Verjaardagscadeau!

Wat wil kleine Tim het liefst van al voor zijn 29ste verjaardag?

Op de boomstammetjes varen natuurlijk! Maar dan niet van een glijbaan zoals in Bellewaerde! Neen, tegenstroom! Dat lijkt me wel wat!

Zo gezegd, zo gedaan! We waren nu toch toevallig in Venezuela op mijn verjaardag!

De Angel Falls, Salto Angel of Kerepakupai Merú bij de originele inheemse naam, is de hoogste waterval ter wereld met een vrije val van 979 meter. Jawel, superlatieven! Ik wil de grootste hebben voor mijn verjaardag! Neen, of het nu de hoogste, de grootste of de dikste zou zijn (aan compensatiedrang lijd ik niet meteen…).

We vernamen van alle Venezolanen dat de tocht naar deze donderende ‘cascade’ een spectaculair gebeuren zou zijn. “De tocht erheen is minstens even spectaculair als de waterval zelf” en “die plek is zo verlaten dat je er enkel over water komt en soms moet je de boot zelfs duwen” of met nog andere woorden: “Onderweg zijn is even belangrijk als het doel”, “waterpret” en “een beetje avontuur als kers op de taart”. Dat lag verdacht dicht bij het motto van deze reis!

Dat we daarvoor een ongeschreven en niet op voorhand bepaalde – maar langzaamaan natuurlijk aanvoelende – wet moesten verbreken, was dan maar zo. We zouden moeten vliegen! We zochten eventjes naar alternatieven waarbij we vier dagen onderweg zouden zijn, onzeker of we er dan wel of niet zouden geraken, en waarbij we het dubbel aan centjes zouden mogen neertellen ( én waarbij we er niet zouden geraken op mijn verjaardag natuurlijk). Wanneer we echter aan de praat raakten met een Nederlandse wereldreiziger in hart en nieren (André, hij  zou misschien Bart-Jan kennen: Bart-Jan?! Lees jij deze blog?) overhaalde deze ons dat de vlucht als een deel van het geheel gezien moest worden én dat deze Cesna’s écht geen vliegtuigen genoemd mogen worden. “Het zijn auto’s met vleugels aan”.

Ongelijk konden we André de volgende ochtend om 8u niet geven. Na het opgepikt worden om 5u30 door een dodelijk slechte chauffeur, het gebruikelijke onderhandelen en wisselen van dollars op de zwarte markt, wachten in de koffiezaak zonder koffie, het pakketje  geld – dat eruit zag als verpakte drugs (verstandig in Venezuela…) – door de bagagecontrole meekrijgen, de standaard checklist met de controletoren van twee zinnetjes (zelfs ik deed er destijds langer over met flight simulator) en tot slot na het opstijgen en optrekken tot 8000 voet hoogte; las de piloot op zijn dooie gemak de krant…

De autopiloot stond vast en zeker aan… Fout! Deze cesna met verroeste bouten had één knuppel en slechts enkele werkende wijzertjes. Waarom heb je toch ook die wijzertjes nodig die het evenwicht van het toestel aanduiden, of de tilt, of de snelheid? Dat zie je toch gewoon. Het kompas deed het ook niet meer, dus er was een tweede geïnstalleerd aan de ruit. Op deze lazen we al na twee krantbladzijden af dat we 15 graden afgeweken waren.

Even boven de krant uitstaren, beetje corrigeren en doorlezen maar.

We stijgen op boven de buitenwijken van Ciudad Bolívar, vliegen over eindeloze savanne, over een groot stuwmeer en over kronkelende riviertjes en landen tot slot op een van de meest idyllische locaties ter wereld. Canaima: waar 4 watervallen, gevuld door stroompjes en watervalletjes van wonderlijke Tepuis, samen in het gelijknamige meer Canaima donderen. Een meer met palmbomen en witte stranden. De plaats waar wij enkele uurtjes van het heerlijke zoete water genieten, in de zon bakken en in de strandstoel hangen. Daarenboven douchen we onder kletterende watervallen, plonsen we in waterbassins onderaan het gebulder, nemen we een jacuzzi en wandelen we via een ‘geheim pad’ achter een van de watervallen.

De dag kon afgesloten worden met een pintje in “een der meest idyllische bars ter wereld”! De woorden van André. Ware het niet dat niemand zijn hotel of ‘possada’ of kampement uit durfde omwille van een tropische regenbui.

Als enige klanten van de bar werden we op een waar spektakel bediend: bliksemflitsen verlichten het Canaima-meer, de palmbomen en de watervallen.

Kortom, de perfecte dag. Nu nog vroeg in bed duiken en dicht tegen elkaar aankruipen, dachten we.

Wanneer we ons ‘kampement’ – dat op zich al geen ster zou verdienen – naderden bleek deze echter omgetoverd tot de setting voor een Venezolaans verjaardagsfeest. Dreunende ‘beatz’ waren tot in een straal van 500 meter hoorbaar. Onze kamer lag binnen de straal van 20 meter van de ‘soundsystem’. Er was dus slecht één oplossing: “If you can’t beatz them, join them”.

Op je verjaardag opstaan met pijn in de haren. Zoveel verschilt de ochtend van deze verjaardag dus niet van een verjaardag thuis. Tot nu toe dan toch niet.

Na een stevig ontbijt met ‘arepa’ (een maisbroodje) met een roerei, beginnen we aan de tocht waar deze dag om draait. We ontmoeten onze twee Peruaanse medereizigsters en wandelen naar de bovenkant van de watervallen waar twee pemon-indianen, de bootbestuurders en koks, samen met Christiaan, onze gids, een ‘boomstam’ leeghozen, er een motor met reserveonderdelen aan vastschroeven en onze bagage in een dik zwart plastiek wikkelen.

Voor we het goed en wel beseffen, beuken we aan hoge vaart de rivier stroomopwaarts op. Een middagmaal aan 40km/u tegen de stroomversnellingen in, wat wil een mens meer op zijn verjaardag! De tocht duurt om en bij de 3 uur en des te hoger we de rivier opvaren, des te smaller deze wordt en op hoe meer stroomversnellingen en rotsen we getrakteerd worden. Onze bestuurder loodst ons er in alle rust doorheen. Boomstammetjes stroomopwaarts! Eat that, Bellewaerde!

In tegengestelde richting zien we reeds waar we ’s anderendaags op getrakteerd zullen worden: twee boomstammen afgeladen met toeristen ‘sjeezen’ aan een nog hogere snelheid vlak langs onze uitgeholde boom.

Na een tweetal uren worden we op de proef gesteld met nog meer water. De Belgische pijpenstelen hadden er geen gelijken aan! En zoals elk kind weet, hebben de boomstammetjes in Bellewaerde geen dak… met doorweekte en verkleumde soepkiekens tot gevolg! Maar na een uurtje (nat tot op de onderbroek) volgt de grootse bekroning van deze tocht, het kersje op de verjaardagstaart! Het adembenemende zicht op de hoogste waterval ter wereld!

Na het aanmeren volgt nog een drietal uurtjes sport: verder opwaarts wandelen waar de boomstammetjes ons niet konden brengen. Eenmaal boven moet je toch eens in het bassin onder de hoogste waterval zwemmen terwijl het krachtige water je voorbij stroomt! Of niet soms?

Moe maar voldaan en na een heerlijke maaltijd – het kon ons helemaal niks schelen dat het opnieuw rijst met kip was – konden we de oogjes sluiten, omringd door junglegeluiden, in de hangmat tussen de stemmige kaarsjes. Een eerste van vele hangende nachten. De laatste beloning van deze mooie dag.

Fauna & flora in de Orinoco-delta

We hebben ons genesteld in het gezellige Pequeña Hotel onder de vleugels van uitgeweken Italiaan Donato en diens Cubaanse vrouw Marizza in het mini stadje Tucupita, Venezuela. Van hieruit plannen we het vervolg van onze trip in het nieuw aangekomen land. In eerste instantie waren we niet van plan om een boottripje op de Orinoco te ondernemen. Na de laatste boottocht wilden we toch even land onder onze voeten voelen, maar al snel kwamen we erachter dat dit toch één van de must-see’s van het land is. Opnieuw het water op!

Het onevenwicht tussen toeristen en aanbieders van deze trips is opmerkelijk. Om de haverklap worden we aangesproken door iemand die zeker dé beste tour aanbiedt! Als enige toeristen – of gringo’s – in deze uithoek van Venezuela, vallen we dan ook nogal op. Zoals alles in Venezuela begint ook dit met onderhandelingen. Na even heen en weer getelefoneer tussen ons en aanbieder Antonio, waar Donato ons bijstaat zowel in de Spaanse taal als de invulling van de trip, regelen we een driedaagse tocht met twee overnachtingen voor 10.000 Bolívar per persoon (=65€ PP), all-in! We voelen ons in onze nopjes met deze goede deal!

Zaterdagmorgen om 9.00u worden we aan onze Posada opgehaald door Antonio en zijn chauffeur. We weten nog niet zo goed waar we ons allemaal aan moeten verwachten. De auto laat alleszins niet veel aan de verbeelding over. Het lijkt erop dat dit vehikel (de eerlijkheid gebiedt ons te zeggen dat dit voor de meeste Venezolaanse auto’s geldt) zelfs na vijf grote onderhoudsbeurten niet door de Belgische keuring zou raken: de ruit is dichtgeplakt, één van de achteruitkijkspiegels is afgebroken, de veren of de schokdempers hebben hun beste jaren achter de rug, uiteraard werken niet alle lichten … Onderweg houden we bovendien nog even halt bij een autoshop om olie te kopen – later blijkt dit niet voor de auto te zijn, maar voor de motor van de boot.

Eenmaal bij de rivier aangekomen tussen groezelige huisjes in een smal straatje, ligt ons bootje (geschatte grootte: 4m lang en 1m breed) met een andere gids José (??) op ons te wachten. Antonio blijkt helemaal niet mee te gaan (we laten dan toch ook even ons ongenoegen blijken). We worden overhandigd aan de op het eerste zicht schuchtere kerel José, die de broer of één van de broers blijkt te zijn van Antonio. Op dat moment valt onze symbolische frank dat we José als eens eerder waren tegen gekomen op straat, als één van de vele verkopers. Toen geloofden we hem niet toen hij zei dat hij de broer was van Antonio. De inheemse Venezolanen lijken te veel op elkaar voor ons. De wereld is blijkbaar ook in Tucupita klein.

We worden ingeladen samen met een frigobox, die ons de hele trip zal volgen – met líters frisdrank. ONVOORSTELBAAR!! In alle winkels, supermarkten, bars, wegrestaurantjes … staan de flessen frisdrank per lopende meter geëtaleerd, alle mogelijke merken en soorten zijn verkrijgbaar. Er is alleen een kleine naamsverandering gebeurd, ze krijgen een Zuid-Amerikaanse variant vb. Sprite wordt Chinotto, Fanta wordt Hit. Het is dan ook veel gemakkelijker om een fles Cola of Fanta te kopen dan een fles water.

Het is nog even wennen aan ons nieuwe, kleine vervoersmiddel – wij zijn dan ook nog steeds niet echt bekomen van de laatste boottocht tussen Trinidad en Venezuela. We inspecteren de boot, uit macht der gewoonte, en stellen al snel vast dat het water langs verschillende plekken binnenstroomt, afhankelijk van snelheid en zitpositie. Het goeie nieuws: hoe sneller we gaan, hoe minder water! Iedere boot heeft dan ook een klein emmertje (of iets wat hiervoor moet doorgaan) als waterschepper in de boot liggen.

Onderweg blijkt onze eerste boottocht al heel snel meer te zijn dan transport van plaats A naar plaats B. HEERLIJK!! Onze gids José stelt ons al snel gerust door te zeggen we veel foto’s moeten nemen en remt ook steeds af wanneer, zowel hij, als wij iets zien bewegen. Als eerste diersoort treffen we kleine rode Capuccijnenaapjes in de dichtbeboste oeverzijden, ze doen ons denken aan de aapjes die we getroffen hebben in de zoo van Port Of Spain, Trinidad. Later blijken dit de enige apen die we zullen zien, de andere zullen we alleen horen brullen als leeuwen. Na deze stop maken we opnieuw snel vaart met onze rode speedboot. We blijven de oevers afspeuren om iets van leven te spotten, maar het is José die teken doet naar het midden van de rivier. Daar zien we een hele groep rivierdolfijnen rond ons zwemmen, springen, salto’s maken … We stellen vast dat ze heel goed gelijken op hun zeevarianten. We kijken niet alleen rond, we horen ook allerlei bizarre en vaak onherkenbare geluiden. Een krijsende schreeuw wordt steeds duidelijker en wordt ook steeds overheersender. Vijf seconden later vliegt er een volledige school papegaaien voorbij in geel, groen en fel blauwe kleuren. Wij kennen deze dieren normaal alleen maar zittend in een kooi of in de zoo waar ze amper kunnen rondvliegen. Hier zien we ze aan hoge snelheid voorbij sjeezen van de ene kant van de rivier naar de andere kant. Naast papegaaien zien we ook talloze andere types vogels: witte ranke vogels (Snowy Egret voor de kenners, de gids had ons verteld dat dit de nationale vogel was, blijkt eigenlijk niet correct te zijn), rode sierlijke vogels (of de rode Ibis) …

Hoe langer we op onze rode speedboot zitten, hoe meer we het landschap langs de oevers zien veranderen. Ter hoogte van Tucupita zijn de oevers duidelijk zichtbaar en berijdbaar met allerlei voertuigen, is de flora heel wijd verspreid en is een ver zicht mogelijk door de velden van de Finca’s (boerderijen). De plantenstructuur wordt langzaamaan denser, de planten tropischer en het woud ondoordringbaarder. Het land maakt langzaamaan plaats voor de duistere wereld van de mangroves.

