stijgt. Neen ze merken het niet. Ik probeer ze te waarschuwen maar geen avance, ze merken het niet. De pintjes en de wijntjes stijgen naar het hoofd na de heerlijke spaghetti die ze samen hebben klaargemaakt. Het is 22u/23u. Ik doe mijn best om het te negeren, zij weten het uiteindelijk toch altijd beter. 23.30u. Eline die controleert met scheeldronken ogen toch nog eens het waterpeil. Het water staat nu bijna aan mijn lippen. De anderen kijken ook op en schieten holderdebolder in actie. Want ik kan wel tegen een beetje water, maar de tent van de fransman die staat ook bijna in het water. In 1, 2, 3 wordt alles opgekraamd en ik moet ook sputterend in gang schieten. Naar de straat dan maar.”

Natuurlijk zijn we de volgende dag opnieuw naar de befaamde hangende gletsjer geweest, deze keer een stuk vroeger om de volledige dag van het park te genieten. Eenmaal we beginnen wandelen, weten we van geen ophouden meer. We combineren een drietal wandelingen na zoveel stilzitten. Een beetje verder treffen we nog een andere wandeling die we ook onder handen nemen: een route doorheen de Bosque Encantado om nadien aan te komen bij een ijzig koud grijs appelblauwzeegroen meer. Wow, de Carretera heeft steeds nieuwe verrassingen voor ons.

“Het is onvermijdelijk, we gaan verder de Ruta 7 op. Ik ben amper bekomen van het eerste deel en we vervolgen al onze route. Maar ik trek me op aan de film die we gisterenavond zagen. Die van mijn kleine snelle broertje, Herbie. Als hij nummer 53 is dan ben ik nummer 52, een oudere broer heeft toch meer maturiteit! Ik race zo snel ik kan doorheen de wondere landschappen van Noord-Patagonië.”

Na al die tijd in de auto te zitten en door het landschap te glijden, is het moment gekomen voor wat echte actie. Onze spieren moeten opnieuw geactiveerd worden. We gaan één van de mooiste nationale parken van Chile onveilig maken: Cerro Castillo of de kasteelberg. We rammaseren al ons trekkersgerief uit alle delen van Melqui en proberen snel aan de eerste dag te beginnen. Het plan: een vierdaagse wandeling met de tent. Het geluk staat aan onze kant. Net wanneer we willen vertrekken en wanneer we nog een aantal kilometer moeten liften (de auto moest veilig op een parking achter gelaten worden) komt er een sympathiek Duits koppel, Lars en Suzy, afgewandeld met de vraag of we niet met hen en de parkwachter mee gaan naar het begin van de trek. Perfect! We worden gedurende 40 minuten meegenomen in de 4×4 van de guardiaparque doorheen het eerste deel van de wandeling dat maar een saai stuk weg was. We bewegen door bos, rijden langs moerasachtige stukken, botsen doorheen een stevige rivier, net op tijd waarschuwt hij ons dat we moeten opletten voor ons hoofd. Waarom? Wel één seconde later rijden we door zo’n grote put dat we inderdaad allen met ons hoofd tegen het plafond worden geslingerd.

Eenmaal aangekomen, slaan we onze tent samen met de Duitsers op en doen een zijwandeling naar een afgelegen gletsjer. Goeie opwarming voor de eerste dag. De volgende dag ondernemen we dan de echte tocht. Omhoog klimmen over rotsen en sneeuw!! Jawel, we houden een eerste sneeuwgevecht. Schitterend! Na een tweede stevige dag samen wandelen moeten we afscheid nemen van onze nieuwe vrienden. Zij moeten sneller door en nemen een shortcut terwijl wij meer op ons eigen tempo de volledige wandeling ondernemen.

