De onverwoestbare Tim …

Bij ons vertrek uit Arica slaan we nog even wat basisvoeding in voor onze tocht naar het Parque Nacional de Lauca. Na het rustmoment bij onze vriend Juan-Pablo, gaan we op zoek naar nieuw avontuur. Het wordt een fabelachtige combinatie van rotswoestijnen met besneeuwde vulkaanpieken, ijsmeren en reeds eeuwen verlaten forten die de enige toegang naar het rijk in de bergen moesten beschermen. We treffen niet alleen konijnen met rare krulstaarten en condors die door de lucht kruisen, maar ook lama’s in carnaval kostuums.

Aan de oever van één van de mooiste meren in het noorden van Chili, de Lago Chungará, houden we halt voor enkele dagen. Vanop de hoofdbaan rijden we via een grindpadje met veel putten en bulten een paar honderd meter naar beneden om ons op te stellen naast het meer. We houden een romantische avond met op de achtergrond een heldere sterrenhemel en de duistere omlijning van enkele iconische vulkanen. We bevinden ons op 4800 meter hoogte en onze ademhaling loopt al wat moeizamer.

Tim begint te hoesten, midden in de nacht. “Het zal wel de hoogte zijn.” De volgende dag blijft Tim hoesten en puffen en halen we toch eens de thermometer boven. Jawel, 39° koorts. Het zal wel beteren, gewoon een beetje aanpassen aan de hoogte. Het hoesten is toch wat lastiger wanneer er minder zuurstof in de lucht hangt. Ik lig ’s nachts verschillende scenario’s te bedenken. Ik  begin te vrezen dat het grindpadje toch niet zo ideaal is voor ons Melqui’tje. Ook HIJ heeft een beetje last van de hoogte en op het pad omhoog kunnen we geen aanloop nemen door de slechte staat. Stel dat het echt niet beter wordt met Timmetje en dat we midden in de nacht moeten vertrekken en dat we echt niet boven raken. Wat dan? Tim woelt de ganse dag en nacht in bed. Hij waagt zich, warm ingeduffeld, aan een kleine wandeling, maar na 100 meter moet hij, verplicht door zijn zwakke lichaam, terug naar het busje in het wild terugkeren. Wanneer de nacht valt, vat hij opnieuw de moeizame slaap aan, hoewel hij al quasi heel de dag horizontaal doorbracht. Hij hapt de ganse nacht moeizaam naar adem. We halen de morgen.

De volgende dag, terwijl we onze ogen openen, is er bezoek van een pick-up met drie toeristen uit Oostenrijk. We zien onze kans. Ik ga een praatje maken en leg de situatie uit. Mogelijks raken we niet op ons eentje boven met de auto. Is het mogelijk om ons naar boven te trekken, indien nodig? We proberen eerst op eigen houtje boven te raken, maar we moeten toegeven: Melqui kon het niet alleen. We hadden hulp nodig van een stoere pick-up. De eerste echte keer dat we hulp nodig hadden om uit een netelige situatie te raken.

Eenmaal 50 km terug in het eerste noemenswaardige dorpje met meer dan tien huizen, maar vooral de eerste bewoonde locatie met meer dan duizend meter verschil in hoogtemeters, ga ik op zoek naar een apotheek om die bronchitis aan te pakken. Want die zal niet op zichzelf genezen. Het geluk staat aan onze kant die dag, want net op woensdag is er in Putre een rollende apotheek. Een grote Mercedes sprinter gevuld met alle noodzakelijke medicijnen samen met een dokter zal ons redden uit de nood.

Uiteindelijk blijven we vier dagen in het dorpje Putre en treffen we wonder boven wonder in het hol  van plutol twee sympathieke koppels Belgen. Meer zelfs, West-Vlamingen. Belle en Jorn uit Menen, en Willy en Chris uit Brugge. We gaan na nog een dagje uitzieken samen iets knabbelen in het enige gezellige restaurantje dat het dorpje rijk is en we klinken met een pint. Het is zeker, Tim is genezen.

 

Geef een reactie