El viaje siempre es mejor … en una kombi

De reis is altijd een beetje beter (en aangenamer en cooler en hipper en…) … in een combi! Ook voor de ouders van Tim (Rik en Nick) die ons voor twee en een halve week kwamen vergezellen in het Zuiden van Peru.

Jawel, bijna drie weken op tjsok met je schoonouders, hoe moest ik dat overleven? Gewoon doen, niet te veel over nadenken en toeristische plekjes bezoeken. Neen neen, het waren drie heerlijke intense weken en vooral toeristische tijden pur sang. Ik denk dat we tijdens onze ondertussen elf maanden durende reis geen enkel moment zo intens dingen bezocht hebben als tijdens deze periode, en ook geen enkel moment zo goed gegeten en gedronken met de Bourgondiërs uit de bossen van Sint-Andries, maar straks daarover meer.

Het startschot van deze reis werd gegeven met een persoonlijke ontvangst in Cusco bij een dochter van John Driege, een goeie vriend van Rik, Joana en haar Peruaanse vriend Müller. Wij werden al enkele dagen voor de aankomst van Rik en Nick hartelijk ontvangen om de laatste regelingen te treffen als plaatselijke touroperators en om de puntjes op de i te zetten voor onze Melqui (die nog maar net uit tweede behandeling kwam…). Op dat moment hadden wij echter nog niemand op het hele Europese continent ingelicht over onze aankoop om Rik en Nick een grote verrassing te bezorgen … Zij hebben namelijk een gelijkaardige reisbus in België (we moeten eerlijk zijn: hun Rachel staat in net iets betere conditie dan ons vervoersmiddel). Op voorhand hadden we hen ingelicht dat wij de Salkantay trek zouden doen (wat ook initieel het plan was) en dat we hen pas gingen treffen aan de voet van Machu Picchu (wat is er nu een mooiere plek om elkaar na zeven maanden te treffen?). Bovendien hadden we hen ook gezegd dat we een Mitsubishi L300 hadden gekocht (een ongelofelijk lelijk Chineesachtig busje) en geen Volkswagen Transportertje. De verrassing was dan ook compleet wanneer we hen gingen ophalen aan de luchthaven van Cusco met ons hippie busje.

Jawel, we beklommen – evidament – de Machu Picchu en nog meer impressionant: we bestegen zelfs de 700 extra trappen van de Waynu Picchu (een berg naast het bekende complex; ook Rik en Nick!). De dag begon ontzettend vroeg, om 4u, want het is noodzakelijk om een uur op voorhand aan te schuiven om de bus naar boven te nemen. Het aantal toeristen dat de MP bezoekt, wordt met de dag groter en de rijen gigantischer. Wij stonden een uur voor de eerste bus aan te schuiven en reeds meer dan 50 mensen waren ons voor. Gevolg: we konden slechts op de tweede bus naar boven. Geen erg, want we waren nog steeds stipt om 6u boven om het wonderlijke schouwspel van de zonsopgang te kunnen bewonderen met een minimum (500-tal) aan toeristen. We lopen daar tussen de honderden en duizenden andere toeristen en we luisteren naar de interessante Inca-uitleg van onze gids Heider (neef van Müller) en wie zien we plotseling verschijnen tussen alle andere aanwezigen? Onmogelijk maar toch het geval, een oude klasgenote van Tim (Feline & Kris).

De heenrit naar het dorpje Aguas Calientes (het dorp aan de voet van MP) hebben we op een avontuurlijke wijze beleefd. We wilden namelijk twee verschillende routes doen in de heen- en terugrit. Het werd bijgevolg een behoorlijk wilde busrit van 5 uur door allerlei valleien, honderden bochten en over verschillende bergruggen om aan te komen aan de hydro-elektrico. Een plek waar er niets te doen valt, maar van daaruit vertrekt een oud treinspoor naar Aguas Calientes. Tot slot wachtte ons nog een wandelingetje van drie uur om bij valavond aan te komen in het dorp. Echt origineel was deze tour ook al niet meer, want we werden vergezeld door maar liefst honderden andere toeristen die niet wilden betalen voor de schandalig dure treinrit. We hebben toch de schandalig veel te dure trein teruggenomen (maar liefst 80 dollar per persoon voor een enkele rit aan een Britse hotelketen) van het nieuw gecreëerde dorp Aguas Calientes waar er niets te beleven valt naar het aangename plekje van Ollantaytambo, het eerder onbekende stadje waar de meeste touristibussen en toeristenbussen gewoon langs passeren maar waar wij het genoegen hadden om het feest van de patroonheilige mee te maken: een plaatselijke fanfare en kermis-happening gesponsord door een van de lokale families. Samen met alle dronken mannen en vrouwen van het dorp hebben we een pint gedronken.

Neen, we zijn niet in de hete warmwaterbronnen van Aguas Calientes geweest waar je verdron(g/k)en wordt door de toeristen. We zijn daarentegen midden in de nacht doorgereden langs een wel zeer kronkelend grindpadje en langs veel te snel rijdende chauffeurs (waarvan we één de volgende morgen omgekeerd in de berm zagen liggen) tot aan de thermen van Lares. Een plekje waar alleen lokale baders komen en waar we om 11u ’s nachts alle baden voor ons alleen hadden: zeven koude en warme baden van 7°C tot 45°C. En hoe de avond beter afsluiten dan met een Chilcano cocktail (gemaakt met Pisco, het bekende drankje van Peru en/of Chili, het blijft een eeuwige discussie, wij geven momenteel de voorkeur aan Peru) en vele aperitiefhapjes.