Na drie uur varen, met alle nodige stops om de fauna en flora te bewonderen, komen we aan op onze bestemming. Het is het huis van de vader en moeder van zowel José en Antonio (en nog talloze andere broers en zussen, zullen we later ontdekken). Wij treffen er op dit moment een neefje van José samen met zijn vrouw (19 jaar oud) en hun twee kinderen van 3 en 1 jaar oud. Maar ook nog een andere broer met zijn vrouw en kind, vier honden, een aantal ‘barberi’-eenden, kippen en een huispapegaai. Het is een bizarre mix tussen een authentiek huis en een omgevormde toeristenattractie. Het woonhuis van de ouders is een opgekalefaterd gebouw in snelbouwsteen met golfplaten, het nieuwe materiaal waar alle daken in de Orinocodelta (en ver daarbuiten) in worden gemaakt. Onze slaapplaats daarentegen is een traditioneel gebouwd hutje met houten wanden tot 1,20m hoog en een dak van palmbladeren (die veel beter de warmte buiten houden). Het meubilair in onze hut is even schaars als in hun huis: hangmatten (met muskietennetten) of bedden om in te slapen en één tafel met bank om aan te eten. We krijgen even de tijd om onze spullen uit te pakken en ons thuis te voelen. We verkennen snel de rest van het terrein. We ontdekken een amalgaan van oude ineengevallen woonvertrekken, een voormalige toeristische hut, een gigantische hoop kokosomhulsels, het nodige rondslingerende afval, een HUDO-hutje en drie aanlegsteigers.

De bevolkingsgroep in de Orinoco Delta wordt de Guarau-gemeenschap genoemd, mensen die met de kano varen zoals letterlijk vaak vertaald wordt. Het is een groep van meer dan 30.000 mensen die verspreid langs de Orinoco rivier woont, afzonderlijk of gegroepeerd in palendorpen. De meningen over deze bevolkingsgroep, die we hoorden, zijn unaniem. Zowel inwoners uit Tucupita, als Caracas, als onze Italiaanse host lieten zich negatief uit over de Guarau. Het is een volk dat zich goed voelt in zijn huidige ledige en nietsdoende staat, in hun karige huizen op palen langs de rivier zonder enige bezittingen. Voor ons voelt het dan ook heel bevreemdend en ongemakkelijk om op bezoek te gaan in een palendorp waar in het pallisadepad meer openingen zitten dan planken, waar huizen geen muren hebben, waar geen meubels staan, iedereen ofwel op de grond zit of in de hangmat hangt, waar de weinige bezittingen (in plastiek samen met al het afval) die ze hebben in het rond slingeren zonder enige zorg. We bezoeken niet het toeristische ideale kamp, zoals velen, maar krijgen een blik in de naakte werkelijkheid.

Wanneer de avond valt, wordt duidelijk dat er quasi geen elektriciteit is. Ze hebben een generator, want er staat een televisiescherm in de enige gemeenschappelijke ruimte, maar die wordt slechts op gerichte tijdsstippen gebruikt. Avondverlichting wordt gemaakt met twee oude verfpotten gevuld met brandende benzine. Jawel, je leest het goed, er worden liters benzine verbrand niet alleen als verlichting maar ook als amusementswaarde. Hun aanlegsteigers zijn de ophoudplek voor talloze drijvende groene plantenmassa’s die massaal muggen aantrekken. Ze gieten een emmer benzine uit over dit drijvend geheel om dit erna te ontsteken. Welgeteld 10 seconden is er een vlammenzee waarna deze automatisch uitdooft. Hallucinant! De reden waarom er zo kwistig met benzine wordt omgegaan is de belachelijke prijs. We vernamen dat een tank van 80 liter wordt gevuld voor 5 Bolívar fuerte, wat omgerekend minder dan één eurocent is. Logisch (?) dat environment issues hier niet aan de orde zijn.

Het is eigenlijk pas de tweede dag dat onze excursie echt begint. We starten de dag om 7u met koffie en een plaatselijk ontbijt: arepa (een vers gebakken maïsbroodje) met ei en platanos (gebakken banaan). Alles wordt geserveerd in plastieken borden en koppen. Het wordt voor ons snel duidelijk dat er hier aan (Chinees) plastiek geen gebrek is. (Zo wordt bijvoorbeeld de koffie in alle koffiezaakjes geschonken in plastieken wegwerptassen. Aan recyclage wordt hier eenvoudigweg niet gedaan.) We vertrekken twee uur later samen met José’s neef die hem tijdelijk bijstaat richting een klein zijarmpje van de rivier, voor het eerst werkelijk het oerwoud in. We worden echter nog even op onze honger gesteld, want veel nieuwe diersoorten krijgen we hier niet op ons bord geschoteld. We horen wel het brullen van de apen. José maakt me al lachend wijs dat er tijgers in de bossen zitten en voor een fractie van een seconde geloof ik hem. De rest van de dag is een duizelingwekkende opeenvolging van verschillende uiteenlopende activiteiten. We bezoeken een dens stukje mangrove-woud, waar we amper binnenraken met de boot. Alle kerels moeten uit de boot springen om ons vehikel vooruit te duwen. Even een voordeel om een vrouw te zijn, want echt happig ben ik niet op de modderboel vol beestjes. Later op de dag krijgen we sowieso nog een modderbad voor onze voeten tijdens een korte wandeling op een nieuw aangespoeld eiland. De grond is het best vergelijkbaar met drijfzand waar je niet in vast wil raken. Op die excursie moeten we dan ook driemaal aanmeren met onze boot alvorens het zand enigszins hard genoeg is om op te wandelen. Je zakt in dit geval alleen maar tien centimeter in de grond weg. Het is een heel vreemde gewaarwording, vooral omdat je niet wilt komen vast te zitten in een modderpoel omgeven door een bruine rivier waar je geen twee centimeter diep kan kijken. Je vermoedt dat er ongetwijfeld gigantisch veel (on)gedierte zit rond te zwemmen. Toch weerhield ons dit er niet van om verschillende keren samen met de plaatselijke familie te zwemmen midden in de Orinoco rivier. Het moet gezegd zijn dat ook zij niet lang in het water blijven spartelen, want echt zwemmen kunnen ze niet. Er wordt lustig met spectaculaire salto’s van de boot gesprongen, maar er wordt even snel terug geklommen in de boot. Het wordt voor ons ook al heel snel duidelijk dat dit niet alleen hun manier is om een douche te nemen, ook hun kleren worden op die manier meegewassen aangezien ze met alles aan in het water springen.

Na een mini maaltijd worden we onmiddellijk opgehaald voor een kanotochtje in een uitgeholde boomstam, zoals de plaatselijke bevolking. We voelen ons een beetje alsof we in een plaatselijke zoo met de Guarau als fauna zijn terecht gekomen. Het lijkt quasi een pretpark-activiteit (we zijn dan vermoedelijk ook niet de gemakkelijkste toeristen om tevreden te stemmen).

Wanneer we na een intense dag ’s avonds aankomen, weten we al uit ervaring dat de muggen in massale zwermen aanwezig zijn en vooral dat ze kunnen bijten. We vluchten direct naar onze veilige haven (ons muskietennet) om beschermingskledij met lange pijpen aan te trekken en deet over ons volledige lichaam te spuiten. Alles tevergeefs want we worden levend opgegeten – door onze kleren heen – door de muggen die duidelijk het witte vlees weten te appreciëren. We worden die avond nog getrakteerd op een nachtelijke uitstap. We varen nog even een aantal andere mensen terug naar hun huis, want de meeste Guarau hebben geen gemotoriseerde boten. In de terugtocht speurt José de oevers af met onze zaklamp. We weten niet goed naar wat we eigenlijk precies op zoek zijn. We zien af en toe eens een glittering in de donkere bosrand, we vermoeden dat het nachtuilen zijn. We blijven verder en dieper in een klein zijriviertje in de duistere nacht varen. We voelen dat José echt zijn best doet om toch maar iets te vinden, wij denken dat het tevergeefs moet zijn. Maar net op dat moment vallen zijn ogen op iets. We kunnen nog niets zien, maar dan … zien we twee ogen en een gladde hoop leder. Het blijkt een gele ratelslang te zijn. In de nacht valt er echter niet zo heel veel aan te zien. We beslissen om de volgende morgen terug te keren. Wonder boven wonder vinden we dezelfde boom heel snel terug. José begint in de boom te klimmen, slaat gedurende meer dan 20 minuten takken weg met zijn armlange machete. Ik dacht dat hij het zicht wou verbeteren, neen niets is minder waar: hij wil de boom makkelijk inklimmen. Na nog wat ‘groendienstwerk’ klimt hij een tweede keer in de boom met een lange stok in de hand terwijl wij onder het beest in ons bootje een klein beetje op ons ongemak zitten. Hij slaagt er in om het beest op de oever te smijten. Hij slaat het beest vervolgens verschillende keren. Wil hij de slang doden? Neen, hij wil het temmen om hem vast te nemen en in zijn nek te leggen. Hij is fier als een gieter.

Een mooie afsluiter van een geslaagd weekend vol uiteenlopende ervaringen en belevenissen.

Het angstzweet van een zeerot

Of: liever in de buik van de walvis dan in de muil van de slang…

27 januari 2015: 17u30:

De tweede motor van onze boot wordt zeer moeizaam in gang getrokken terwijl we langs het laatste stukje palmstrand varen. De 200 paardenkracht van de buitenboordmotor sputtert in het begin een beetje tegen, maar na wat schroef- en knutselwerk, plus het toevoegen van de hoognodige olie, schiet onze polyesteren opgewaardeerde visserssloep van 6 meter vooruit door een verdubbeling aan stuwkracht. Met een slordige 400 pk en een snelheid van meer dan 60 km/u botsen we over het harde water tussen de laatste – met pelikanen bezaaide – rotsjes van Trinidad. We voelen ons betrekkelijk op ons gemak op deze rustige zee. We hebben reeds aan hoge snelheid over de kabbelende golfjes gebeukt aan het Buccoo rif én we hebben tenslotte de Atlantische Oceaan overgevaren, sussen we onszelf. Maar zodra we de veilige golf van Paria verlaten, we de woeste beukende zee aanschouwen én een eerste zijdelingse golf voelen die een flinke portie water binnenkegelt, krimpt ons stoere hartje echt ineen en slaan de twijfels toe bij de betrouwbaarheid van onze driekoppige crew en ons gamel vaartuig…

We kwamen een drietal uur eerder aan bij de ‘Coastguard’ en de ‘Customs’ van Cedros, een dorpje op de zuidwestelijke arm van Trinidad, na een transportdagje vanaf 5u ‘s morgen met een ferry, 3 taxi’s en een minibus en hadden we onze portie ‘onderweg zijn’ voor de dag wel gehad. We zouden enkel eventjes ter bevestiging checken bij de haven wanneer de volgende boot de volgende ochtend zou uitvaren.

Nu bleken er net passagiers voor ‘startklare boot’ gecontroleerd te worden door de douaniers. We konden kiezen tussen meteen meegaan of een twee-, drietal dagen vastzitten op een schiereiland dat bekend staat om zijn drugstrafiek… Je kan al raden wat we kozen.

Het vroeg eerst wat tijd om te ontcijferen hoe alles hier in zijn werk ging. Er liepen douaneambtenaren, militairen, kustwachters, passagiers, toevallige bijzitters en verantwoordelijken van de boot rond. Al snel bleek er één ‘tante’ de plak te zwaaien. We doorliepen alle formaliteiten en betaalden voor allerlei documentjes aan de verschillende spelers en háár alziende oog volgde ons. Haar hulpjongen regelde ook de financiële zaken voor de overtocht en zij keek door haar kleine gluiperige oogjes toe. Zij, tante Zulma, beheerde het geld en trok aan de touwtjes, zoveel was duidelijk. (Waarom we dat eerst niet zagen? Bij ons, in België, lopen de verantwoordelijken meestal niet op Crocks in een afgeleefd roos trainingspak rond…) Allicht hadden we met de bazin geen woord moeten wisselen, ware het niet dat we niet akkoord waren met de prijs.

