Het ritme van de zeerot 3

Het gegeven dat jij dit bericht te lezen krijgt, betekent uiteraard dat deze twee heldhaftige zeerotten de overkant heelhuids bereikt hebben! Ofwel was je er al van op de hoogte via een Trans-Atlantische postduif, ofwel was je er ongelooflijk gerust in. Er kwamen in elk geval geen bezorgde berichtjes in onze richting. Mogelijks was je ons al een beetje vergeten of vliegt de tijd – door het vele werken – bij jou zo snel voorbij?!?? ‘No hard feelings’, want stiekem vergaten wij ook heel de wereld terwijl we eenzaam op ons bootje dobberden. Maar nu we opnieuw drie weken in het o zo harde reisleven zitten, is het tijd voor een derde zeeverslagje, of neen, iets heroïscher: DE QUEESTE VAN DE GROOTSE ATLANTISCHE OVERSTEEK! DE HISTORISCHE “ROUTE DE RHUM”!

14 januari 2015, 6u30 GMT -4,

Na 17 dagen op zee turen Eline en ikzelf in de verte. We zijn moe. Eline heeft het roer in de handen geklemd. Ik, Tim, houd de verrekijker aan mijn ogen en tuur bij schemerlicht in de verte op zoek naar… LICHT(!!) van de vuurtoren! JAWEL! Een silhouet. En neen, het is geen wolk, het is geen water! Het is land! Het is een plek waar we met onze voeten vrij kunnen gaan en staan, zonder heen en weer te deinen. Het kan, het is echt, de GPS liegt niet. LAND IN ZICHT!!!! “TERRE!! TERRE!!” roepen we onze Franse lotgenoten wakker! Er verstrijkt een uur vol verbazend staren. Het pastelblauwe silhouet wordt langzaamaan donkergroen. Het groen krijgt meer en meer schakeringen en blijkt een amalgaam van verschillende bomen en planten te zijn. Het lijkt een hallucinatie, een verlengde van onze roes. Een gesammterlebniss van natuurelementen. Door de lucht kruipen allerlei vreemde tropische vogels, wij vliegen over het dek heen en weer, we voelen het groen naderen, ruiken de veilige haven, zien het stormgedruis en horen we het witte schuim van de golven en dan…

Een homo Sapiens! Een eilandbewoner! De mensheid is niet vergaan terwijl wij van de radar verdwenen waren! Een visser scheert tussen de machtige rotsen en over de woeste baren in zijn houten sloepje met twee vislijnen. Het is het eerste bootje dat we zien na 17 dagen. Het eerste geluid dat niet door de natuur of door onszelf geproduceerd wordt.

Eén vissersboot worden er meerdere. Goedlachse Rastamannen met ‘fluo-raggaekleurige’ sloepen wuiven ons toe. De natuur is adembenemend. Een half uurtje later, nog steeds met de mond open, in een – schijnbaar eeuwig durende – dronkenschap van water en wind, draaien we naar bakboord, halen we de reservefok (reserve… jaja, dit is een flashforward in het verslag en niet alles verliep tijdens deze overtocht van een leien dakje) naar beneden en zijn we omsloten door een magische baai met blauwe wateren en honderden variaties van tropische fauna en flora: palmbomen, kokosbomen, bananenbomen, cacaobomen, vogeltjes van alle soorten, pelikanen die het water induiken, krioelende vissen en enkele kleurrijke barakken aan de waterkant.

Bestemming bereikt: Caraïben – Kleine Antillen – Trinidad & Tobago – Tobago – Provincie Roxborough – Charlottesville – Man of War Bay – PIRATES BAY (als van: hier hebben echte piraten geleefd!).

En nu even “back, back in to time…” (als je de tijd neemt om dit lange verslag te lezen op een zondagmorgen, mag je gerust de FM-tuner op radio2 zetten en Guy Deprez de muziek laten kiezen ;-) )

Een kleine drie weken te voren, op 26 en 27 december, wordt de laatste hand gelegd aan praktische en mentale voorbereiding in de haven van Mindelo, Cabo Verde. De waterreservoirs worden met 400l vloeibaar goud gevuld; we vullen de – onlangs gemaakte – netten met fruit en groeten; controleren de lijsten met conserven, bokalen en brikken nog eens; rekenen de hoeveelheid bloem voor het brood na; en kuisen de romp van de boot (daarmee winnen we mogelijks nog een halve knoop of één km/uur of anderhalve dag!).

