Of: liever in de buik van de walvis dan in de muil van de slang…
27 januari 2015: 17u30:
De tweede motor van onze boot wordt zeer moeizaam in gang getrokken terwijl we langs het laatste stukje palmstrand varen. De 200 paardenkracht van de buitenboordmotor sputtert in het begin een beetje tegen, maar na wat schroef- en knutselwerk, plus het toevoegen van de hoognodige olie, schiet onze polyesteren opgewaardeerde visserssloep van 6 meter vooruit door een verdubbeling aan stuwkracht. Met een slordige 400 pk en een snelheid van meer dan 60 km/u botsen we over het harde water tussen de laatste – met pelikanen bezaaide – rotsjes van Trinidad. We voelen ons betrekkelijk op ons gemak op deze rustige zee. We hebben reeds aan hoge snelheid over de kabbelende golfjes gebeukt aan het Buccoo rif én we hebben tenslotte de Atlantische Oceaan overgevaren, sussen we onszelf. Maar zodra we de veilige golf van Paria verlaten, we de woeste beukende zee aanschouwen én een eerste zijdelingse golf voelen die een flinke portie water binnenkegelt, krimpt ons stoere hartje echt ineen en slaan de twijfels toe bij de betrouwbaarheid van onze driekoppige crew en ons gamel vaartuig…
We kwamen een drietal uur eerder aan bij de ‘Coastguard’ en de ‘Customs’ van Cedros, een dorpje op de zuidwestelijke arm van Trinidad, na een transportdagje vanaf 5u ‘s morgen met een ferry, 3 taxi’s en een minibus en hadden we onze portie ‘onderweg zijn’ voor de dag wel gehad. We zouden enkel eventjes ter bevestiging checken bij de haven wanneer de volgende boot de volgende ochtend zou uitvaren.
Nu bleken er net passagiers voor ‘startklare boot’ gecontroleerd te worden door de douaniers. We konden kiezen tussen meteen meegaan of een twee-, drietal dagen vastzitten op een schiereiland dat bekend staat om zijn drugstrafiek… Je kan al raden wat we kozen.
Het vroeg eerst wat tijd om te ontcijferen hoe alles hier in zijn werk ging. Er liepen douaneambtenaren, militairen, kustwachters, passagiers, toevallige bijzitters en verantwoordelijken van de boot rond. Al snel bleek er één ‘tante’ de plak te zwaaien. We doorliepen alle formaliteiten en betaalden voor allerlei documentjes aan de verschillende spelers en háár alziende oog volgde ons. Haar hulpjongen regelde ook de financiële zaken voor de overtocht en zij keek door haar kleine gluiperige oogjes toe. Zij, tante Zulma, beheerde het geld en trok aan de touwtjes, zoveel was duidelijk. (Waarom we dat eerst niet zagen? Bij ons, in België, lopen de verantwoordelijken meestal niet op Crocks in een afgeleefd roos trainingspak rond…) Allicht hadden we met de bazin geen woord moeten wisselen, ware het niet dat we niet akkoord waren met de prijs.