De tweede nacht kunnen we onze tent opslaan naast één van de mooiste alpenweides met de mooiste ongerepte wijdse vergezichten die je je kan voorstellen. Wanneer we in onze tent liggen en naar buiten kijken, hebben we zicht op een groene grassige vallei met daarnaast een zwarte rotspartij van de Cerro Castillo. Het is nog niet het granieten meesterwerk himself, maar een fiere zijpoot. Onderaan in de vallei horen en zien we een klein stroompje kabbelen. We beslissen dan ook om na die stevige wandeling onszelf te verfrissen in die rivier. Alle badgerief mee! Eenmaal aan het water bega ik de grootste stommiteit en lompigheid die je je maar kan inbeelden. Ik sla in een onhandige beweging om mijn kleren uit te doen, één van mijn schoenen in het water. Het water kolkt en stroomt, op en neer. Ik steek direct mijn voet met nog een sok aan in het ijskoude water om mijn schoen tegen te houden. Gelukkig zit Tim aan de goede kant, heeft hij een snel reactievermogen en duikt in het ijskoude water om mijn wandelbottien te redden! Net een kleine ramp voorkomen. Stel je voor… minstens 15 km over rotspaden met één schoen… We kunnen hem gelukkig laten drogen en tegen de volgende morgen is de schoen wel droog genoeg om op pad te gaan.

Op de derde dag beslissen we dag drie en dag vier van de wandeling te combineren. Dus er staat veel op het programma. Een stevige klim langs een appelblauwzeegroen meer over rotsen met een grote rugzak op de rug, alsook een afdaling van meer dan 1400 meter. We zijn te snel gewoon geraakt aan de luxe om overal en altijd van alle waterbronnen te kunnen drinken, dat we onze flessen niet snel genoeg bijvullen. Op de top van de berg zitten we zonder water, alsook bijna de hele afdaling moeten we het stellen zonder water. Aan de enige passanten die we tegenkomen vragen we waar er water te vinden is. Ze antwoorden dat we binnen een halfuurtje zeker wat moeten vinden. We wandelen en wandelen. We zijn al een uur onderweg en nog steeds geen water te zien. Als op een gegeven moment drie jonge mannen ons voorbijsteken, zien we ons kans schoon en vragen we of ze een beetje water kunnen missen. Zij komen blijkbaar net van bij een  waterbron en kunnen ons wel een half litertje geven. Hoe goed smaakt vers water!!!? Even later passeren we een rivier en laten we ons helemaal gaan … Tim duikt bijna helemaal het water helemaal in.

“Na bijna 4 dagen mij te verwaarlozen zie ik mijn vriendjes terug! Timmy is liftend teruggekeerd om mij op te pikken terwijl Elinetje zich doodmoe op een camping nestelt. Wat ben ik blij als we eindelijk weer allen samen zijn! We reizen nog een honderdtal kilometer samen door wondermooie landschappen. En op het laatste stukje hebben ze toch ook nog een beetje medelijden met mij … Ze vinden het toch een beetje te veel van het goede om helemaal tot in Villa O’Higgins te rijden. Ze zijn nog een beetje aan het twijfelen want de echte Carretera Austral die eindigt in Villa O’Higgins! Het echte einde van de wereld… En als ze eenmaal iets in hun hoofd gepland hebben, dan is het moeilijk om het eruit te halen. Maar op dit punt laten ze zich toch verleiden om via het tweede grootste meer van Zuid-America te rijden: via de Lago Carrera (zo heet die aan de Chileense kant terwijl de Argentijnen hetzelfde meer Lago Buenos Aires noemen). Ik spring een gat in de lucht, tot ik hoor hoe de staat van de weg is. Opnieuw grind met bubbels en putten naar believen. Dus ik moet een beetje gas inhouden. We houden nog een laatste keer halt, langs het meer, waar we onze Braziliaanse fietsvrienden per toeval opnieuw treffen. Zij rusten uit na een dag stevig fietsen en samen steken we nog een Chileense Asado aan.”

In de voetsporen van de Chileense dichter: Pablo Neruda

Toen ben ik op de ladder van de aarde geklommen
tussen de wrede ondergroei van verloren wouden
tot jou, Machu Picchu.