Op 28 december is het dan zover. Afscheid van de haven van Mindelo. Een laatste adieu aan de vele nieuwe ontmoetingen. De aanmeertouwen losgooien. ‘Onze Loya’ de haven uit- en de baai insturen; allen op het dek; wuivend en lachend zoals de andere uitvaarders het ons voordeden; en de zeilen hijsen. Een lichte bries voert ons de baai uit. Het begin van (allicht) het grootste wateravontuur van onze reis.

Niet wetend hoeveel dagen we nodig zullen hebben voor de 2200 zeemijl of 4000 km, varen we af met grote moed en – toch af en toe – een klein hartje. Wel hebben we de achtergrond dat de winden rond deze tijd van het jaar meestal stabiel zijn en dat de alysee corzolus stromingen aan een kleine 2 knopen het hele jaar door in de goeie richting stromen. Dat we theoretisch dus tussen de 14 en 20 dagen aan 4 tot 7 knopen volledig op elkaar en onze boot moeten vertrouwen.

Enkele uren later verdwijnt het silhouet van Saõ Vicente en zakt de zon onder de horizon. We nemen elk onze uren van de nachtwacht opnieuw aan en laten ons overvallen door het ritme van het bootleven. Worden weer tandwieltjes in het geoliede systeem van ons bootleventje. Worden weer snel iets meer geheel dan individu. We doen dit grotendeels onbewust en intuïtief omdat we ondertussen reeds ‘aan den lijve’ ondervonden dat dit een aangenaam geruststellend gevoel is in deze vijandige, onnatuurlijke, desolate waterwoestijn.

De eerste negen dagen vormen één continuüm. De golven variëren tussen één en vier meter en liggen soms kort, soms een vijftigtal meter uit elkaar. De boot wiegt heen en weer in de verblindende zon, soms rustig, soms geagiteerd. Aan de horizon hangen elke dag wolken, maar er valt geen enkele druppel regen.

De oceaan is eindeloos, maar ook begrensd. Je weet dat er voor meer dan 1000 km rondom rond geen land te bekennen is, maar daar krijg je geen grip op. Bovendien is het zicht op deze oneindige vlakte beperkt. Door de ronding van de aarde en onze ooghoogte op 4m hoog, zien we de waterhorizonlijn op enkele kilometers. Je lijkt in een glazen stolp te varen. Een stolp waarin je alleen bent. Een klein speelgoedbootje met rondom je de dôme van de ‘Truman show’, met het gigantische verschil dat niemand je gade slaat, integendeel.

‘s Nacht gaan de lampjes van deze koepel aan en krijgen we miljoenen sterren te zien. Tijdens de nachtwacht krijgen we de kans om deze in alle rust op ons eentje te observeren. Hoewel er repetitie in elke nacht zit, zijn het toch de subtiele veranderingen die gaan opvallen. (Waar moet een mens anders op letten als de automatische piloot ons in de goeie richting voert en er gedurende daaaaagen geen enkel bootje te bespeuren valt?) Nieuwe geluiden op de boot; lichte verschillen in windrichting; nachten met andere bewolking; meer en minder lichtgevend plankton; de beweging van de hemellichamen die elke nacht een beetje anders is: de zon gaat elke dag wat later slapen, want elke 15 graden op de wereldbol betekent een uurtje later; hetzelfde geldt voor de sterren; en de maan, die staat elke dag nog eens 50min later op bovenop het verplaatsingsverschil.

Overdag leven we met elkaar en naast elkaar. De boot is te klein om alles samen te doen en bovendien houden we allemaal op een verschillend uur een siësta. Om de twee dagen wordt een douche genomen als de zee het toelaat. Een douche… niet helemaal zoals thuis. We verbruiken voor de douche 5l aan zoet water op 8 dagen met 5 personen. Dat betekent: wassen, inzepen en spoelen met zeewater om je uiteindelijk een beetje te besprenkelen met zoet water in een verstuiver. Ongelooflijk efficiënt en HEERLIJK. (Op 17 dagen zullen we trouwens in totaal slechts 250l met 5 personen verbruiken: dat betekent 3l per persoon per dag om te drinken, te koken, te wassen en te plassen).