Als je prijzen wil onderhandelen moet je spelen met de grote jongens, de dikke Zulma’s in dit geval. Zulma, ook wel de ‘reïncarnatie van Grendel’ genoemd aan het einde van dit avontuur, leek ons niet veel onderhandelruimte te geven. Ze vertelde dat er slechts één overtocht mogelijkheid is. Maar onderhandelruimte bestaat in deze regio altijd leerden we reeds! Wij wisten tevens van vorige overstekers dat je Venezuela binnen kan zonder uitgaand ticket. Zulma wou ons een ‘door en terug’ aansmeren “omdat je die nodig hebt voor een visum”. 200 i.p.v. 100 dollar, daar mag een mens al eens lastig over doen. Het spel wordt gespeeld en wij zeggen dat we niet per sé over moeten en dat we wel een andere manier zoeken. Zij speelt uiteraard de kaart van de onbezette plekken terug. Het resultaat: een slordige 120 dollar. Puik gespeeld ook al betalen we nog altijd een beetje te veel. Zeker voor wat we krijgen zullen…
We ontmoeten een gezinnetje dat deze overtocht iedere drie maanden met hun baby’tje van enkele maanden oud moet ondernemen. Ze willen het geluk buiten Venezuela opzoeken en hun studies vervolmaken in Trinidad. Papiergewijs krijgen ze slechts een toeristenvisum geldig voor 90 dagen en moeten ze dus elke drie maanden op en af voor een in- en uitstempel. Ze kunnen echter geen vliegtickets kopen omwille van het maximum aan dollars dat ze kunnen wisselen. Het lijkt ons een ongelooflijk tijdsverlies en een nutteloze rompslomp. Dat het ook nog eens levensgevaarlijke onderneming kan zijn, hebben we op dat ogenblik nog niet gesnapt. En zij duidelijk ook nog niet…
Een tweetal uur later begeeft het poppentheater zich op een kleine betonnen steiger. Uitgestempeld en stouwend met tientallen kartonnen dozen aan goederen die in Venezuela quasi onvindbaar zijn. Onze ‘crew’ blijkt uiteindelijk driekoppig te zijn: Zulma, die 2 plaatsen inneemt, de loopjongen en een kapitein (een man die nooit echt aan land kwam en uitgeslapen in opperste concentratie verzonken lijkt). Onze ‘ferryboot’ blijkt bij het gezelschap te passen: een vissersboot, zoals aan het Buccoo rif, waarop met polyester en multiplex wanden en een dakje getimmerd werden. In de opgaande wanden zitten kleine openingen waar ooit raampjes ingezeten moeten hebben, maar waar we nu – bij hoogstens enkele van de ramen – kartonnen en plastieken luikjes in kunnen schuiven. Het lijkt een speelgoedbootje dat door de handen van ruziënde peuters is gegaan is en dát is ons transportmiddel.
“Maar waarom komen die twee nu weer in zo’n halfgare situatie terecht?”, “Kikken die op randdebielen en gevaarlijke omwegen?”, “Doen ze dat nu echt met opzet?”, “Het zal wel een gek idee zijn van Tim, ocharme Eline…” en “Vlieg dan toch!” zijn allicht enkele ideeën die door jullie hoofd spoken of die jullie zelfs luidop zeggen tegen jullie metgezellen aan de ontbijttafel op zondagochtend.
Laat ons dus even uitleggen waarom wij hier uit (quasi) vrije wil aanbelandden.
We waren bij ons vertrek uit Kaap Verdië, aan de andere kant van de grote Atlantische plas, dolgelukkig toen we met Stéphane en Charlotte afgesproken hadden om naar Trinidad & Tobago te varen. We hadden net uitgevist dat je van daaruit met een ferrydienst naar Venezuela kon varen. Aangezien we momenteel als ‘overland-en-water-reizigers’ door het leven gaan en geen zin hadden om maanden op de Caraïben te vertoeven, was dat een mooie meevaller.
Toen we echter op een zonnige dag in Buccoo onze reis wat verder planden en de nodige telefoontjes pleegden voor verblijfplaatsen en de ferry, kwamen we te weten dat de ‘ferry’ – een soort ‘huwelijksceremonie bootje’ dat ook soms passagiers vervoert – reeds enkele maanden niet meer uitvoer en dat ook niet meer zou doen zolang de economische situatie in Venezuela niet omsloeg. Deze slechte economische situatie, allicht ook de corruptie aan de grens van Venezuela en de piraterij die in de kustregio hoge toppen scheert, zullen wel allen hun steentje bijgedragen hebben, maar wij – als toeristen – krijgen altijd een beleefde opgekuiste versie te horen.
Na een halve dag van getreur en wanhoop, dat uiteraard gelaafd kon worden met een lekkere rum, besloten we er even het Thorntreeforum van de Lonely Planet bij te halen. Tot onze verbazing ontdekten we dat er enkele toeristen in geslaagd waren de overkant te bereiken per boot! Feestvreugde! Opnieuw met rum! Dat deze overtocht ons bijna evenveel zou gaan kosten als een vliegtuigticket en dat de boot een vissersbootje was en geen deel uitmaakte van een gevestigde organisatie kon ons niks schelen. We hadden een passage gevonden die voor andere mensen gewerkt had! Dat was alles wat telde en het leek ons zeker en vast een originele manier om het vasteland te bereiken.