Als je prijzen wil onderhandelen moet je spelen met de grote jongens, de dikke Zulma’s in dit geval. Zulma, ook wel de ‘reïncarnatie van Grendel’ genoemd aan het einde van dit avontuur, leek ons niet veel onderhandelruimte te geven. Ze vertelde dat er slechts één overtocht mogelijkheid is. Maar onderhandelruimte bestaat in deze regio altijd leerden we reeds! Wij wisten tevens van vorige overstekers dat je Venezuela binnen kan zonder uitgaand ticket. Zulma wou ons een ‘door en terug’ aansmeren “omdat je die nodig hebt voor een visum”. 200 i.p.v. 100 dollar, daar mag een mens al eens lastig over doen. Het spel wordt gespeeld en wij zeggen dat we niet per sé over moeten en dat we wel een andere manier zoeken. Zij speelt uiteraard de kaart van de onbezette plekken terug. Het resultaat: een slordige 120 dollar. Puik gespeeld ook al betalen we nog altijd een beetje te veel. Zeker voor wat we krijgen zullen…

We ontmoeten een gezinnetje dat deze overtocht iedere drie maanden met hun baby’tje van enkele maanden oud moet ondernemen. Ze willen het geluk buiten Venezuela opzoeken en hun studies vervolmaken in Trinidad. Papiergewijs krijgen ze slechts een toeristenvisum geldig voor 90 dagen en moeten ze dus elke drie maanden op en af voor een in- en uitstempel. Ze kunnen echter geen vliegtickets kopen omwille van het maximum aan dollars dat ze kunnen wisselen. Het lijkt ons een ongelooflijk tijdsverlies en een nutteloze rompslomp. Dat het ook nog eens levensgevaarlijke onderneming kan zijn, hebben we op dat ogenblik nog niet gesnapt. En zij duidelijk ook nog niet…

Een tweetal uur later begeeft het poppentheater zich op een kleine betonnen steiger. Uitgestempeld en stouwend met tientallen kartonnen dozen aan goederen die in Venezuela quasi onvindbaar zijn. Onze ‘crew’ blijkt uiteindelijk driekoppig te zijn: Zulma, die 2 plaatsen inneemt, de loopjongen en een kapitein (een man die nooit echt aan land kwam en uitgeslapen in opperste concentratie verzonken lijkt). Onze ‘ferryboot’ blijkt bij het gezelschap te passen: een vissersboot, zoals aan het Buccoo rif,  waarop met polyester en multiplex wanden en een dakje getimmerd werden. In de opgaande wanden zitten kleine openingen waar ooit raampjes ingezeten moeten hebben, maar waar we nu – bij hoogstens enkele van de ramen – kartonnen en plastieken luikjes in kunnen schuiven. Het lijkt een speelgoedbootje dat door de handen van ruziënde peuters is gegaan is en dát is ons transportmiddel.

“Maar waarom komen die twee nu weer in zo’n halfgare situatie terecht?”, “Kikken die op randdebielen en gevaarlijke omwegen?”, “Doen ze dat nu echt met opzet?”, “Het zal wel een gek idee zijn van Tim, ocharme Eline…” en “Vlieg dan toch!” zijn allicht enkele ideeën die door jullie hoofd spoken of die jullie zelfs luidop zeggen tegen jullie metgezellen aan de ontbijttafel op zondagochtend.
Laat ons dus even uitleggen waarom wij hier uit (quasi) vrije wil aanbelandden.

We waren bij ons vertrek uit Kaap Verdië, aan de andere kant van de grote Atlantische plas, dolgelukkig toen we met Stéphane en Charlotte afgesproken hadden om naar Trinidad & Tobago te varen. We hadden net uitgevist dat je van daaruit met een ferrydienst naar Venezuela kon varen. Aangezien we momenteel als ‘overland-en-water-reizigers’ door het leven gaan en geen zin hadden om maanden op de Caraïben te vertoeven, was dat een mooie meevaller.

Toen we echter op een zonnige dag in Buccoo onze reis wat verder planden en de nodige telefoontjes pleegden voor verblijfplaatsen en de ferry, kwamen we te weten dat de ‘ferry’ – een soort ‘huwelijksceremonie bootje’ dat ook soms passagiers vervoert – reeds enkele maanden niet meer uitvoer en dat ook niet meer zou doen zolang de economische situatie in Venezuela niet omsloeg. Deze slechte economische situatie, allicht ook de corruptie aan de grens van Venezuela en de piraterij die in de kustregio hoge toppen scheert, zullen wel allen hun steentje bijgedragen hebben, maar wij – als toeristen – krijgen altijd een beleefde opgekuiste versie te horen.

Na een halve dag van getreur en wanhoop, dat uiteraard gelaafd kon worden met een lekkere rum, besloten we er even het Thorntreeforum van de Lonely Planet bij te halen. Tot onze verbazing ontdekten we dat er enkele toeristen in geslaagd waren de overkant te bereiken per boot! Feestvreugde! Opnieuw met rum! Dat deze overtocht ons bijna evenveel zou gaan kosten als een vliegtuigticket en dat de boot een vissersbootje was en geen deel uitmaakte van een gevestigde organisatie kon ons niks schelen. We hadden een passage gevonden die voor andere mensen gewerkt had! Dat was alles wat telde en het leek ons zeker en vast een originele manier om het vasteland te bereiken.

En hier zitten we dus op onze originele manier: een klamme hand om die van Eline geklemd, kledij doorweekt met zeewater, een hart dat aan dubbele snelheid bonst.

De stroming van de Atlantische oceaan wordt door de zee-engte geperst en speelt met ons plastieken bootje. Een golf duwt ons van onze koers en een flinke gulp water doorweekt ons nog maar eens. De regencover over de tassen, de waterdichte zakken nog eens extra dichtdraaien, zorgen dat we een zwemvestje bij de hand hebben, want dat is het enige ‘rescuemiddel’ die we hebben (terwijl wij alle veiligheidsmaatregelen voor een zeilboot kennen). Laat alles maar nat worden, het kan ons niet schelen, zolang de boot maar rechtop blijft en de motoren het niet begeven (je weet nog wel… die motoren die ze bijna in gang moesten schoppen). Scenario’s van eender welk falen zijn scenario’s waar je niet al teveel wil bij stilstaan, want met deze golven en stroming weet ik niet waar of hoe we ergens langs de Caraïbische kust zouden aanspoelen. Allicht in de staart van de slang… Waarom zou deze zee-engte toch de Boca del Serpiente heten?…

De motoren halen op zijn minst het aantal decibels van een straalvliegtuig. De hulpjongen van Grendel rent af en toe naar achteren om te zien of de motoren, die slechts twee snelheidsstanden blijken te hebben, nog normaal draaien. Dezelfde hulpjongen rent vervolgens weer naar voor om de functie van ruitenwisser te vervullen en ervoor te zorgen dat onze ‘piloot’ door zijn plexiglas ruit de zee voldoende kan inschatten in zijn titanenstrijd met Poseidon. Al die tijd blijft Zulma gezeten. Ze lijkt niks te doen, maar allicht rolt ze haar Michelinbanden heen en weer om het evenwicht te bewaren.

Na vijfenveertig minuten angstzweet doorstaan te hebben, bereiken we de overkant. Hoera! Of toch nog niet helemaal!

(1) Bij het nader bekijken van de kustlijn vinden we geen zandstrandje. Neen, we treffen grote bomen op poten! ‘Enten’ uit Lord of the Rings die niet over land, maar door het water wandelen. MANGROVE dus! Je behoeft niet veel voorkennis om te beseffen dat je allicht nog beter met het zeewater meegesleurd wordt tot iemand je vanuit een (enkele) vissersboot opmerkt dan aan honderd meter per uur tussen die boomwortels te waden met een fauna van piranha’s en kaaimannen.

(2) Bovendien krijgen we de golven nu van achter ons en surft onze opgedreven sloep van golf naar golf waardoor we weliswaar geen water binnen krijgen, maar beloond worden met onvoorspelbare wendingen van links naar rechts. Iedereen lijkt geruster te worden, een foute gerustheid naar ons aanvoelen. Wij, als doorwinterde zeerotten, weten dat surfen op golven de nodige gevaren met zich meebrengt. Hercules (de kapitein, piloot, beschermheer) weet ook dat de strijd met de zeegod nog niet gewonnen is en zijn hemd is natter langs zijn ruggengraat dan vooraan. Zijn blik blijft op oneindig.

(3) De avond begint te vallen en het begint ons langzaamaan te dagen waarom deze mafkezen de motoren zo hard laten brullen en er een ‘stressy’ sfeertje hangt. OK, toegegeven, de voorgaande alinea’s leveren niet meteen een ‘loungie-voetjes-onder-tafel’ context, maar er is nog een ander probleem. We hebben geen lichten om ons herkenbaar te maken en vooral geen lichten waarmee onze kapitein de zee kan inschatten. Er is geen maan en met de sterren alleen wordt het niks.

Om alles nog wat filmischer en spannender te maken zien we in de verte de brandende toortsen. De ontbranding bovenaan een aantal boorplatformen. The Eye of Sauron.

Dit blijkt echter goed nieuws want, schijnbaar uit het niks, wijkt onze sloep naar bakboord een opening tussen de mangrovebossen in. Het water wordt plots … VLAK! Kleine kabbelende golfjes. Een rivier! We zijn de delta van de Orinoco opgevaren. In de verte zien we lieve kleine lichtjes, een nederzetting. Dat moet Pedernales zijn. De zeven hellen zitten er bijna op en het is tijd om beloftes aan elkaar te maken: DIT DOEN WE NOOIT MEER! Zeilboten, zoveel je wil, maar dit… NEEN.

We worden vriendelijk maar kordaat gevraagd de boot te verlaten (wat we met plezier doen) en moeten op een houten palissade klauteren waarop één tafel en één stoel staat. Op deze stoel zit een ‘Guardia National’ (een nationale politieagent die er als een militair uitziet, één van de tien soorten politie in Venezuela), die als enige opdracht het controleren van onze bagage en het opschrijven van ons paspoortnummer heeft. Echt grondig is deze controle niet. Het zou dan ook nog maar al te belachelijk zijn ons te ‘stripsearchen’ terwijl Zulma een bootje volgestouwd met producten (zoals detergent en olie) zonder controle zou passeren. Cadeautjes, vriendjespolitiek… Eender welke vorm van bijverdienen op welk niveau dan ook. We zien het al na twee minuten voet zetten op ‘vaste’ bodem.

Wel, vaste bodem… Pedernales blijkt eigenlijk een eilandje in het midden van de mangrove. De dichtste kleine stad ligt op 150 km in vogelvlucht en de enige manier om je daarheen te verplaatsen, is… OF COURSE, WAAROM OOK NIET… per boot!

Na de controle verlaten we de steiger en dralen het regulier grid van de stad bij nachte binnen. We zullen deze stad uiteindelijk enkel in het donker zien. We wisselen tegen een slechte wisselprijs van 120 Bolívars voor een dollar (ongeveer 20 keer zoveel als bij een bank…) bij onze vriendin Zulma en zoeken onszelf een hotelletje in deze stad, in dit dorp, aan de rand van de wereld. De plaats is een centrum voor oliewerkers en we vinden dus makkelijk, met een beetje afdingen een slaapplaats voor een kleine 5 euro voor twee personen. Voor dezelfde prijs vinden we eten en drinken en we duiken onze slaapzak in voor een korte nacht tussen de reuzenmieren en ander ongedierte en een kamer zonder vensters.

Want om 4u30 staan we al op de steiger te wachten op de eerste overvolle ‘lancia’. De  tickets waren de avond tevoren al uitverkocht, maar we zouden eventueel kunnen proberen meer te betalen. Vruchteloos wachten zo blijkt, want de lancia zit echt vol. Het Venezolaanse gezinnetje dat deze hel morgen nog eens mag doorstaan op terugtocht naar Trinidad, staat samen met ons op de betonnen steiger. Voor hen is deze boot naar Tucupita van vitaal belang, want ze keren zo snel mogelijk naar Trinidad terug, betaalden reeds voor de terugtocht en hebben hun ouders, die meer dan 1500km gereden hebben om hen een middagje te zien, in Tucupita staan wachten.

Rond 5u30 komt een F1 boot aangestoven. NOG EEN LANCIA. Wat volgt is genieten: bij zonsopgang aan meer dan 80km/u over de Orinoco crossen op een bootje met 30 personen! Na een half uurtje blijken we lang niet de enige snelheidsduivels op het water. De lokale ‘busservices’ komen op gang en de bestuurders doen niet liever dan wedstrijdje ‘om ter eerst’ spelen! En wij… wij zijn de snelste!

Door het zien van de andere ‘bussen’ krijgen we een idee van onze eigen snelheid: De boten met ‘400 paarden’ zweven als het ware door het water. Enkel de achterste 2 meter van de 7 meter lange volgestouwde boot blijkt het water te raken.