Alles verloopt naar wens de eerste negen dagen. We leggen per dag ongeveer 150 zeemijl af aan een gemiddelde snelheid van 6 knopen (12km/u). We schrijven een beetje, we lezen een beetje, houden onze zeemijlen bij, geven les wiskunde en Engels, vissen met het materiaal van neef Jeroen (en met de grote vislijnen en vishaken van Stéphane) en studeren wat Spaans. Afgezien van het breken van een tangon (hulpstuk om de fok of spinakker open te houden) en het uitvallen van de frigo (toegegeven, dit is een beetje vervelend maar we overleven door de eerste dagen veel verse waren te eten) verloopt alles vlekkeloos.

Maar… op 7 januari wordt deze rust verstoord.

Om 17u – een tweetal uur voor het ondergaan van de zon – gaat de wind even vallen en willen we de rolfok (of rolgenua voor de kenners) wat meer openen. We merken echter dat de rolfok wat vreemd reageert. Het rolsysteem lijkt te blokkeren. Dit gebeurde reeds voordien, maar met een beetje prutsen aan het rolmechanisme konden we dit toen eenvoudig verhelpen. Deze keer blijkt de oorzaak echter van een geheel andere grootte-orde te zijn. De ‘étai’ of voorstag blijkt bovenaan doorgeknakt. De nieuwe voorstag werd vorig jaar nog maar vervangen in Frankrijk. Dit is dé belangrijkste stalen kabel van de boot die de mast aan de voorkant op z’n plaats dient te houden. De rolfok (inclusief rolsysteem) hangt enkel nog met de fokkeval (het touw om de fok omhoog te trekken) vast. De mast wordt bijgevolg ook enkel met deze val vastgehouden. Dat houdt het risico in dat de mast achteruit naar beneden kan vallen en dat gevaarte wil je echt niet op je boze bolleke krijgen!!

Gelukkig staat ons grootzeil niet open en wordt er dus achteraan geen kracht uitgeoefend op de mast. Daarnaast heeft onze kapitein een ‘reservevoorstag’: een kabel die dient om een tweede fok te monteren en heeft dus een veel kleinere diameter. We beveiligen de mast met deze voorstag en twee vrije vallen (touwen). Hiermee is de mast voorlopig alvast beveiligd.

We kunnen echter de rolfok niet meer gebruiken, want met een dergelijk zeiloppervlak, dat we niet kunnen oprollen noch naar beneden halen, is het levensgevaarlijk om verder te zeilen. Het rolsysteem met een metalen buis van 14m lang (inclusief het fokzeil) moet naar beneden. Ook zonder technische details zal het jullie wel duidelijk zijn dat dit op het midden van de oceaan, op een bootje van 11,5m lang (korter dan het rolmechanisme) met tientallen kabels, zonnepanelen en een kleine windturbine, geen sinecure is.

Net voor het vallen van de nacht slagen we er met verenigde krachten in om deze opdracht tot een goed einde te brengen zonder verdere schade aan zeilen en tuig te berokkenen. We hijsen de reservefok en nemen onze koers opnieuw aan. Er wordt geklonken op de goeie samenwerking, maar de rum smaakt bitterzoet: de reparatie zal enkele honderden euro’s kosten en de beveiliging van de mast is iets minder sterk dan de originele dikke kabel die gesprongen is. Daarnaast zullen we het grootzeil de komende dagen niet meer kunnen heisen, is de reservefok een beetje minder groot én als de wind echt gaat opzetten, moeten we de reservefok vooraan op het dek manueel naar beneden halen.