Hoge stad van opklimmende stenen,
eindelijk verblijf van wat het aardse
niet in slapende gewaden heeft verborgen.
In jou, als twee parallelle lijnen,
zwaaiden de wieg van bliksem en van mens
in een wind van doornen heen en weer.

Moeder van steen, schuim van de condors.

Hoog rif van menselijke dageraad.

Spade verloren in het eerste zand.

Dit was het verblijf, dit was de plek:
hier klommen brede maïskorrels op
en vielen ze opnieuw als rode hagel omlaag.

Hier kwam de goudgele vezel uit de Vicuña
om verliefden te kleden, grafheuvels, moeders
koning, gebeden en strijders.

Hier rustten ’s nachts mensenvoeten uit
naast de poten van de arend, in de hoge roofzuchtige
holen, en bij dageraad
stapten ze met dondervoeten op ijle nevel,
en ze raakten aarde en stenen
tot ze hen herkenden in nacht of dood.

Pablo Neruda – uit Canto General

 

In zijn immens omvattende verzenbundel Canto General met meer dan 15.000 versregels tracht Pablo Neruda de volledige Zuid-Amerikaanse geschiedenis weer te geven met alle mogelijke (persoonlijke) nuances en lagen van de geschiedenis. Wij op onze beurt leren met mondjesmaat deze verstrengelende geschiedenis kennen. Wij startten bijna anderhalf jaar geleden in het noorden van het continent en dwalen langzaam naar het zuiden. We lezen objectieve en subjectieve geschiedenisboeken, we bekijken de plaatselijke cinema, we keuvelen met iedereen die we tegen het lijf lopen: van onze Venezolaanse wandelvrienden, via de Boliviaanse Altiplanobewoners tot nieuw ontmoette Chileense kennissen. Nu zijn we aangekomen bij één van de iconen van de Chileense geschiedenis: Pablo Neruda. We bezoeken één van zijn drie huizen, de woonst in Isla Negra. Schijnbaar één van zijn favoriete verblijfplaatsen. Met een audiogids worden we door het hele huis geleid. We krijgen informatie over hoe hij leefde in dit huis (hij had een eigen bar waar hij vrienden ontving), wat hij allemaal veranderde, welke feestjes hij gaf (vb. ter gelegenheid van de aankoop van een namaakpaard op ware grote uit zijn jeugdjaren), waar zijn favoriete schrijfplek was, waar hij zijn aperitief nam (in een barbootje naast zijn huis op het droge), …

We geven onszelf een nieuwe queeste: enkele van zijn werken lezen en zijn andere woningen in Valparaiso en Santiago bezoeken, de volgende keer wanneer we er passeren. Jawel aandachtige lezer, u hebt dit goed begrepen. We passeerden eenmaal zuidwaarts in deze centrumregio (januari 2015) en de volgende keer zullen we noordwaarts reizen (april 2015).

Mijn cumpleaño: op uitstap naar de Geisers van El Tatio

Vorig jaar (2 december 2014) had ik het genoegen om mijn verjaardag te vieren op het zuidelijkste eiland van de Canarische eilanden: El Hierro. Dit jaar maak ik het een beetje exotischer (of beter gezegd een beetje warmer en kouder tegelijk). We bevinden ons op één van de meest toeristische plekken in het Noorden van Chili: San Pedro de Atacama. Het is een minuscuul dorpje waar alleen restaurantjes, toeristenwinkeltjes en touroperators gevestigd zijn. Gezellig, dat moeten we toegeven maar allemaal veel te perfect afgewerkt. We voelen ons een beetje de vreemde eend in de bijt (dit is niet de eerste keer, noch zal het de laatste keer zijn). We geven Melqui een beetje rust na de zware beproevingen en gedragen ons zoals elke andere willekeurige toerist. We zullen op uitstap gaan met … een touroperator. Het is niet onze eerste dag in Zuid-Amerika, dus we weten al te onderhandelen. We schuimen enkele kantoren af om toch terug te keren naar de eerste operator. We volgen ons gevoel en geven de voorkeur aan sympathieke jonge kerels voor de boeking van de El Tatio Geisers, ongeveer 80 kilometer ten noorden van San Pedro.