De boten houden rekening met elkaars stevige golfslag en wijken in grote bochten om elkaar heen op deze 300 meter brede zijarm van de Orinoco. Af en toe zien we toch paniek bij de lokale ‘indianengezinnetjes’ die aan 5 per uur in hun kanootje peddelen. We cruisen langs mangrove, jungle, palendorpen en miljoenen drijvende planten.

De beste rit voor 2 euro ooit!

We komen tenslotte om 8u ’s ochtends aan in Tucupita. We zoeken in een aantal uurtjes uit hoe we onze stempel (om het land officieel binnen te mogen) moeten krijgen, want die stond nog steeds niet in ons paspoort.

Als we tenslotte  bij de vreemdelingendienst aankomen blijkt inderdaad ‘toevallig’ dat we een ticket van onze uittocht uit het land zouden moeten hebben. We weten dat dit zonder lukt – of dat denken we toch te weten – en blijven aandringen dat we verder gaan: “kijk naar ons passpoort, kijk naar de landen waar we reeds doorreisden”. Totale desinteresse. Het wachten kan beginnen en onze documenten reizen een beetje rond door het gebouw.

Wanneer je tijd zat hebt, kan het best wel boeiend zijn om te proberen na te gaan wat er allemaal gebeurt in zo’n immigratiedienst. Om het allemaal wat interessanter te maken, zien we bij de douane ‘toevallig’ Zulma nog een aantal keer voorbij waggelen. Ze blijkt zeer goeie vriendjes met de lokale SAIME (-douaneambtenaren) en ook al mogen wij eerst niet zomaar binnen, als zij in de buurt komt, lijkt alles plots toch wel ‘te werken’ OF beter: beginnen de extreem luie bureaucraten gewoon eindelijk een beetje te werken.

We krijgen een stempel en een toegang voor één maand in ons paspoort en onder die stempel staat “EXTREME” als vervoersmiddel van binnenkomen. Sowieso niet de naam van het bedrijfje van Zulma, maar extreem was het zeker!

In de komende week doen we aan een beetje onderzoek (lees: babbelen met iedereen in ‘Spagnolo’, ons Spaans-Italiaans taaltje) en ontdekken we dat de douane in Tucupita, zoals alle bedrijven, regeringen en diensten in dit land, doorspekt zijn met corruptie: dat de dame van de douane hotels heeft in Trinidad; dat Zulma de oude veerdienst en de concurrentie weggewerkt heeft en de prijzen vertienvoudigd heeft; en… dat je eigenlijk alles naar je hand kan zetten buiten de wet om, zolang je maar geld of vriendjes hebt.

Nu zijn we officieel op het vasteland. Het continent van onze reis is uiteindelijk na drie maanden bereikt. Er is vaste grond onder onze voeten en dat zullen we zeker nog lang zo houden! “Voorlopig geen boten meer” verkondigen we! Benieuwd hoe lang we dat volhouden….

Trintobagian vocabulair

Calypso = muziekgenre van midden 20e eeuw in Frans-Creoolse taal met trage Afrikaanse ritmes. Het is ooit ontstaan als ‘Voice of the People’, als een uitdrukkingsvorm van de conflicten in Trinidad/Tobago met (verdoken) commentaar op zowel sociale als politieke gebeurtenissen. Vandaag is deze muziek beter gekend onder het genre ‘Soca’ (zie verder). Elke dag komen we wel iemand tegen die deze muziek nog brengt, het blijft een ‘cultural heritage’.

Darling = werkman bij Sweetie Pie (zie verder), echte naam is Hewlitt. Maar is meer bekend onder zijn bijnaam Darling, voor ons toch eerder moeilijk om over onze lippen te krijgen… Het wordt al snel duidelijk dat iedereen in Tobago een bijnaam heeft, al vanaf wanneer ze klein zijn. Soms zijn deze bijnamen grof, soms positief, maar je kan die nooit in je leven nog veranderen.

(to) Lime = één van de meest gebruikte woorden op de eilanden! Het is onmogelijk voet aan land te zetten zonder in aanraking te komen met zowel het herhaaldelijk gebruikte woord ‘lime’, als met de alomtegenwoordige zichtbare betekenis. Het Engelse woord dat het dichtst in de buurt komt om de betekenis duidelijk te maken is ‘hangen’. Het is op een aangename wijze je tijd verdrijven met vrienden, een pintje te drinken, beetje niets doen, groentjes roken, beetje feesten, gewoon wat op het strand liggen. Wij hebben de eerste dagen na onze aankomst lustig geprobeerd ‘pro’s’ te worden in deze nationale gewoonte!

Maxi-taxi = het plaatselijke vervoermiddel, meestal een klein Toyota busje voor +/- 10 personen, maar evengoed een grotere bus. Iedereen die langs de weg staat, zelfs niet eens op een specifieke busstop, wordt meegenomen voor het bedrag van 4 tot 14 TT dollar of 50 cent tot 2 euro. Zo zijn wij bijvoorbeeld zeer vlot van Charlotteville tot aan Scarbourough geraakt, een rit van één uur. Op de internationale reiswebsites stonden enige veiligheidstwijfels vermeld over dit vervoersmiddel, maar ter plekke hebben wij hier geen enkel probleem mee ervaren.

Roti = een plaatselijke variant van een Indisch gerecht dat wordt gegeten als middagmaal, als tussendoortje of als late avondsnack (25 TT dollar of 3,5 euro). Het is een hartige (en gigantische) pannenkoek gedrenkt in currypoeder die wordt gevuld met kikkererwten, patatten, eend of schaap … Het deed ons denken aan een kruising tussen een veel te hoge hamburger en een uit de kluiten gewassen durum, geen van beide valt op deftige wijze op te eten, maar het smaakt des te meer.

Soca = is een moderne up-tempo muziekvariant van de Calypso. Het is momenteel zo populair dat dit overal op het eiland te horen is, in alle cafés, winkels, maxi-taxi’s … Het is onmogelijk om te ontkomen aan de hitsige ritmes waar iedereen op meebeweegt, niet alleen omdat het overal wordt gespeeld, maar vooral omdat het volume van deze muziek je bijna naar oordoppen doet grijpen. Wij concluderen dat mensen op dit eiland een gehoorprobleem hebben.

Steelpan = nationaal symbool en muziekinstrument van Trinidad en Tobago, gemaakt en gevormd uit het bovenste deel van een ‘barrel’ of metalen olievat, mogelijk in alle maten en vormen. We hebben zelfs een Italiaanse zakenman ontmoet die speciaal naar Trinidad komt om een collectie ‘steelpans’ te laten maken in één van de enige fabrieken ter wereld, om deze op zijn beurt te exporteren naar Europa. In het dorpje Buccoo hebben we dan wel geen Sunday School (zie hieronder) meegemaakt, we hebben wel de halve finale van de Single Steelpan Competition (samen met de minister van cultuur) kunnen aanhoren. Vijf muziekgroepen van ongeveer 50 man die de ziel uit hun lijf kloppen op eigen gemaakte variaties van zowel plaatselijke als Amerikaanse nummers. De winnende groep krijgt een mooie som geld, maar mag vooral vooraan in de Carnavalstoet van Carnaval Trinidad lopen, één van ’s werelds grootste Carnavalfeesten.

Sunday School ≠ religieuze school, noch catechese van eender welke strekking, maar het feestconcept op ZONDAGAVOND van het eiland Tobago. Iedereen die het eiland bezoekt, kent de party op zondagavond in het kleine vissersdorpje Buccoo. Buccoo is hét feestmekka voor local en toerist. De plaats waar de laatste weekendcenten opgesoupeerd worden. Wij misten het bekende feest, maar kregen er genoeg kleine Lime-feestjes voor in de plaats. En er is in Buccoo nog wel wat meer te beleven… Naast 37 huizen, een wit strand en geitenrenbaan, is er in Buccoo ook het wondermooie koraalrif te bezichtigen. We hebben als luxebeesten genoten van een twee-uur durende uitstap met Captain Thomas en Mr. No (zijn kleine vissersbootje) naar alle bijzonderheden van de Buccoo rif. We hebben kunnen snorkelen met vissen in alle kleuren, een  moddergevecht houden op een, uit koraalsediment gevormd, eilandje, plaatselijke mangroves bekeken, een stukje ‘No-mans’-land bezocht en de tocht beëindigd met hét filmisch idyllische strand van Pigeonpoint. Caraïben ten top.

Sweetie Pie = de ‘landlord’ van ons eerste gasthuis in Charlotteville. Hij ziet eruit als een slordige zwarte man met lange (uiteraard niet gewassen) dreadlocks midden in zijn veertiger jaren. Het is moeilijk in te schatten of hij de conciërgeman is of toch mogelijks de eigenaar van de villa. Na menig gesprekken – zowel in nuchtigere toestand, maar meestal in een zoete waas van groentjes – wordt duidelijk dat hij de man is van een dokteres die op haar beurt eigenares is van de villa. We worden verwend in een appartement dat groter is dan ons vorig huis in de Zakstraat en zeker dan de 15m² van de boot. Perfect om de overtocht even te laten bezinken en een aangename afwisseling om even op adem te komen.

Tut = claxonerende korte tuut om aan te geven dat de gewone personenwagen of ‘route taxi’ passagiers kan meenemen. Alle wagens in Tobago en Trinidad hebben een zeer specifieke begincode  in hun nummerplaat. H = private taxi, T = transport, P = private auto, R = rental car. Wanneer een auto met een P een korte tuut geeft, is het duidelijk dat we met hem meekunnen tot een volgende plaats voor een minimale vergoeding. Het is een fantastisch efficiënt (en veilig) systeem, aangezien de bussen niet al te vaak (lees: 2 keer per dag) rijden.

Tuut tuut = één van de vele tuut-codes op de weg. Tweemaal kort claxoneren is een snelle manier om merci te zeggen aan een andere chauffeur.

TUUUUUT = “domme gast, waar ben jij mee bezig.” Die kennen we bij ons ook.

West-indies = zijn niet de mensen die in het westen van Indië wonen. In het Britse Imperium werd bij het benoemen van de Commonwealth volkeren een onderscheid gemaakt worden tussen de Indiërs in India en de Indiërs (of Indianen) die Christoffer Columbus dacht te hebben ontdekt. De Caraïben en de Guyana’s werden als West-Indies benoemd. Als gevolg van het koloniaal Brits verleden in Trinidad is bijna de helft van de bevolking Hindu, overgebracht vanuit India. (Toevallig in de periode dat de zwarte slavenbevolking een beetje in opstand kwam). De Hindu tempels getuigen hiervan.

(to) Wine = op een zeer suggestieve (sexy) manier dansen op de ritmes van Calypso of Soca. De man raakt de vrouwelijke verleidster niet met de handen aan, maar schuurt (of grind) zijn opperdijbenen tegen de hammen van het vrouwtjesdier aan.

Zulma ≠ een Trintobagions woord. Het is de vrees van elke reiziger die een zee over moet, de gereïncarneerde versie van Grendel. Ze is een veel te dikke vieze tante die samen met haar handlanger de enige veerbootdienst verzorgt tussen Cedroz op Trinidad en Pedernales in Venezuela. Wij vertrokken in dit – veel te kleine – bootje, met ongeveer 10 mensen aan boord, in het idee dat dit een tocht zou worden van 40 à 60 min. Zodra we de laatste rotsen van Trinidad voorbijvoeren bleek dat het iets langer zou duren dan verwacht, de zee-engte woester was dan verwacht en dat de nacht verrassend snel kwam aanzetten. Wordt vervolgd …

Het ritme van de zeerot 3

Het gegeven dat jij dit bericht te lezen krijgt, betekent uiteraard dat deze twee heldhaftige zeerotten de overkant heelhuids bereikt hebben! Ofwel was je er al van op de hoogte via een Trans-Atlantische postduif, ofwel was je er ongelooflijk gerust in. Er kwamen in elk geval geen bezorgde berichtjes in onze richting. Mogelijks was je ons al een beetje vergeten of vliegt de tijd – door het vele werken – bij jou zo snel voorbij?!?? ‘No hard feelings’, want stiekem vergaten wij ook heel de wereld terwijl we eenzaam op ons bootje dobberden. Maar nu we opnieuw drie weken in het o zo harde reisleven zitten, is het tijd voor een derde zeeverslagje, of neen, iets heroïscher: DE QUEESTE VAN DE GROOTSE ATLANTISCHE OVERSTEEK! DE HISTORISCHE “ROUTE DE RHUM”!