En hier zitten we dus op onze originele manier: een klamme hand om die van Eline geklemd, kledij doorweekt met zeewater, een hart dat aan dubbele snelheid bonst.
De stroming van de Atlantische oceaan wordt door de zee-engte geperst en speelt met ons plastieken bootje. Een golf duwt ons van onze koers en een flinke gulp water doorweekt ons nog maar eens. De regencover over de tassen, de waterdichte zakken nog eens extra dichtdraaien, zorgen dat we een zwemvestje bij de hand hebben, want dat is het enige ‘rescuemiddel’ die we hebben (terwijl wij alle veiligheidsmaatregelen voor een zeilboot kennen). Laat alles maar nat worden, het kan ons niet schelen, zolang de boot maar rechtop blijft en de motoren het niet begeven (je weet nog wel… die motoren die ze bijna in gang moesten schoppen). Scenario’s van eender welk falen zijn scenario’s waar je niet al teveel wil bij stilstaan, want met deze golven en stroming weet ik niet waar of hoe we ergens langs de Caraïbische kust zouden aanspoelen. Allicht in de staart van de slang… Waarom zou deze zee-engte toch de Boca del Serpiente heten?…
De motoren halen op zijn minst het aantal decibels van een straalvliegtuig. De hulpjongen van Grendel rent af en toe naar achteren om te zien of de motoren, die slechts twee snelheidsstanden blijken te hebben, nog normaal draaien. Dezelfde hulpjongen rent vervolgens weer naar voor om de functie van ruitenwisser te vervullen en ervoor te zorgen dat onze ‘piloot’ door zijn plexiglas ruit de zee voldoende kan inschatten in zijn titanenstrijd met Poseidon. Al die tijd blijft Zulma gezeten. Ze lijkt niks te doen, maar allicht rolt ze haar Michelinbanden heen en weer om het evenwicht te bewaren.
Na vijfenveertig minuten angstzweet doorstaan te hebben, bereiken we de overkant. Hoera! Of toch nog niet helemaal!
(1) Bij het nader bekijken van de kustlijn vinden we geen zandstrandje. Neen, we treffen grote bomen op poten! ‘Enten’ uit Lord of the Rings die niet over land, maar door het water wandelen. MANGROVE dus! Je behoeft niet veel voorkennis om te beseffen dat je allicht nog beter met het zeewater meegesleurd wordt tot iemand je vanuit een (enkele) vissersboot opmerkt dan aan honderd meter per uur tussen die boomwortels te waden met een fauna van piranha’s en kaaimannen.
(2) Bovendien krijgen we de golven nu van achter ons en surft onze opgedreven sloep van golf naar golf waardoor we weliswaar geen water binnen krijgen, maar beloond worden met onvoorspelbare wendingen van links naar rechts. Iedereen lijkt geruster te worden, een foute gerustheid naar ons aanvoelen. Wij, als doorwinterde zeerotten, weten dat surfen op golven de nodige gevaren met zich meebrengt. Hercules (de kapitein, piloot, beschermheer) weet ook dat de strijd met de zeegod nog niet gewonnen is en zijn hemd is natter langs zijn ruggengraat dan vooraan. Zijn blik blijft op oneindig.
(3) De avond begint te vallen en het begint ons langzaamaan te dagen waarom deze mafkezen de motoren zo hard laten brullen en er een ‘stressy’ sfeertje hangt. OK, toegegeven, de voorgaande alinea’s leveren niet meteen een ‘loungie-voetjes-onder-tafel’ context, maar er is nog een ander probleem. We hebben geen lichten om ons herkenbaar te maken en vooral geen lichten waarmee onze kapitein de zee kan inschatten. Er is geen maan en met de sterren alleen wordt het niks.
Om alles nog wat filmischer en spannender te maken zien we in de verte de brandende toortsen. De ontbranding bovenaan een aantal boorplatformen. The Eye of Sauron.