23u40 dezelfde avond is het al zover… Charlotte houdt de eerst nachtwacht. Wij liggen net een uur in ons bed. De boot helt zeer sterk naar stuurboord en de boot verdubbelt plots in snelheid. Charlotte roept ons allen in paniek wakker. Stéphane observeert de situatie heel even. De snelheid neemt toe tot 10 knopen. Het is duidelijk, we worden ingehaald door een storm, de wind zal nog toenemen en we kunnen de fok niet oprollen. Één minuut later zijn we gekleed in harnas en reddingsvest. Wij twee nemen het roer en de schoten in de cockpit over, en Stéphane en Charlotte rennen naar de mast om de fok naar beneden te halen terwijl de boot schuin door de golven beukt. De spanning is te snijden.

De fok komt – gelukkig – vlot naar beneden en wordt vastgelegd. We zetten even de motor aan en het stormzeil wordt gehesen. Alles verloopt volgens het boekje en de situatie is snel opnieuw stabiel. Gerust slapen zullen we die nacht echter niet doen: dat is een beetje moeilijk bij stormweer van dit kaliber. Met het stormzeiltje – een zakdoek van nog geen 4m² – beweegt onze 11 ton wegende boot nog aan 7 knopen en de wind haalt constant snelheden van boven de 100km/u.

We weten echter dat onze dag- en nachtshiften in de komende dagen blijven op ons wachten en proberen toch onze ogen toch te sluiten tot… om 8u ’s morgens de woelige nacht nog eens bekroond wordt met een golf die langs de verluchtingsgaten en de deuropening binnen dondert.

8 januari is voor ons een dag met golven van 6 meter hoog en windkracht 10. We zetten de hele dag geen voet buiten zonder onze levenslijn vast te klikken. We sluiten de toegang naar het woonvertrek steeds en zitten één voor één alleen buiten terwijl we regelmatig met zoutwaterdouches verwend worden. Wanneer we niet buiten zitten, proberen we afwisselend een beetje te slapen. Ook deze benarde situatie op stormzeil lijkt te wennen. De menselijke geest heeft ongekende grenzen.

In de volksmond gaat het spreekwoord “alle goede dingen bestaan uit drie”, maar blijkbaar geldt dit ook op zee voor tegenslagen. Alsof het verliezen van rolfok en het belanden in een storm nog niet volstonden, voelen we de boot rond 21u van haar koers afwijken en zeer scherp naar bakboord hellen. Vervolgens horen we luid TUUTUUTUUT. In drie seconden is iedereen wakker, rennen we naar buiten en grijpen het roer vast! Geen automatische piloot meer – déjà-vu.

We beslissen twee aan twee het roer ter hand te nemen en de volgende ochtend het mechanisme van de automatische piloot te controleren. Na een tweede lange nacht en een korte check-up van de autopiloot stellen we de volgende diagnose: een golf in onze flank deed de boot van de koers afwijken en de automatische piloot probeerde ons met veel power terug te duwen. Ergens vanbinnen in de radertjes van de elektrische motor liep iets mis door de te grote kracht. Repareren van dit motortje is onmogelijk op zee. Wat ons te doen staat is eenduidig, maar niet plezierig: twee per twee in de cockpit aan het roer tot we aan de overkant zijn. Nog 1000 zeemijl te gaan!

Stevige dagen volgen – zowel fysiek als mentaal – maar de tegenslagen houden hier gelukkig op. De wind blijft krachtig, maar vermeerderd niet in kracht. De golven blijven hoog als huizen, maar de gekruiste golven nemen langzaamaan af in sterkte en het interval wordt groter. Na twee dagen worden we tenslotte beloond met een eerste zonnestraaltje en na drie dagen kunnen we een zee-douche nemen om het angstzweet af te spoelen.

De laatste vijf dagen zijn tenslotte op karakter. Zes dagen van slapen, eten en sturen in intervallen van 3uur … tot…

LAND IN ZICHT!!!!

6 gedachtes over “Het ritme van de zeerot 3

  1. Lieven 07/02/2015 / 05:38

    Ferm verhaal Tim en Eline! Het zal wel een kippenvelmoment geweest zijn als je na zo een lange tijd eindelijk land ziet!!

    Groetjes,
    Lieven, Nel en Bos

  2. Tim Van Severen 07/02/2015 / 06:41

    MACHTIG ! Geniet ervan !