14 januari 2015, 6u30 GMT -4,

Na 17 dagen op zee turen Eline en ikzelf in de verte. We zijn moe. Eline heeft het roer in de handen geklemd. Ik, Tim, houd de verrekijker aan mijn ogen en tuur bij schemerlicht in de verte op zoek naar… LICHT(!!) van de vuurtoren! JAWEL! Een silhouet. En neen, het is geen wolk, het is geen water! Het is land! Het is een plek waar we met onze voeten vrij kunnen gaan en staan, zonder heen en weer te deinen. Het kan, het is echt, de GPS liegt niet. LAND IN ZICHT!!!! “TERRE!! TERRE!!” roepen we onze Franse lotgenoten wakker! Er verstrijkt een uur vol verbazend staren. Het pastelblauwe silhouet wordt langzaamaan donkergroen. Het groen krijgt meer en meer schakeringen en blijkt een amalgaam van verschillende bomen en planten te zijn. Het lijkt een hallucinatie, een verlengde van onze roes. Een gesammterlebniss van natuurelementen. Door de lucht kruipen allerlei vreemde tropische vogels, wij vliegen over het dek heen en weer, we voelen het groen naderen, ruiken de veilige haven, zien het stormgedruis en horen we het witte schuim van de golven en dan…

Een homo Sapiens! Een eilandbewoner! De mensheid is niet vergaan terwijl wij van de radar verdwenen waren! Een visser scheert tussen de machtige rotsen en over de woeste baren in zijn houten sloepje met twee vislijnen. Het is het eerste bootje dat we zien na 17 dagen. Het eerste geluid dat niet door de natuur of door onszelf geproduceerd wordt.

Eén vissersboot worden er meerdere. Goedlachse Rastamannen met ‘fluo-raggaekleurige’ sloepen wuiven ons toe. De natuur is adembenemend. Een half uurtje later, nog steeds met de mond open, in een – schijnbaar eeuwig durende – dronkenschap van water en wind, draaien we naar bakboord, halen we de reservefok (reserve… jaja, dit is een flashforward in het verslag en niet alles verliep tijdens deze overtocht van een leien dakje) naar beneden en zijn we omsloten door een magische baai met blauwe wateren en honderden variaties van tropische fauna en flora: palmbomen, kokosbomen, bananenbomen, cacaobomen, vogeltjes van alle soorten, pelikanen die het water induiken, krioelende vissen en enkele kleurrijke barakken aan de waterkant.

Bestemming bereikt: Caraïben – Kleine Antillen – Trinidad & Tobago – Tobago – Provincie Roxborough – Charlottesville – Man of War Bay – PIRATES BAY (als van: hier hebben echte piraten geleefd!).

En nu even “back, back in to time…” (als je de tijd neemt om dit lange verslag te lezen op een zondagmorgen, mag je gerust de FM-tuner op radio2 zetten en Guy Deprez de muziek laten kiezen ;-) )

Een kleine drie weken te voren, op 26 en 27 december, wordt de laatste hand gelegd aan praktische en mentale voorbereiding in de haven van Mindelo, Cabo Verde. De waterreservoirs worden met 400l vloeibaar goud gevuld; we vullen de – onlangs gemaakte – netten met fruit en groeten; controleren de lijsten met conserven, bokalen en brikken nog eens; rekenen de hoeveelheid bloem voor het brood na; en kuisen de romp van de boot (daarmee winnen we mogelijks nog een halve knoop of één km/uur of anderhalve dag!).

Op 28 december is het dan zover. Afscheid van de haven van Mindelo. Een laatste adieu aan de vele nieuwe ontmoetingen. De aanmeertouwen losgooien. ‘Onze Loya’ de haven uit- en de baai insturen; allen op het dek; wuivend en lachend zoals de andere uitvaarders het ons voordeden; en de zeilen hijsen. Een lichte bries voert ons de baai uit. Het begin van (allicht) het grootste wateravontuur van onze reis.

Niet wetend hoeveel dagen we nodig zullen hebben voor de 2200 zeemijl of 4000 km, varen we af met grote moed en – toch af en toe – een klein hartje. Wel hebben we de achtergrond dat de winden rond deze tijd van het jaar meestal stabiel zijn en dat de alysee corzolus stromingen aan een kleine 2 knopen het hele jaar door in de goeie richting stromen. Dat we theoretisch dus tussen de 14 en 20 dagen aan 4 tot 7 knopen volledig op elkaar en onze boot moeten vertrouwen.

Enkele uren later verdwijnt het silhouet van Saõ Vicente en zakt de zon onder de horizon. We nemen elk onze uren van de nachtwacht opnieuw aan en laten ons overvallen door het ritme van het bootleven. Worden weer tandwieltjes in het geoliede systeem van ons bootleventje. Worden weer snel iets meer geheel dan individu. We doen dit grotendeels onbewust en intuïtief omdat we ondertussen reeds ‘aan den lijve’ ondervonden dat dit een aangenaam geruststellend gevoel is in deze vijandige, onnatuurlijke, desolate waterwoestijn.

De eerste negen dagen vormen één continuüm. De golven variëren tussen één en vier meter en liggen soms kort, soms een vijftigtal meter uit elkaar. De boot wiegt heen en weer in de verblindende zon, soms rustig, soms geagiteerd. Aan de horizon hangen elke dag wolken, maar er valt geen enkele druppel regen.

De oceaan is eindeloos, maar ook begrensd. Je weet dat er voor meer dan 1000 km rondom rond geen land te bekennen is, maar daar krijg je geen grip op. Bovendien is het zicht op deze oneindige vlakte beperkt. Door de ronding van de aarde en onze ooghoogte op 4m hoog, zien we de waterhorizonlijn op enkele kilometers. Je lijkt in een glazen stolp te varen. Een stolp waarin je alleen bent. Een klein speelgoedbootje met rondom je de dôme van de ‘Truman show’, met het gigantische verschil dat niemand je gade slaat, integendeel.

‘s Nacht gaan de lampjes van deze koepel aan en krijgen we miljoenen sterren te zien. Tijdens de nachtwacht krijgen we de kans om deze in alle rust op ons eentje te observeren. Hoewel er repetitie in elke nacht zit, zijn het toch de subtiele veranderingen die gaan opvallen. (Waar moet een mens anders op letten als de automatische piloot ons in de goeie richting voert en er gedurende daaaaagen geen enkel bootje te bespeuren valt?) Nieuwe geluiden op de boot; lichte verschillen in windrichting; nachten met andere bewolking; meer en minder lichtgevend plankton; de beweging van de hemellichamen die elke nacht een beetje anders is: de zon gaat elke dag wat later slapen, want elke 15 graden op de wereldbol betekent een uurtje later; hetzelfde geldt voor de sterren; en de maan, die staat elke dag nog eens 50min later op bovenop het verplaatsingsverschil.

Overdag leven we met elkaar en naast elkaar. De boot is te klein om alles samen te doen en bovendien houden we allemaal op een verschillend uur een siësta. Om de twee dagen wordt een douche genomen als de zee het toelaat. Een douche… niet helemaal zoals thuis. We verbruiken voor de douche 5l aan zoet water op 8 dagen met 5 personen. Dat betekent: wassen, inzepen en spoelen met zeewater om je uiteindelijk een beetje te besprenkelen met zoet water in een verstuiver. Ongelooflijk efficiënt en HEERLIJK. (Op 17 dagen zullen we trouwens in totaal slechts 250l met 5 personen verbruiken: dat betekent 3l per persoon per dag om te drinken, te koken, te wassen en te plassen).

Alles verloopt naar wens de eerste negen dagen. We leggen per dag ongeveer 150 zeemijl af aan een gemiddelde snelheid van 6 knopen (12km/u). We schrijven een beetje, we lezen een beetje, houden onze zeemijlen bij, geven les wiskunde en Engels, vissen met het materiaal van neef Jeroen (en met de grote vislijnen en vishaken van Stéphane) en studeren wat Spaans. Afgezien van het breken van een tangon (hulpstuk om de fok of spinakker open te houden) en het uitvallen van de frigo (toegegeven, dit is een beetje vervelend maar we overleven door de eerste dagen veel verse waren te eten) verloopt alles vlekkeloos.

Maar… op 7 januari wordt deze rust verstoord.

Om 17u – een tweetal uur voor het ondergaan van de zon – gaat de wind even vallen en willen we de rolfok (of rolgenua voor de kenners) wat meer openen. We merken echter dat de rolfok wat vreemd reageert. Het rolsysteem lijkt te blokkeren. Dit gebeurde reeds voordien, maar met een beetje prutsen aan het rolmechanisme konden we dit toen eenvoudig verhelpen. Deze keer blijkt de oorzaak echter van een geheel andere grootte-orde te zijn. De ‘étai’ of voorstag blijkt bovenaan doorgeknakt. De nieuwe voorstag werd vorig jaar nog maar vervangen in Frankrijk. Dit is dé belangrijkste stalen kabel van de boot die de mast aan de voorkant op z’n plaats dient te houden. De rolfok (inclusief rolsysteem) hangt enkel nog met de fokkeval (het touw om de fok omhoog te trekken) vast. De mast wordt bijgevolg ook enkel met deze val vastgehouden. Dat houdt het risico in dat de mast achteruit naar beneden kan vallen en dat gevaarte wil je echt niet op je boze bolleke krijgen!!

Gelukkig staat ons grootzeil niet open en wordt er dus achteraan geen kracht uitgeoefend op de mast. Daarnaast heeft onze kapitein een ‘reservevoorstag’: een kabel die dient om een tweede fok te monteren en heeft dus een veel kleinere diameter. We beveiligen de mast met deze voorstag en twee vrije vallen (touwen). Hiermee is de mast voorlopig alvast beveiligd.

We kunnen echter de rolfok niet meer gebruiken, want met een dergelijk zeiloppervlak, dat we niet kunnen oprollen noch naar beneden halen, is het levensgevaarlijk om verder te zeilen. Het rolsysteem met een metalen buis van 14m lang (inclusief het fokzeil) moet naar beneden. Ook zonder technische details zal het jullie wel duidelijk zijn dat dit op het midden van de oceaan, op een bootje van 11,5m lang (korter dan het rolmechanisme) met tientallen kabels, zonnepanelen en een kleine windturbine, geen sinecure is.

Net voor het vallen van de nacht slagen we er met verenigde krachten in om deze opdracht tot een goed einde te brengen zonder verdere schade aan zeilen en tuig te berokkenen. We hijsen de reservefok en nemen onze koers opnieuw aan. Er wordt geklonken op de goeie samenwerking, maar de rum smaakt bitterzoet: de reparatie zal enkele honderden euro’s kosten en de beveiliging van de mast is iets minder sterk dan de originele dikke kabel die gesprongen is. Daarnaast zullen we het grootzeil de komende dagen niet meer kunnen heisen, is de reservefok een beetje minder groot én als de wind echt gaat opzetten, moeten we de reservefok vooraan op het dek manueel naar beneden halen.

23u40 dezelfde avond is het al zover… Charlotte houdt de eerst nachtwacht. Wij liggen net een uur in ons bed. De boot helt zeer sterk naar stuurboord en de boot verdubbelt plots in snelheid. Charlotte roept ons allen in paniek wakker. Stéphane observeert de situatie heel even. De snelheid neemt toe tot 10 knopen. Het is duidelijk, we worden ingehaald door een storm, de wind zal nog toenemen en we kunnen de fok niet oprollen. Één minuut later zijn we gekleed in harnas en reddingsvest. Wij twee nemen het roer en de schoten in de cockpit over, en Stéphane en Charlotte rennen naar de mast om de fok naar beneden te halen terwijl de boot schuin door de golven beukt. De spanning is te snijden.

De fok komt – gelukkig – vlot naar beneden en wordt vastgelegd. We zetten even de motor aan en het stormzeil wordt gehesen. Alles verloopt volgens het boekje en de situatie is snel opnieuw stabiel. Gerust slapen zullen we die nacht echter niet doen: dat is een beetje moeilijk bij stormweer van dit kaliber. Met het stormzeiltje – een zakdoek van nog geen 4m² – beweegt onze 11 ton wegende boot nog aan 7 knopen en de wind haalt constant snelheden van boven de 100km/u.

We weten echter dat onze dag- en nachtshiften in de komende dagen blijven op ons wachten en proberen toch onze ogen toch te sluiten tot… om 8u ’s morgens de woelige nacht nog eens bekroond wordt met een golf die langs de verluchtingsgaten en de deuropening binnen dondert.

8 januari is voor ons een dag met golven van 6 meter hoog en windkracht 10. We zetten de hele dag geen voet buiten zonder onze levenslijn vast te klikken. We sluiten de toegang naar het woonvertrek steeds en zitten één voor één alleen buiten terwijl we regelmatig met zoutwaterdouches verwend worden. Wanneer we niet buiten zitten, proberen we afwisselend een beetje te slapen. Ook deze benarde situatie op stormzeil lijkt te wennen. De menselijke geest heeft ongekende grenzen.

In de volksmond gaat het spreekwoord “alle goede dingen bestaan uit drie”, maar blijkbaar geldt dit ook op zee voor tegenslagen. Alsof het verliezen van rolfok en het belanden in een storm nog niet volstonden, voelen we de boot rond 21u van haar koers afwijken en zeer scherp naar bakboord hellen. Vervolgens horen we luid TUUTUUTUUT. In drie seconden is iedereen wakker, rennen we naar buiten en grijpen het roer vast! Geen automatische piloot meer – déjà-vu.