Dit blijkt echter goed nieuws want, schijnbaar uit het niks, wijkt onze sloep naar bakboord een opening tussen de mangrovebossen in. Het water wordt plots … VLAK! Kleine kabbelende golfjes. Een rivier! We zijn de delta van de Orinoco opgevaren. In de verte zien we lieve kleine lichtjes, een nederzetting. Dat moet Pedernales zijn. De zeven hellen zitten er bijna op en het is tijd om beloftes aan elkaar te maken: DIT DOEN WE NOOIT MEER! Zeilboten, zoveel je wil, maar dit… NEEN.
We worden vriendelijk maar kordaat gevraagd de boot te verlaten (wat we met plezier doen) en moeten op een houten palissade klauteren waarop één tafel en één stoel staat. Op deze stoel zit een ‘Guardia National’ (een nationale politieagent die er als een militair uitziet, één van de tien soorten politie in Venezuela), die als enige opdracht het controleren van onze bagage en het opschrijven van ons paspoortnummer heeft. Echt grondig is deze controle niet. Het zou dan ook nog maar al te belachelijk zijn ons te ‘stripsearchen’ terwijl Zulma een bootje volgestouwd met producten (zoals detergent en olie) zonder controle zou passeren. Cadeautjes, vriendjespolitiek… Eender welke vorm van bijverdienen op welk niveau dan ook. We zien het al na twee minuten voet zetten op ‘vaste’ bodem.
Wel, vaste bodem… Pedernales blijkt eigenlijk een eilandje in het midden van de mangrove. De dichtste kleine stad ligt op 150 km in vogelvlucht en de enige manier om je daarheen te verplaatsen, is… OF COURSE, WAAROM OOK NIET… per boot!
Na de controle verlaten we de steiger en dralen het regulier grid van de stad bij nachte binnen. We zullen deze stad uiteindelijk enkel in het donker zien. We wisselen tegen een slechte wisselprijs van 120 Bolívars voor een dollar (ongeveer 20 keer zoveel als bij een bank…) bij onze vriendin Zulma en zoeken onszelf een hotelletje in deze stad, in dit dorp, aan de rand van de wereld. De plaats is een centrum voor oliewerkers en we vinden dus makkelijk, met een beetje afdingen een slaapplaats voor een kleine 5 euro voor twee personen. Voor dezelfde prijs vinden we eten en drinken en we duiken onze slaapzak in voor een korte nacht tussen de reuzenmieren en ander ongedierte en een kamer zonder vensters.
Want om 4u30 staan we al op de steiger te wachten op de eerste overvolle ‘lancia’. De tickets waren de avond tevoren al uitverkocht, maar we zouden eventueel kunnen proberen meer te betalen. Vruchteloos wachten zo blijkt, want de lancia zit echt vol. Het Venezolaanse gezinnetje dat deze hel morgen nog eens mag doorstaan op terugtocht naar Trinidad, staat samen met ons op de betonnen steiger. Voor hen is deze boot naar Tucupita van vitaal belang, want ze keren zo snel mogelijk naar Trinidad terug, betaalden reeds voor de terugtocht en hebben hun ouders, die meer dan 1500km gereden hebben om hen een middagje te zien, in Tucupita staan wachten.
Rond 5u30 komt een F1 boot aangestoven. NOG EEN LANCIA. Wat volgt is genieten: bij zonsopgang aan meer dan 80km/u over de Orinoco crossen op een bootje met 30 personen! Na een half uurtje blijken we lang niet de enige snelheidsduivels op het water. De lokale ‘busservices’ komen op gang en de bestuurders doen niet liever dan wedstrijdje ‘om ter eerst’ spelen! En wij… wij zijn de snelste!
Door het zien van de andere ‘bussen’ krijgen we een idee van onze eigen snelheid: De boten met ‘400 paarden’ zweven als het ware door het water. Enkel de achterste 2 meter van de 7 meter lange volgestouwde boot blijkt het water te raken.