 

De volgende ochtend zullen we worden opgehaald aan ons hotel om 4.30u ’s morgens laat een van de kerels ons weten. “Wat is jullie hotel?” –“Hotel Melqui”. –“Ken ik niet”. We moeten de kerel van de touroperator wat overtuigen dat we in ons rollende huis leven en dat we graag daar opgehaald worden. Afspraak luidt: midden op de parkeerplek van de ‘gemeente’. Wij zorgen dat we stipt klaar staan, om 4.30u met onze thermos warme thee in de handen, want hier op 2500 m hoogte heersen ’s nachts woestijntemperaturen, nachtwoestijntemperaturen… Er staat geen enkele andere auto op de parking waar er normaal zeker 500 auto’s kunnen geparkeerd staan. Om de hoek komt er een meisje afgewandeld. Die gaat ongetwijfeld ook naar de geisers, denken we. Het blijkt een Française te zijn met … een Kombi. Neen, het is niet waar. Toch wel. Jawel, ook zij had haar operator ervan kunnen overtuigen om haar te komen zoeken op het plein. Altijd fijn om gelijkgezinden te ontmoeten.

De busrit duurt iets langer dan anderhalf uur op een hobbelig grindpadje. Ze hadden ons verteld dat dit onmogelijk ging zijn met onze Kombi … Dan kennen ze Melqui nog niet. Dit had ze zeker aangekund. Nu ja … wij ontspannen volledig en laten ons nog even gaan, we dommelen in voor een uurtje. Net voor zonsopgang komen we aan, net op tijd. De bussen zijn duidelijk getraind om op dit moment aan te komen. Voor ons wordt duidelijk, het is ’s morgens vroeg dat je de geisers moet komen bewonderen. Net dan valt het perfecte licht op die spuitende warmwaterleveraars. We genieten van de eerste zonnestralen, zeker in de ijzig koude morgen, terwijl we –niet zo helemaal op ons gemak, als één van de horde honderden toeristen – rondwandelen tussen al het spuitend geweld. Onze veel te vlotte en afgelekte gids weet ons enkele weetjes te vertellen: zoals het feit dat we op 4200 meter hoogte zitten (dat verklaart waarom we het zo koud hebben), dat dit het tweede grootste geisersveld is ter wereld (na de geisers in het Nationale Park Yellow Stone in de VS) en – last but not least – dat er warm waterbaden zijn die we kunnen uittesten. Dat moet geen twee keer tegen ons gezegd worden. Hup daar vieren we mijn 29ste verjaardag op meer dan 4000 meter hoogte in een heerlijk bad!! Benieuwd waar ik volgend jaar zal zijn ;-).

DEEL 2: Onze mijnbezoeken – Potosí

… Waar deze gangen door harde rotsen lopen, zijn het slechts onderaardse gewelven, maar als zij zich in een broze en deels afgebrokkelde steenlaag  bevinden, worden zij van boven beschoten met een houten dak, dat door dennenhouten palen wordt beschut, omdat door het uitzagen,  het spoedig tot verrotting overgaat. Hoewel de boomstammen zo gesteld waren, dat zij aan drukking van het gewelf weerstand konden bieden, is deze soms zo sterk, dat de palen ombuigen de gangen smaller worden, of zo laag, dat men er slechts op handen en voeten door kan kruipen. Op dit hout ontwikkelden zich paddenstoelen en witte, wolachtige vlokjes, waarvan de witheid onderling afstak bij de zwarte grond; de gisting der bomen deed een sterke geur ontstaan, en op de champignons, op de onbekende planten, op het witte mos, zag men vliegen, spinnenkoppen en vlinders, die niet op de soorten geleken welke men boven de grond ziet. Ook ratten kropen door deze holen en vleermuizen hangen aan de palen met de koppen naar beneden.