We beslissen twee aan twee het roer ter hand te nemen en de volgende ochtend het mechanisme van de automatische piloot te controleren. Na een tweede lange nacht en een korte check-up van de autopiloot stellen we de volgende diagnose: een golf in onze flank deed de boot van de koers afwijken en de automatische piloot probeerde ons met veel power terug te duwen. Ergens vanbinnen in de radertjes van de elektrische motor liep iets mis door de te grote kracht. Repareren van dit motortje is onmogelijk op zee. Wat ons te doen staat is eenduidig, maar niet plezierig: twee per twee in de cockpit aan het roer tot we aan de overkant zijn. Nog 1000 zeemijl te gaan!

Stevige dagen volgen – zowel fysiek als mentaal – maar de tegenslagen houden hier gelukkig op. De wind blijft krachtig, maar vermeerderd niet in kracht. De golven blijven hoog als huizen, maar de gekruiste golven nemen langzaamaan af in sterkte en het interval wordt groter. Na twee dagen worden we tenslotte beloond met een eerste zonnestraaltje en na drie dagen kunnen we een zee-douche nemen om het angstzweet af te spoelen.

De laatste vijf dagen zijn tenslotte op karakter. Zes dagen van slapen, eten en sturen in intervallen van 3uur … tot…

LAND IN ZICHT!!!!

Saudade

Saudade, melancholie,

12/01/2015, 15u17, GMT-4 (of -5); 11°10.419N, 57°18.233W (zoals je kan zien op google maps een rustig gebied); op 2000 zeemijl (kleine 4000km) van Mindelo, Saõ Vicente, Kaap Verdië; 15 dagen navigeren, zonder het zien van land of enig teken van leven, waarvan 6 dagen met behoorlijk afwijkend en hitsig gedrag van moeder natuur.

Saudade, de melancholie naar Kaap Verdië,

Het gemis van land en het zien van enig ander leven dan enkele dolfijnen en vogels, de honger naar land en het ontmoeten van een gemeenschap…

Op een zwoele avond bij Alberto, de waard van Café Lisboa, in de veel bezongen Rue de Lisboa vragen we een muzikant wat het alomtegenwoordige motto Saudade inhoudt en deze vertelt ons dat het onmogelijk is deze gesammterlebness uit te leggen zolang we Kaap Verdië niet verlaten hebben, maar dat hij het op z’n acuraatst kan beschrijven als een warm gemis met een positieve wrong of bij benadering… melancholie. Misschien staan we na 2000 zeemijl al ver genoeg om het begrip wat onder de loep te nemen. Waggelend aan 10km per uur met 5000m water onder ons en met blanco blad op de schoot ga ik op onderzoek.

Saudade, een verwarrende blik op onze tweede eilandengroep in de Atlantische Oceaan,

Mindelo leeft! Ze bezorgde ons mooie avonden vol live muziek op terrasjes, in bars, in straten, op pleinen en in de haven. Ze stond als transporthub garant voor ontmoetingen met mooie mensen. Ontmoetingen met toeristen – uiteraard want dat blijft de toegankelijkste groep, op welke manier je ook reist – maar ook met locals. Kaap Verdiërs die ons meenemen naar hun dorp, bestaand uit een tiental woningen in groene valleien waar het water 30m uit de grond gepompt dient te worden om überhaupt een groene vallei te kunnen worden in dit woestijnachtig klimaat.

Het droge eiland is ‘an sich’ een onbewoonbare plek. Er is geen water en er hangt dag in dag uit een mist van Sahara-zand die op z’n best een zichtbaarheid van 10km (maar vaak slechts 2km) toelaat. De Kaap Verdische eilanden waren dan ook onbewoond tot de Portugezen de eilanden toevallig ontdekten in de 16de eeuw. Toevallig omdat dezelfde ‘Sahara-mist’ de eilanden bijna onvindbaar maakt.

En waar konden ‘onzichtbare’ eilanden beter toe dienen dan praktijken die men liever ver van de eigen beschaving hield, zoals slavenhandel? De eilanden waren ver genoeg ‘off-the-radar’ en werden door de verscheidene Europese grootmachten als ‘mensenveehandelplaatsen’ gebruikt. De eilandbewoners zijn bijgevolg Afrikanen met allerlei inmengingen van kleuren.

Een recent onderzoek bracht wat meer specificiteiten van deze kleurenmishmash aan het daglicht die we ook jullie niet wensen te onthouden: het grootste aandeel van mannelijk DNA in Kaap Verdië is afkomstig uit de westerse landen en het grootste aandeel aan vrouwelijke genen heeft een Afrikaanse oorsprong. Wat betekent dat? Daar hoef ik toch geen tekeningetje bij te maken? En door de economische problemen van het land en een aanhoudende ‘vraag en aanbod’ blijft deze gen-verdeling duidelijk aanwezig. Ik hoef me maar twee minuten alleen op straat te begeven na 22u en er wordt al één of andere ‘chopchop?/quick shag?’-vraag gesteld (Ja, deze blog wordt door Tim geschreven…). Er lijkt ook geen taboe te hangen over deze vorm van inkomsten. De waard van Café Lisboa bijvoorbeeld, laat deze jonge vrouwen in zijn etablissementje toe zonder probleem een glas drinken.

De eilandengroep heeft geen exportproducten. De externe input komt er door de financiële steun van familieleden in het buitenland en ontwikkelingshulp van Europa (die volgens de nodige geruchten niet altijd/niet al te vaak op z’n plaats terechtkomt). Daarnaast zijn er kleinere inkomsten via toerisme en visvangst. Hoewel die visvangst mogen ze binnenkort op hun buik schrijven nu de Chinezen de wateren komen leegvissen en de zeebodem kapottrekken met hun sleepnetten, die door internationale wetten verboden zijn. (http://www.seashepherd.be/).

Het blijft ook vandaag, ondanks de technieken van het ontzouten van zeewater, ondanks externe investeringen en ondanks een grote import van overzeese goederen, een onbewoonbaar en ook wel een onbereikbaar eiland. De (toeristische) status van de eilanden wordt bovendien niet bevorderd als de wereld doorgaat met het vervuilen van de oceanen. We konden met onze eigen ogen vaststellen dat op een ongerept stuk strand aan de oostelijke zijde van het eiland Sao Vicente kilometers lang tònnen plastiek aangespoeld zijn.

Saudade, de warme melancholie in de stem van Cesaria Evora,

Een vrouw die één is met haar stad en met haar muziek. Een vrouw wiens stem gevormd is door het inademen van de warme zanderige lucht van de Sahara. Ze heeft nooit háár Mindelo willen verlaten om het succes na te jagen bij grote buitenlandse producers. Iemand die steeds voor haar stad heeft willen zorgen en blijkbaar haar deur nooit sloot voor haar stadsgenoten. (Haar deur stond nog steeds letterlijk open en haar zoon zat voor de deur.) Een zorgzaamheid die we op meerdere plaatsen in deze arme stad dagelijks terugvinden.

Mindelo is een stad waar armoede op de straat meteen zichtbaar is. Kinderen lopen er blootsvoets rond en willen je eender wat helpen dragen om nadien een stuiver te verdienen. Maar ook al zijn deze jongeren straatkinderen en is hun toekomst door het ontbreken van een thuis en een volwaardige opvoeding uitermate onzeker, toch zijn ze niet alleen. Er heerst een ongelooflijke solidariteit tussen de bewoners, tussen de mensen die het al niet-overlopend-breed hebben. Zo zien we bijvoorbeeld kinderen gratis eten krijgen aan de kiosk nadat wij ons soepje betaald hebben of vernemen we dat ze steeds water krijgen van hun stadsgenoten.

Saudade, de melancholie naar een niet-verminkte-stad,

Een stad met een inerte schoonheid en eigenheid. Een complexe mengeling tussen een koloniaal grid met neoklassieke publieke gebouwen, orthogonale ‘cardo-decumanus-hoofdstraten’ en een eigenwijs gebruik van de kronkelende steegjes en pleinen – die met een duidelijk beleid en een minimum aan opknappingswerk een pareltje in de Oceaan zou kunnen zijn.

Het is te begrijpen dat een jonge democratie grotere zorgen heeft dan het opknappen van de stad. In de eerste plaats dient er iets gedaan te worden aan de jonge demografische ‘boom’ en het tekort aan volwaardig onderwijs, maar toch doet het bij deze jonge architecten pijn om te zien hoe enkele fatale mutaties duidelijk om financieel opportune redenen toegestaan werden. Opportuun voor de staatskas of voor de eigen portemonnee, dat laten we nog in het midden.

Zo werd ooit een centraal plein aan de waterkant ontworpen bij het uitzetten van het stadsgrid. Een plein op één as met het gemeentehuis en het mooiste zicht op de baai. Een plein dat aan drie zijden omsloten was door drieverdiepinghoge gebouwen en aan één zijde door azuurblauwe wateren, witte stranden en idyllische sloepjes in het water. Voor dit plein werd een ‘flashy’ shoppingcomplex neergepoot in het water met daarin een decadent zwembad dat onbetaalbaar is voor de lokale bevolking (waar ‘blingbling-kijk-dit-is-modern-smaak’ primeert). We vernemen tot onze spijt dat een van de uitbaters van het splinternieuwe luxecomplex Belgen zijn. Het zicht dat democratisch gezien aan de stad en haar bewoners toebehoort, werd hierbij afgenomen. De potentieel mooiste plek van de stad werd gestolen van de armen en gegeven aan de rijken, de Europese toeristen en de expats.

Daarnaast is er de Marina, de jachthaven uitgebaat door een Duitser die er de voorzieningen van een doorreishaven met Europese standaarden voorzien heeft. Een project dat welkom is voor de ‘transat-vaarders’ op doortocht, voor de stad als extra inkomstenbron en uiteraard ook voor de investeerder die zijn kapitaal dagelijks ziet aandikken. Maar dit project is vanuit de stad gezien één groot misbaksel. Ze blokkeert opnieuw het zicht op de baai vanuit de hoofdstraat. Doordat er geen ‘buffer’ met het hart van de stad gecreëerd wordt, herinnert de haven op elk uur van de dag de tegenstellingen tussen ‘wij’ en ‘zij’, tussen rijk en arm. Dit blijkt uit de dagelijkse gelukszoekers aan de inkom van de haven die door een kleine helft van de booteigenaars straal genegeerd worden. Die frictie mag er zijn, want is onvermijdelijk als er ‘dikke jachten’ liggen, maar mag niet op zo’n vulgaire manier in het gezicht van de stad gebeuren. De stad mag niet zo hard en cynisch in het hart geraakt worden.

Zo zijn er onnoemelijk veel voorbeelden in de stad. En begrijp me niet verkeerd, buitenlandse investeringen zijn niet slecht, maar als het om ingrepen in de stad gaat, zou een doordachte visie als tegengewicht voor ontwikkelaars zeker geen kwaad kunnen. Maar opnieuw, dit is niet eenvoudig in een staat waar de armen met €150 per gezin per maand moeten rondkomen en de rijke expats en locals met BMW’s, Porsches en Hummers rondcruisen, waar de chinezen illegale visrechten afkopen en de voormalige gouverneur onder het mom van een kippenboerderij met Europees geld zijn eigen villa op de top van de berg liet bouwen.

Maar ondanks dit alles lijkt deze stad eenzelfde veerkracht als zijn bewoners te hebben en zit de schoonheid in de kleine projectjes zoals een geschilderde gevel, een kerstboom met kadootjes voor de straatkinderen, een kerstmarktje en kleine kantines.

Saudade, de verlammende werking van het leven in de geschiedenis,

‘Wie steeds achterom kijkt, blijft stilstaan’, ‘Engel der Geschichte’. Het is mooi weg te dromen naar grootse tijden. Wij doen zelf niets liever dan Cesaria Evora voor de vijftiende keer op één dag te bewonderen.

Maar wacht even… Voor de vijftiende keer op een dag en dat reeds voor tien dagen? Haar stem doorheen de speakers  van de bus, de bank, de bar, de markt… of de stem van een van de vele live-muzikanten die haar liederen in oneindig herneemt. Ze is alomtegenwoordig ook al is ze reeds enkele jaren overleden. Ze leeft nog dagelijks in Mindelo, was er een ‘Messias’ en is er nu een ‘godin’. Een godin die een springplank naar de wereld betekent voor de vele jonge artiesten. De bars waar ze ooit kwam, pronken met hààr; muzikanten dwepen met hààr; de markt waar ze heenging, draagt hààr naam. Maar – op de één of andere manier – zorgt net dit ervoor dat er schijnbaar niet zoveel meer verandert. Het lijkt tijd voor een nieuw heldenverhaal in Mindelo.