  3. Iona Vermet 07/02/2015 / 07:32

    Waauw Tim, wat een verhaal, wat een belevenis. Superleuk geschreven. Genieten! Blijf je vooral verbazen over de nieuwe dingen die je ontdekt: over jezelf en de wereld om je heen! Groetjes vanuit Frankrijk!

  4. anneliesenmartijn 08/02/2015 / 09:10

    Hey Eline en Tim,
    In één trek gelezen, NIET NORMAAL, spannend! We mogen blij zijn dat jullie er geraakt zijn geloof ik. Geniet van het leven aan de overkant, en hopelijk snel een nieuw verhaal!

  5. Sam 24/02/2015 / 19:09

    ooooh. Dat was spannend. Ik kan nog niet beginnen om me in te beelden hoe het moet zijn om zo lang op zee te zitten. De stress en paniek als dingen beginnen foutlopen midden op de zee. En hoe het moet zijn om dan land te zien… Zalig. Super. Ik ben blij dat alles goed gekomen is!

    En ’t was weer te peizen dat we meer Tim Vanhooren gingen zien dan nodig…

    Natuurlijk willen jullie weten wat er hier met ons in België gebeurde? Het (korte) verslag van ‘Niet Voor Mietjes Twee’:
    “Zes man sterk kwam op verschillende tijdstippen toe aan het station van Betrix. Vandaar vertrok een eerste tocht naar braces.moderately.long. Dat het niet voor mietjes zou worden bewees de sneeuw, die nu een halve meter hoger lag dan vorige editie. Aangekomen op ons eerste bivak plaats voltrok zich het eerste onvergetelijk moment: Turbo 10 uit de kampeerbeker. (Iedere Turbo is natuurlijk een onvergetelijk moment). Het tweede onvergetelijk moment liet niet lang op zich wachten. Zes mannen samen weten dat het een schitterend idee is om geen tentje op te zetten, zolang je maar iets boven je hoofd hebt, ookal is het midden januari. Deze zes mannen zijn ondertussen allemaal ietsje wijzer geworden, en zullen volgende keer ofwel nog meer kleren aandoen, ofwel een betere slaapzak meedoen of toch een tentje opzetten. Het wordt écht koud s nachts. Zelfs in ons Belgenlandje. Ik denk zelfs, beste Timmie en Eline, dat ook jullie SuperLights zouden aanvoelen als een zakdoekje… Bibberend en wakend de nacht doorgekomen, konden we aan onze werkelijk doel beginnen: Afstappen van het traject van de verdwenen Spoorlijn 163A. Het mooie aan deze nutteloze Belgische investering (u ziet een trend?) is dat er enkele tunnels nodig waren om de verbinding te maken. Door een tunnel lopen kan alleen maar plezant zijn. Al gauw komen we bij ons derde hoogtepunt. Op het eind van de eerste tunnel bleek er toch een half metertje smeltwater op te hopen. Omkeren is geen optie (we zijn tenslotte op Niet Voor Mietjes) en er doorlopen met schoenen is ook geen optie, zelfs niet voor de 5 man die uitgerust was met Salomons. Daarop zal een Niet-Mietje de juiste beslissing nemen en zonder verpinken zijn schoenen uittrekken en blootsvoets met bevriezende tenen de tunnel afwandelen! Missie geslaagd! De rest van de tocht verliep zonder vermeldenswarige hoogtepunten… De lieden die zich tot aan de volgende Niet-Mietje mogen noemen zijn, in willekeurige volgorde: Benji, Koenie, PelWim, Sammy, Wannie, Yen. Gefeliciteerd!”

    Nu goed… Na het lezen van deze blogpost denk ik dat er ook andere manieren zijn om de titel Niet-Mietje te verdienen… Proficiat met de oversteek!!

    • elinetavernier 24/02/2015 / 21:50

      Wat een heldenverhaal! Niet-mietjes ten top!!! Helden uit band of brothers verdwijnen in het niks! Ik hoop op een minstens even zware volgende editie! Toch vreemd om zo’n op en top editie te moeten missen… Laat het immer sneeuwen op niet voor moetjes!

Geef een reactie