Deze gangen kruisten elkaar op verschillende punten evenals in Parijs de pleinen en straten; er waren mooie en grote, zoals de boulevards nauwe en lage, zoals de onaanzienlijke straten in de achterbuurten; deze onderaardse stad was echter veel slechter verlicht dan de straten zelfs bij nacht, want hier waren geen lantarens of gaspitten, maar slechts de lampjes welke de mijnwerkers bij zich dragen. Al was het zeer donker, toch hoorde men aan het leven, dat er heerste, dat men niet onder de doden toefde, in de werkplaatsen vernam men de ontploffingen van het kruit, waarvan de lucht en de rook tot de arbeider doordrongen; in de gangen hoorde men het rollen van de wagens; in de schachten het wrijven tegen de touwen van de korven, waarmede mensen en kolen opgehaald en neergelaten werden; en daar bovenuit het dreunen der stoommachine, die op de tweede verdieping was gesteld. …

Alleen op de wereld – Hector Malot

 

Zo voelt het ook voor ons wanneer we bij aankomst in de mijn achter onze gids, Juan, aanrennen, in de gapende opening van de nog steeds actieve zilver( en andere mineraalrijke )mijn van Potosí, Zuid-Bolivië. We geven het  beste van onszelf om onze gids niet meer dan een meter uit het oog te verliezen in deze duistere onderaardse wereld. De mijnschacht is slechts anderhalve meter breed en afhankelijk van de plek tussen de 1,5 en de 2 meter hoog. We moeten dus niet alleen voor ons kijken, ook boven en vooral onder onze voeten is het opletten geblazen. Gelukkig hebben we elk een eigen helm met lamp, geen overbodige luxe voor talentvolle enkelomzwikkers in schachten die soms een dwergenmaat hebben. In de aarden vloer is één roestig railspoor te zien die dienst moet doen voor karretjes in beide richtingen. Onze enige bescherming, naast onze gids natuurlijk, is het lege karretje voor ons, getrokken door één sportieve kerel en geduwd door twee van zijn collega’s. Wanneer we een daverend en oorverdovend geluid horen naderen, met een snelheid gelijkaardig aan een jetplane, gooien de kerels vliegensvlug hun lege zware metalen kar aan de kant, zodat de tegenoverliggende gevulde kar, die nooit vertraagt, kan passeren. De helling van de rails ligt logischerwijs in de goede zin voor de volle karren, rechtstreeks naar buiten. Remmen zijn hier niet aanwezig, de schoenzolen van de achterste twee mijnwerkers zijn de plaatsvervangende remschijven. De mijnwerkers zetten met veel metalig lawaai, getrek, geduw en gekreun de lege kar opnieuw op de rails, en vervolgen hun tocht. We zitten nog maar even te hijgen en te puffen aan de kant of we moeten opnieuw rennen. Wij, als niet ervaren mijnbezoekers, lopen met een zakdoek voor onze mond want het opvliegende stof is net iets verstikkender als de stofwolken op de talloze grindwegen die we al hebben afgelegd. Geen enkele mijnwerken die er nog maar aan denkt om zichzelf te beschermen tegen dit latente geweld. Iedereen loopt hier rond in de vuilste werkkleren, zonder enige bescherming noch voor het stof, noch voor enig ander dreigend gevaar. Zo hebben ze ook nog nooit gehoord van veiligheidsschoenen. Tijdens onze halfuur durende tocht tot aan een zijtunnel, horen we een constant geluid van karren die ofwel naar je afdonderen of van je weggeduwd worden. Wij proberen aandachtig te luisteren naar alle geluiden, maar echt wijs raken we er niet uit. Onderling bestaat er tevens een lichtencode om aan te geven welke richting je uit gaat en welke kar er nog in de buurt rondvlamt, wist onze gids ons te vertellen.