Saudade, de melancholie naar de (her)nieuw(d)e ontmoetingen,

Al deze bedenkingen behandelen ‘Saudade’, maar wat dat voor ons specifiek betekent is: het gemis naar wat we er beleefd hebben en wie we ontmoet hebben en niet meteen terug zullen zien; een positief terugkijken – niet echt een gemis zoals bij het verlaten van je geliefden – het terugblikken met de mondhoekjes licht omhoog gekruld en een mijmerende blik op oneindig.

We ontmoetten er een jong koppel Bretoenen op de Gaia, Clémentine en Quentin, die er als uitgestelde huwelijksreis even een jaartje op uittrekken met hun sportieve zeilboot. We spenderen vele mooie avonden samen, liggen een weekje voor anker naast elkaar en vieren samen op hun boot met vele Bretoenen een tweede kerstmis. Tegelijkertijd is het een afscheid met gitaar, zang en enkele liters rum die de hele haven wakker hielden (http://magicmeridian.wordpress.com). We zien er oude bekenden terug met wie we in Tanger samen aangemeerd lagen, de Liber. We nemen er afscheid van de Geamundia, Ludo, Laurence en hun twee kinderen (http://gaimundia.over-blog.com), met wie we een maand samen voeren.

We zwaaiden er dagelijks avontuurlijke zielen uit die de grote overtocht afblazen. Het zijn allemaal vrolijke lieden waaronder enkele opmerkelijke jonge kerels die de tocht rond de wereld aangaan op enkel en alleen hernieuwbare energie (ja, er wordt nog af en toe eens een motor aangestoken in de zeilwereld, http://www.ecosailingproject.com/en) en een jonge Litouwse vader met zijn dochter en een vriendin (Saulius, Kotryna en Ugne, we-ondertheappletree) die eveneens een energie-arm verhaal aangaan. Het opmerkelijke verschil tussen deze twee laatste ontmoetingen is hoeveel hoogtechnologie en bewustmakingmarketing er rond het energieproject van de vijf fransen hangt en hoe daar tegenovergesteld de man uit Litouwen gewoon een houten sloepje van 11m zonder zonnepanelen, windturbine of motor bezit en dit de normaalste zaak van de wereld vindt.

De ontmoetingen met personen die bijna je buren in België zouden kunnen zijn, maar die je op deze plek ontmoeten moet, zoals Patrick en Leentje (http://patrickleentje.com).

De ontmoeting met de vele opstappers die er een laatste boot voor hún grote overtocht vinden. Waaronder Cécile (www.incamazonie.wordpress.com), Doris en Haus (www.riocaja.ch), Mathieu, Damien en Pauline, …

De ontmoetingen die we ons herinneren uit het begin van onze reis zoals Sergine en Bruno en hun boot Erimus Una met wie we eventueel hadden kunnen meevaren het eerste stuk. Elizabeth van de boot Saltypaws die ons een inleiding in bootveiligheid gaf. Tony en Audrey die ons hartelijk ontvingen en ons vurig vertelden over hun vier jaar leven op een houten boot (www.aleapoffaith.org.uk).

De ontmoetingen met personen die het toerisme op het naburige eiland Saõ Antaõ (een eiland vol natuurlijke pracht) helpen vorm geven in samenwerking met de bewonners. Een fransman met een B&B die hij samen met lokale bevolking uitbaat (Casa Espongeiro), een Duitse dame met een creoolse man die rondleidingen verzorgt (www.viptours-caboverde.de) en een Belgisch koppel die een hotel aan het ombouwen is dat op een mooie locatie ligt van waaruit het bijzonder groene eiland van Saõ Antaõ makkelijk te verkennen is (www.caboverdedreamtravel.com).

De ontmoeting met Santa Luzia, een echt onbewoond eiland.

De ontmoeting met…

De ontmoeting met een eiland dat we nooit gedacht hadden te bezoeken en die in ons geheugen gegrift blijft staan. Melancholie in het midden van de Atlantische Oceaan… Buon dia Mindelo!

Het ritme van een zeerot, deel 2

Kling, klang, bats, boem, krrrr … alles beweegt altijd, soms op het ritme van de golven, soms in tegenritme, soms overlappen drieëndertig ritmes elkaar. Het hout kraakt op alle mogelijke manieren. Alle touwen hebben hun eigen geluid. Elk zeil heeft zijn specifiek lawaai. Alles wat niet is vastgemaakt, valt, botst of kletst tegen de grond. Je probeert je te bewegen in de boot, naar beneden te wandelen op de trap en je moet je heel goed vasthouden om niet te vallen. Je wil iets nemen uit de frigo, je moet hard opletten dat niet de volledige inhoud van de frigo op de houten vloer beland. Je onderneemt een poging om naar het toilet te gaan en dat blijkt toch niet zo evident als op het eerste zicht lijkt. Je probeert de slaap te vatten, terwijl je tracht niet uit je bed te rollen …

Het tweede vertrek vanuit de Canarische eilanden naar Kaapverdië is geschied: zes dagen van intense navigatie. We hebben alleen nog maar winden gehad die de uitersten opzoeken: de eerste drie dagen waren heel stevig met windsnelheden van gemiddeld 40 knopen (en dat terwijl we al heel tevreden zijn met 15-20 knopen), de laatste drie dagen was er helemaal geen wind. In gewone omstandigheden gebruiken we tijdens de (grote) overtocht geen motor om benzine te sparen indien we een noodgeval hebben. Hadden we een noodgeval tijdens onze tweede helft van de tocht? Niet echt, maar we hebben toch gekozen voor een beetje comfort, want we hadden een klein probleempje.

Op de vierde avond van de zeiltocht, tijdens het avondmaal zitten Charlotte en Lola binnen, want het is aangenaam warm in de carré. Stéphane, Tim en ik zitten buiten te genieten van de laatste strepen ondergaande zon terwijl de golven ons heen en weer schudden. We spelen de laatste hap net binnen, onze borden zijn nog net niet helemaal uitgelekt of Stéphane en Tim springen recht. De één sprint rechtstreeks naar de binnencockpit, de andere neemt direct het stuur over. Stéphane controleert tegelijkertijd alle apparatuur binnen. De fok flappert in alle richtingen, de boot draait van de koers weg. Ik besef nog niet helemaal wat er aan het gebeuren is terwijl iedereen op een of andere manier weet waarheen te crossen om het probleem te analyseren. Een paar minuten later wordt duidelijk dat de auto-piloot niet meer werkt. De auto-piloot is één van onze grootste hulpmiddelen op de boot. We stellen de koers in door de koers in graden te bepalen en de auto-piloot zorgt er (normaal) voor dat de boot blijft varen in die vooropgestelde richting. Stéphane probeert de oorzaak te vinden waarom de auto-piloot het plotseling heeft begeven. Even later komt hij boven met een inox staaf van 5 mm dik die in twee gebroken is. Onmogelijk te herstellen aan de ene kant omdat we geen herstelstuk liggen hebben (sowieso heb je nooit het precieze stuk liggen dat je nodig hebt ook al heb je er honderden voorhanden in honderd verschillende verborgen koffers), aan de andere kant is het onmogelijk om dat stuk te kunnen bereiken tijdens het varen. We besluiten de komende dagen te verdelen in wachten van drie uur per koppel: Stéphane & Charlotte en Tim & Eline en… de sturen op de ‘old fashion’ manier! Een goeie doop met kruisende golven en stevige winden!

De nachten worden hoe langer hoe meer interessanter. De maan heeft ons tot nu toe bijna op alle nachten vergezeld, zowel tijdens de eerste vijfdaagse, als op de tweede zesdaagse tocht. De sterren zijn niet altijd even zichtbaar, de wolken durven nogal eens te verschijnen, maar als de sterren zich tonen dan wordt de boot toch een beetje magisch. Als je bovendien even met je hoofd buiten de boot hangt, blinken er honderden/duizenden groene lichtjes in het water van al de zwemmende plankton. Wij hebben het geluk nog niet gehad om ’s nachts rondspringende dolfijnen te bewonderen die licht geven door de plankton, maar Charlotte en Stéphane zeiden dat het magnifique was!

Overdag daarentegen hebben wel al verschillende keren dolfijnen zien spelen. Ongelofelijk! De dolfijnen zwemmen echt mee met de boot, maken salto’s, jumpen meer dan 10 meter ver (uizonderlijk…) … We hebben al verschillende keren pogingen ondernomen om die dolfijnen op foto te nemen, maar het blijft een uitdaging. Gisteren, tijdens één van de vele apéro’s, toonden één van onze nieuwe Franse vrienden een onderwaterfilmpje (we proberen een link te zetten naar het filmpje op facebook: https://www.facebook.com/video.php?v=10152901109528750&set=vb.679893749&type=2&theater). We hebben niet alleen de dolfijnen beter leren kennen (en aangeraakt!), we hebben (of ik toch in ieder geval) ook het bestaan leren kennen van vliegende vissen. Kleine en grote blauwe vissen die meters ver net boven het watervlak vliegen. Het lijkt alsof de vissen niet meer weten waar ze thuis horen en alsof de vogels te gedesoriënteerd zijn om land te vinden. En af en toe beland er eens eentje op het dek!

Hoe langer, hoe meer worden we werkelijk deel van het bootleven, we worden even sociaal als onze kapitein die altijd alle mensen van ons ponton (en verder) kent. Doorheen de verschillende weken en havens heen, hebben we al een vaste crew opgebouwd die min of meer dezelfde koers vaart als ons. Met andere woorden, we komen telkens dezelfde (en nieuwe) vrienden wanneer we in de volgende haven aankomen. Zo zijn er Ludo en Laurence samen met hun twee zonen. Zij nemen een jaar vrijaf om even te ontsnappen aan de dagelijkse drukte. Zo zijn er ook nog Eric en Mireille met hun 3 kinderen samen met nog 3 vrienden van hun kinderen (allemaal pubers en adolescenten) en een hond. Allemaal samen op één boot die maar twee meter langer is als die van ons. We dachten allemaal dat het een onmogelijke opdracht ging zijn voor hen om de oceaan te kruisen maar ze lijken hun structuur en organisatie te vinden. Een koppeltje Fransen van onze leeftijd die richting Brazilië trekken en we verder misschien nog tegenkomen! Verder Belgen uit Antwerpen, Belgen uit Brussel, veel Fransen uit Bretagne, Zwitsers …

Tussen al de ontmoetingen door (wat niet altijd even gemakkelijk is) moet er ook gewerkt worden aan de boot eens aangekomen in de haven. De auto-piloot moet worden hersteld, olie moet worden vervangen, benzine moet worden aangevuld, de boot moet gekuist worden, de VHF-radio hersteld, De waterreservoirs uitgekuist, de boekenplankjes verstekt, de zeilen een lapje opgenaaid, enkele kabeltjes verzekerd, een geluidje aan het stuur gecontroleerd, en ga zo maar door … Hoe en waar moet het vervangstuk gevonden worden? Door een babbeltje te slaan natuurlijk !! met één van de vele mannen en kinderen die staan te wachten aan de haven. De mensen hier zijn ongelofelijk vriendelijk en behulpzaam en het leven is hier niet makkelijk voor hen, dus de haven trekt hen aan. Stéphane en Tim komen terecht in een buitenwijk van Mindelo bij een zaakje … die alle mogelijke stukken maakt die nodig zijn. Ons stuk wordt op maat gemaakt. Het is een zaak die we in Europa niet meer kunnen vinden, 5 kleine werkplaatsen, een container op straat, nog drie andere plekken in het midden van de achterstraat met ongeveer 20 werknemers. Als we onze zaken niet vinden in een welbepaalde zaak, dan zoeken we het maar op straat, want waar kan je beter dan op straat de ‘niet-gedefinieerde’ zaken vinden. We zochten een oude binnenband van een vrachtwagen om zelf rubberdichtingen te make:. Een groepje van mannen met kinderen is aan het bricoleren op straat. Met heel veel vriendelijkheid hebben ze ons geholpen.

Wat moeten we nog allemaal doen als we op zee zitten??, want de dagen zijn heel goed gevuld en gaan heel snel voorbij. Op geluidenzoektocht gaan, want altijd is er wel een geluidje die iets onheilspellend zou kunnen betekenen of gewoon de slapenden zou kunnen wakker maken. Onze slaapkamer omtoveren tot een living. Ontbijt, middagmaal of avondmaal prepareren en zo heeft Tim een eerste keer een brood gebakken. Peter, zijn grootvader, had hem toch iets beter moeten opleiden: het brood was een beetje hard, maar er is progressie in zicht. Vissen behoort ook tot de dagelijkse bezigheden. Ook wel eens een verjaardag vieren op de boot. Een andere belangrijke bezigheid op de boot is naar muziek luisteren en uitwisselen. Zo Konden we bijvoorbeeld de passende begeleiding kiezen bij het aankomen in Mindelo: Cesaria Ivora begeleidde ons persoonlijk met vrolijk en melancholische tonen bij het aankomen in haar stad, Mindelo op Soa Vincente, een van de eilanden van Cabo Verde.