De boten houden rekening met elkaars stevige golfslag en wijken in grote bochten om elkaar heen op deze 300 meter brede zijarm van de Orinoco. Af en toe zien we toch paniek bij de lokale ‘indianengezinnetjes’ die aan 5 per uur in hun kanootje peddelen. We cruisen langs mangrove, jungle, palendorpen en miljoenen drijvende planten.
De beste rit voor 2 euro ooit!
We komen tenslotte om 8u ’s ochtends aan in Tucupita. We zoeken in een aantal uurtjes uit hoe we onze stempel (om het land officieel binnen te mogen) moeten krijgen, want die stond nog steeds niet in ons paspoort.
Als we tenslotte bij de vreemdelingendienst aankomen blijkt inderdaad ‘toevallig’ dat we een ticket van onze uittocht uit het land zouden moeten hebben. We weten dat dit zonder lukt – of dat denken we toch te weten – en blijven aandringen dat we verder gaan: “kijk naar ons passpoort, kijk naar de landen waar we reeds doorreisden”. Totale desinteresse. Het wachten kan beginnen en onze documenten reizen een beetje rond door het gebouw.
Wanneer je tijd zat hebt, kan het best wel boeiend zijn om te proberen na te gaan wat er allemaal gebeurt in zo’n immigratiedienst. Om het allemaal wat interessanter te maken, zien we bij de douane ‘toevallig’ Zulma nog een aantal keer voorbij waggelen. Ze blijkt zeer goeie vriendjes met de lokale SAIME (-douaneambtenaren) en ook al mogen wij eerst niet zomaar binnen, als zij in de buurt komt, lijkt alles plots toch wel ‘te werken’ OF beter: beginnen de extreem luie bureaucraten gewoon eindelijk een beetje te werken.
We krijgen een stempel en een toegang voor één maand in ons paspoort en onder die stempel staat “EXTREME” als vervoersmiddel van binnenkomen. Sowieso niet de naam van het bedrijfje van Zulma, maar extreem was het zeker!
In de komende week doen we aan een beetje onderzoek (lees: babbelen met iedereen in ‘Spagnolo’, ons Spaans-Italiaans taaltje) en ontdekken we dat de douane in Tucupita, zoals alle bedrijven, regeringen en diensten in dit land, doorspekt zijn met corruptie: dat de dame van de douane hotels heeft in Trinidad; dat Zulma de oude veerdienst en de concurrentie weggewerkt heeft en de prijzen vertienvoudigd heeft; en… dat je eigenlijk alles naar je hand kan zetten buiten de wet om, zolang je maar geld of vriendjes hebt.
Nu zijn we officieel op het vasteland. Het continent van onze reis is uiteindelijk na drie maanden bereikt. Er is vaste grond onder onze voeten en dat zullen we zeker nog lang zo houden! “Voorlopig geen boten meer” verkondigen we! Benieuwd hoe lang we dat volhouden….
Super!
Zelfs als dit een verhaal van willekeurige mensen was zou ik het boeiend, spannend, interessant en zeer mooi geschreven vinden. Dat dit alweer een avontuur van jullie is, maakt het alleen maar indrukwekkender! Ongelooflijk hoe het daar allemaal verloopt…
Proficiat met de overtocht en het bereiken van het vaste land!
Wat viel er me op hier in België?
De Kleine kunst heeft een nieuwe uitbater. We missen Tims skills om direct op de hoogte te zijn van al het reilen en zeilen en probeerden de boel te doorgronden van een afstandje. Daaruit moeten we voorlopig opmaken dat het er niet beter op wordt… De legendarische Karmeliet-van-t-vat is er nog steeds, maar als je die bestelt bestaat de kans dat je een Leffe krijgt in een Karmelietglas. Om maar te zeggen: De zaken worden er hier niet beter op sinds jullie weg zijn…
Geniet van Venezuela…
Verdorie! Was ik nu echt vergeten je up te daten ivm KK? Ik was er zelfs van hieruit op de hoogte ;).
Wij zijn ongelooflijk blij met onze trouwste fan! De prijsuitreiking volgt bij terugkomst! Met een echte Karmeliet zou ik zo zeggen!