 

De tocht in de mijn is het ware hoogtepunt, maar ook wat aan deze helse tocht voorafgaat is duivels interessant. We worden om 8.50u stipt verwacht in het touroperatorkantoor van onze georganiseerde tour naar de zilvermijn van Potosí. Onze gids komt toe. Hij is nog niet heel goed wakker en zegt tegen zijn collega: “we gaan naar Salar de Uyuni”. We zijn een beetje uit ons lood geslagen. Hmmm, neen naar de mijnen? Hij lacht een beetje groen en zegt dan “Tuurlijk” met een vlotheid zoals alleen de Zuid-Amerikanen dat kunnen. De uitstap komt een beetje traag op gang. We wandelen naar de bus, daar wachten we op andere reizigers. De andere al aanwezige gidsen, ex-mijnwerkers zitten de hele tijd cocabladeren te kauwen … Wanneer een tiental toeristen uiteindelijk ons gezelschap vervoegen, rijden we wat verder tot we aankomen bij onze omkleedplek. We worden aangekleed met grijze mijnwerkerspakjes, bijhorende laarzen, helm en lampje. Opnieuw allemaal de bus in om tot bij een marktje te rijden. We gaan naar een actieve mijn en het is de gewoonte om de mijnwerkers te bedanken voor hun gastvrijheid met een cadeautje. Wij kopen niet alleen een fles frisdrank, maar ook cocabladeren en… een dynamietstaaf. Op dat moment vinden we het allemaal nog een beetje vreemd en voelen we ons jammer genoeg opnieuw de witte Gringotoerist. Maar dat beeld verandert snel.

Een tussendoortje. Van waar komt het woord Gringo? Wij wisten het tot voor kort ook niet. Een sympathieke Chileen deed ons volgende uitleg. Ten tijde van de Noord-Amerikaanse burgeroorlog waren de strijders gekleed in verschillende uniforms. Er waren soldaten in groene pakjes en andere in grijze. De ene zei tegen de andere “Green Go”, wat na verloop van tijd en afstand verbasterde tot Gringo.

 

Eenmaal aangekomen aan de ingang van de mijn, vertelt onze gids dat iedereen hier voor eigen rekening werkt. Er is geen algemene baas die de hele mijn bezit. Je koopt zelf een lot in de mijn van x-aantal vierkante meters. Je schakelt, indien gewenst, een paar extra werkkrachten in om jouw stuk van de mijn uit te pluizen. Je winst hangt helemaal af van hetgeen je vindt op jouw lot, welke mineralen en vooral in welk percentage de mineralen aanwezig zijn. Het is dan ook voor de werkmannen geen evidentie om dagelijks honderden toeristen te ontvangen. De werkmannen  moeten extra opletten voor die onoplettende toeristen, die hun werk storen, die nieuwsgierig komen wezen, die babbeltjes maken en die hun kostbare tijd afnemen. Daarom neem je dus die geschenken mee als gebaar om merci te zeggen. Merci dat we even deel mochten uitmaken van dit bijzondere leven in omstandigheden die doen denken aan bijna twee eeuwen geleden.

Na het verlaten van de hoofdtunnel bezoeken we, naar ons aanvoelen, een heel desolate plek in de mijn. De tunnels worden af en toe claustrofobisch smal maar het gevaar voor een aanstormende volle kar is dan toch al geweken. Het is een doodlopende tunnel met verschillende verdwijngaten (zoals in het gezelschapsspel Saboteur) waar er op het einde een mannetje helemaal alleen zit te werken met een radio naast zich. Alles is pikdonker behalve het rode ledlampje van de radio en de brokken waarop zijn hooflampje schijnt. Het is uniek dat iemand hier een radio kan gebruiken, tussen al het lawaai. Hij voert testen uit om na te gaan hoe goed de kwaliteit van dit lot is. Met andere woorden hoeveel procent mineralen er in de stenen zit. Naast hem staat een grote zak stenen. Hij neemt er telkens eentje uit om die met een hamer kapot te slaan. Voor ons is het magie, een alchemist aan het werk. Jammer genoeg is zijn werk niet zo toverachtig. Afhankelijk van het percentage kan je per 100 kilogram steenpuin betere prijzen krijgen bij de verpulverfabriek. Het percentage van hun lot blijkt jammergenoeg niet zo hoog te zijn als verwacht.