Homo Turistibus

We voelen ons de onderzoekers uit Neveneffecten

‘Lanzarotte, Gran Canaria, Tenerife… De ‘overwinterings’ bestemmingen van oma’s en opa’s met een gebronzeerde huid?’ Dit was het vooroordeel dat wij eindelijk met eigen ogen konden/mochten proberen te ontkrachten of te bevestigen. Wat onze conclusie is, wordt weldra duidelijk.

Laat ons eerlijk zijn. Het lijkt niet meteen de bestemming van twee avontuurlijke reizigers die Zuid-Amerika willen ontdekken. Toch kwamen wij hier als verdwaalde schapen terecht. De golven en winden voor de West-Afrikaanse kust voeren ons naar deze vulkanische archipel. Een archipel van 7 noemenswaardige ( > 10km diameter is noemenswaardig) en zeer verscheidene eilanden.

Wij kwamen samen met onze Franse familie aan op Lanzarote in de ‘puerto’ van Puerto del Carmen. BINGO daar waren we meteen de vreemde eendjes die via het water aan kwamen dobberen in de habitat van de Homo Inglesibus Turistibus, de mannen en vrouwen van Britse afkomst en vooral van Britse ‘omvang’ die het veilige strand enkel per toeristenBUS/BOOT verlaten om op (niet inheemse) kamelen te gaan zitten.

Puerto del Carmen, de plaats waar de menukaarten alleen in het Engels, dan pas in het Duits en zelden eens in het Spaans geschreven zijn.

Puerto del Carmen, alwaar de ‘proppers’ hopeloos hun best doen ons binnen te lokken en daar maar zelden in slagen.

Puerto del Carmen, waar de strandeetfabrieken/steakrestaurants wel 200 plaatsen tellen om de omzet te verhogen.

Puerto del Carmen, waar…

Waar het eigenlijk wel fijn vertoeven was. De plaats waar we heerlijk de draak konden steken met bovenstaande ‘quotes’ en waar we ons plekje langzaamaan afbakenden. De stad met onze kleine gezellige (en spotgoedkope) haven. Een van de weinige plekken met leuke stranden (als je je voor 10u een ochtendzwemmetje waagde). Het centrum waar we uiteindelijk toch onze favoriete bartjes vonden. En de perfecte uitvalsbasis om het eiland Lanzarote te verkennen.

We huurden er – na een dagje van kleine bootbijstellingen en –reparaties – vier dagen een auto en verkenden alle kanten van dit eiland met honderden lavakleuren, tientallen vulkanen, woeste (en zeer rustige) idyllische stranden en enkele uitzonderlijke niet toeristische dorpjes. De foto’s vertellen het verhaal.

Het werd tijd voor onderzoek van het summum van de Canarische eilanden: Tenerife. Het summum omwille van zijn status: het beruchtste overwinteringseiland van de archipel. Het summum ook omwille van de hoogste piek: de El Teide vulkaan met een hoogte van 3718m boven zeeniveau. We varen 165 zeemijl of een kleine 300km in 36 uur naar de haven Garachico, een pittoreske havenstad ten noordwesten van Tenerife. En hoewel deze stad ook toeristisch is, kunnen we er niet omheen dat het toerisme hier andere (en aangenamere) vormen aanneemt. Geen enkele Brit te bekennen, daarentegen toeristen uit Frankrijk, Duitsland en België die op zoek zijn naar rust en mooie natuur.

We besluiten om dit aangename beeld te bewaren en de zuidelijke toeristische stranden te mijden. We huren opnieuw vier dagen een auto, aangezien de frequentie en de prijs van de bussen niet aan onze wensen voldoet.

Het noorden, noordoosten, noordwesten en de hoogvlaktes rond de Teide vulkaan van Tenerife bieden pareltjes van landschappen die zeer afwisselend zijn. We vullen onze dagen met wandelingen en culturele bezoeken aan mooie stadjes (La Laguna, Orotava) en leren alles op het rustige reisritme van onze tijdelijke familie te doen (waar we als ontdekkingsgierige reizigers niet altijd even gemakkelijk aan kunnen wennen).

Vervolgens tijd voor een omschakeling!

70km zeilen en we krijgen een nieuw toeristenensemble: Valle Gran Rey in het zuidwesten van het eiland Gomera, een stipje in de grote Atlantische Oceaan met zijn diameter van slechts 22km. Aangename mensen in een rustige sfeer op zwarte stranden naast ons gezellig haventje met een fabelachtige ‘backdrop’. Een beetje specifieker te benoemen na 10 minuutjes prospectie: Duitse “babba cool”-wierook-nudist-hippies die zich in een paradijselijke setting genesteld hebben. Fluffie kledij, potpoerie geuren, goeroe’s van verscheidene strekkingen, massages vanuit alle windstreken, maar vooral mensen op zoek naar de natuur en zichzelf te midden van gelijkgestemde landgenoten. Ook hier zijn wij wat vreemdere eenden in de bijt. Onze rugzak bevat niet de volledige collectie witlinnen wijde broeken en hemden. Jammer toch…

We blenden wel in in de lokale activiteiten! Een dagje ZON, snorkelen tussen fantastische vissen in de ZEE en languit liggen op het STRAND, ALLES WAT JIJ VERLANGT. Maaaaar, dat maximaal voor één dag. We voegen ons de ‘lendemain’ meteen bij de hikers en trekken er voor 2 dagen met de wandelschoenen en de tent op uit voor een wandeling 45km (van de honderden km’s routes) met honderden hoogtemeters doorheen immer variërende oerbossen. Door de mist en de druppels heen worden we verwend op subtropisch groen en verzichten van glooiende beboste heuvels, rode rotsen, blauwe zee en de naburige pasteilkleurige eilanden La Palma en Tenerife.

De dagen rijgen zich aaneen en momenteel schrijven we de blog vanuit San Sebastian op Gomera. Een hoofdstad ter grote van een groot Belgisch dorp. We zitten vandaag volledig geblokkeerd door winden van meer dan 100km/u. Dat betekent: les geven i.p.v. wandelen, boekjes lezen EN jullie voorzien van deze blog vanuit een laatste nieuwe toeristenkolonie: die van de gegoed bootburgers. Ook zonder Lacoste polo in hun rugzak leerden deze kameleons in deze context vrolijk rondtrippelen!

Benieuwd welke toeristen we op ons laatste Canarisch eiland zullen treffen: Hierro. Het eerste eiland ter wereld dat volledig zelfvoorzienend is met hernieuwbare energie… Ecotoeristen?

Het ritme van een zeerot

Vertrekken uit Gibraltar na het uitgebreid bekijken van alle getijden, weersvoorspellingen en windrichtingen. Het is geen evidente zaak om te vertrekken vanuit het zuidelijkste punt van Europa. Om de haverklap draait de wind en veranderen de stromingen. Het wordt één van de eerste testen, want de wateren rond Gibraltar en verder voor de kusten van Noord-Afrika zijn woelig en weinig voorspelbaar. Gelukkig duurt de eerste tocht niet erg lang; na een tocht van 6 uur is de welbekende Straat overgestoken en naderen we de vage silhouet van de stad Tanger, sinds eeuwen de verst gelegen stad van de Mare Nostrum.

Welkom op het eerste nieuwe continent van de reis! De haven is volzet en we moeten op Afrikaanse wijze aanleggen als achtste boot op rij. Gevolg: telkens wanneer we op land willen, moeten we over zeven andere boten kruipen. Erna volgt een zeer groezelige haven (die bovendien stinkt naar containers vol vis met ontelbaar veel katten). Tanger is zoals een Marokkaanse havenstad dient te zijn: chaos, marktjes, overal taxi’s, koffiebartjes, veel toeristen van de cruiseschepen, kleine straatjes, openbare douches, … Het heeft charme!

Het bezoek aan Tanger wordt plots korter dan verwacht. Na twee nachten en een dag wordt beslist dat we de wind moeten volgen. Als we nu niet vertrekken, krijgen we mogelijks te maken met ‘ouils’ (deiningen) van 6 meter hoog. Alle hens aan dek, want de boot is nog niet klaar om te vertrekken voor een vijfdaagse tocht. De voedselvoorraad moet aangevuld worden, de waterreservoirs moeten gevuld worden, een laatste keer opruimen plus alles goed opbergen en vastmaken!

Elke dag is wat verschillend, maar tegelijk heeft elke dag een zelfde ritme. Het is een groots verschil, het leven in de haven en het leven op zee. In de haven staan rust, vakantie en uitstapjes maken centraal. Elke dag wordt wel opgestaan rond 8 à 9 uur want Lola (het dochtertje) moet studeren in de living (of met andere woorden onze slaapkamer). Zij is 13 en doet noodzakelijkerwijs afstandsonderwijs. Niet altijd evident om als puber jezelf de discipline op te leggen om enkele uren door te brengen met wiskunde en allerlei andere basisvakken. Dat – samen met de hormonen – geeft af en toe het nodige vuurwerk tussen beide partijen van ons tijdelijk gezinnetje.

Op zee wordt later opgestaan dan op land als gevolg van de nachten. Wij staan op tegen ongeveer 10u en maken – indien niet te veel golven – een theetje klaar (koffie is geen goed idee op zee, want dat bevordert het zeeziek zijn). Indien mooi weer – vaak ook met slecht weer – wordt het grootste deel van de dag doorgebracht buiten op het dek. Enerzijds omdat de boot erg klein is, anderzijds omdat het uitzicht (zelfs al is het alleen water) toch steeds magnifiek blijkt te zijn. Er zijn altijd andere golven zichtbaar, soms zijn er speciale vogels, soms zijn er ook dolfijnen die met ons meezwemmen.

’s Middags wordt een simpele sandwich gegeten met heerlijke Spaanse gerookte ham en groentjes of… als de hengels hun werk doen met een gezouten, geroosterd visje. De namiddag is steeds een afwisseling van een siësta houden, rondkijken, proberen een boekje te lezen, … en dan plotseling wordt vastgesteld dat er een scheur in de fok zit (het zeil vooraan de boot). Stéphane, de kapitein, wordt meteen wakker gemaakt. De fok wordt opgerold om de scheur niet groter te maken, het grote zeil wordt opengezet, het zeil achteraan wordt zelfs ook uitgehaald om extra snelheid te maken. Maar de boot vordert niet op de goede manier zonder fok. Nood aan een andere oplossing. In de boot liggen verschillende reservezeilen en dus ook nog de vorige fok. Vooraan de boot is er nog een tweede kabel waar de andere fok kan aan bevestigd worden. Maar dit is niet evident, er moeten andere touwen (vallen: ‘des drises’, schoten: ‘écoutes’) gezocht worden, allerlei nieuwe knopen gemaakt worden, de fok moet gehesen worden, … Na een halfuur van intensief bezig zijn, keert de rust terug. Zo snel kan het zen-dein-moment verdwijnen en opnieuw terugkeren.

De avond wordt ingezet vanaf het donker wordt (rond 6 à 7 uur). Het avondeten wordt mede bepaald door de golven. Is het mogelijk om te koken, dan wordt er gekookt (afwisselend door Charlotte, en af en toe eens door ons). Zo is er al tangine gegeten, meer bepaald een boottagine met een snelkoker, of een Franse gerecht van de grootmoeder van Charlotte. Als er stevige windstoten zijn met grote golven, dan is de uitdaging te groot om te koken. Zelfs al zijn de kookvuren zo gemaakt dat ze meebewegen met de golven, is het onmogelijk om te blijven stilstaan. Op zo’n moment wordt iets simpels gegeten. Vanaf 21u a 22u gaat iedereen slapen behalve Charlotte die de eerste wacht houdt. Om 24u start Stéphane, om 2u is het aan Tim en om 4u start Eline aan haar wacht tot 6u. De volgende dag start alles van voor af aan.

Land In Zicht!! Na 4,5 dagen alleen maar diepblauwe zee, kunnen we in de verte al de eerste pastelblauwe contouren zien van het land. De eilanden van de Canarische! Welk eiland zou het kunnen zijn? Graciosa of Lanzarote? Het blijkt Lanzarote te zijn. Op dat moment verandert er feitelijk niets, maar in ons hoofd lijkt het alsof we al aankomen. Maar we wachten en blijven intens rondkijken en pas 7 uur later komen we aan in een andere haven dan aanvankelijk gepland. Het blijkt een gezellige, kleine publieke haven te zijn in plaats van een dure, poepchique privé haven. We lijken langzaamaan onze reisneus te vinden.

Nu volgen een aantal dagen/weken van rust, ronddobberen van het ene eiland naar het andere. Van Lanzarote, via Cran Canaria (slechts voor 1 dag), via Tenerife, tot aan Gommera en uiteindelijk Hierro. Het laatste en meest zuidelijke eiland zal onze laatste stop zijn alvorens te vertrekken richting Cape Verde. Vermoedelijk zal dat ergens begin december zijn. Langzamerhand wordt ook duidelijk dat we een goed team vormen met het Franse gezin. Het is beslist, we zullen samen onze reis doorzetten tot aan de Caraïben.