Onze gids komt steeds meer los omdat we hem steeds meer vragen stellen, de rondleiding expliciet in het Spaans wilden doen en het duidelijk wordt dat we breed geïnteresseerd zijn in de Zuid-Amerikaanse geschiedenis. We zeggen tussen onze tanden door dat we ‘Open veins of Latin America’ gelezen hebben van Eduardo Galeano. Dat is echt het kantelpunt. Hij bloeit helemaal open. Als jongetje van vijftien jaar heeft hij in hoogsteigen persoon kennis gemaakt met de auteur. Op dat moment had hij totaal geen idee wat die vreemde in zijn propere kleren in de mijn kwam doen of waarom hij zoveel vragen kwam stellen. Maar op het einde van zijn bezoek gaf hij onze gids een boek (Open Veins) als bedanking voor hun gastvrijheid. Pas jaren later slaagt onze gids er in om dit boek eindelijk te doorgronden en begrijpt hij welk man hij precies ontmoet heeft.

We klauteren verder doorheen vele kleine andere tunneltjes: links, rechts, rechtdoor. Ik ben al lang mijn oriëntatie kwijt. We komen aan bij een diepe put die leidt naar een nieuwe ontginningsplek op een ander ‘verdiep’. Tim probeert er in de klauteren maar ik moet mijn grenzen erkennen en toegeven. In een donkere put afdalen en daarna opnieuw klimmen over meer dan vijftien meter zonder enige vorm van bescherming, is toch een beetje te veel van het goede. Andere bestemming dan maar. Op naar de man die gaten voorbereidt om dynamiet in te steken. We hadden al verschillende keren knallen gehoord. Telkens verschiet ik mij een ongeluk tot amusement van onze gids voor wie dit de normaalste zaak ter wereld is. We klimmen andermaal in een heel smal tunneltje omhoog. Helemaal bovenaan met een klein lampje zit “El Pitufo” (de Smurf, ook hier kennen ze de kleine blauwe mannetjes), zoals een dwerg in het clipje van Ramstein met rondspattend zweet en steengruis te drillen. De man werkt met een gigantische en veel te zware boormachine om gaten met een diameter van 4 cm te maken. Het is oorverdovend en heel claustrofobisch. De man in kwestie heeft er helemaal geen probleem mee. Geen vuiltje in de lucht, figuurlijk dan toch.

Op weg naar buiten (eindelijk denk ik dan na twee uur in deze onmenselijke onderwereld) houden we nog een laatste keer halt. We stoppen in een klein kapelletje, één van de vele. De mijnwerkers hebben de gewoonte om sigaretten en pure chemische alcohol (96%) te schenken (na er zelf van gedronken te hebben) aan een wel heel speciale godheid. We treffen er een beeld van El Moreno, de zwarte Jezus, die aardbevingen en ontploffingen voorkomt. Onder de grond, in deze onderwereld bestaat God niet, alleen deze “El Tio” of vrij vertaald “den nonkel”.

 

Het is een zeer bijzondere wereld. Daar onder de grond waar iedereen voor elkaars veiligheid instaat, maar ieder toch zijn eigen stuk beschermt. Daar waar volledig andere wetten heersen. Daar waar de bovenwereld een droomwereld lijkt.

Onze gids, Juan, werkt al meer dan tien jaar niet meer in de mijn, maar hij houdt van deze mijn. Zijn liefde voor deze opmerkelijke wereld blijft. Zelfs na al die jaren als toeristische gids komt hij nog steeds graag op bezoek. Begrijpe wie het begrijpen kan.