Jawel, we hebben kleinveeliefhebber en –fanaat Rik Cuy (of cavia) laten eten. Je weet wel zo’n lief fluffy langharig zacht beestje met die smekende oogjes dat door vele kleintjes onder ons geliefkoosd werd. Zo’n beestje wordt doorboord met een grote draaistok, door zijn mondje tot helemaal aan zijn anus, net zoals een kip aan ‘t spit. Wij zijn nog geen ervaren cavia-eters geworden, maar het Peruaanse liefje van onze vriendin in Cusco liet zich helemaal gaan en koterde zelfs de hersentjes en de oogjes helemaal uit. Dat was net een beetje te veel van het goeie voor ons.

Gelukkig waren niet alle maaltijden zo uitdagend als deze ;-). Andere specialiteiten die ons ten deel vielen waren Alpacavlees (een lama-achtige, gegeten in verschillende restaurants en het werd duidelijk: het is belangrijk om naar een kwaliteitsrestaurant te gaan), Ceviche (rauwe vis gemarineerd in een limoensausje), Lomo Saltado (een gerecht dat lijkt op onze frietjes met stovers), …

Naast de verschillende geslaagde (en ook wel minder geslaagde) restaurantbezoekjes, lieten we onze eigenkookkunsten ook nog eens botvieren op wel heel specifieke plekjes. Eén van de voordelen van een eigen vervoersmiddel…

Tot slot is het belangrijk om niet alleen goed te eten, maar ook goed te drinken op onze voyage. Voor zij die papa Rik een beetje kennen: Wat is er beter dan één glas wijn…, inderdaad!) We hebben ook de enige wijnregio van Peru, Ica, bezocht, zoals het hoort. Gedurende een hele middag lieten we ons rondvoeren in een taxi (de chauffeurs van Melqui verdienen ook een beetje rust) naar verschillende wijnhuizen. Het werd een proeverij van, niet enkel rode en witte wijnen, maar ook verschillende Pisco-varianten. Noodgedwongen moesten we natuurlijk enkele flessen meenemen in de auto, ze hebben het niet lang overleefd.

Neen, we hebben niet het meest toeristische schiereiland Copacobana aan de Boliviaanse zijde van het Titicacameer bezocht, maar we hebben zelf een tweedaagse in elkaar gebokst vanuit het stadje Puno. Daar is op zich niet zo veel te beleven en Tim en ik moesten er al eens noodgedwongen vijf dagen doorbrengen voor een autoreparatie, vandaar dat we de regio al goed kenden. We kozen ervoor om de ‘minder’ begaanbare paden (of vaarroutes) van de drijvende rieten eilanden te doen gecombineerd met een homestay op een kleiner eilandje genaamd Amantani. Wat houdt dat nu in zo’n homestay?

Eenmaal aangekomen op het eiland, worden we onthaald door een dame in traditionele klederdracht en worden we meegenomen naar haar huis. Op het eiland houdt de burgemeester het systeem goed in de gaten, zodat alle families aan beurt komen om de toeristen te ontvangen. We weten nog niet goed wat ons te wachten staat, en Rik & Nick kijken elkaar eens bedenkelijk aan. Na tien minuten wandelen komen we puffend bij haar huisje aan (je vergeet niet zo snel dat je op 4000m hoogte zit), wij krijgen de bovenverdieping, twee sober aangeklede kamers met telkens twee bedden toegewezen. Een half uur later worden we verwacht voor een eerste maal: een heerlijk Quinoa soepje en een hoofdmaal bestaande uit rijst, ei en gebakken kaas. Simpel maar lekker.

In de namiddag gaan we samen met de twee dochters van Gaby een wandeling maken naar de top van het eiland. We raken er net bij het vallen van de avond (lijkt een gewoonte te worden). Bijgeloof zegt ons dat we drie maal rond de Inca-site bovenop de berg moeten wandelen: éénmaal voor liefde, eenmaal voor gezondheid en eenmaal voor financiële voorspoed.

Neen, we hebben geen vliegtuig genomen om de magische Nasca lijnen te ontdekken. We zijn een viertal keer op zeer labiele trappenconstructies geklommen om een getekende boom of een aap te zoeken, het heeft soms wat verbeeldingskracht nodig om deze (en andere) symbolen waar te nemen. De oorsprong van deze mystieke tekeningen is nog steeds niet ontdekt. Een Duitse onderzoekster heeft meer dan de helft van haar leven er aan gewijd om ze opnieuw goed zichtbaar te maken, ze te registreren, op te tekenen, erkenning te vragen … Dankzij haar onderzoekswerk is het mogelijk deze te bezoeken. Het hotel waar ze meer dan twintig jaar verbleef, heeft een klein museumpje opgericht alsook geven ze nog steeds elke avond een korte uitleg over de geschiedenis.

Langs onze 3000 km-route via bijzonder uiteenlopende landschappen en culturen, vanaf het toeristische Cusco via het Titicacameer, via Arequipa tot aan het zuiden van Lima, zijn we natuurlijk nog heel wat andere particulariteiten tegengekomen: een festiviteit voor één of andere heilige met wel zeer vreemde maskers, een bijzonder rare kruising tussen een hond en een varken (de behoorlijk vaak voorkomende Peruviaanse hond), dametjes die in het midden van een uitgestrekt landschap zitten te weven, oases in de woestijn en condors in de Colca Canyon (die daar artificieel worden gehouden omdat er af en toe een kadaver van een ezel naar beneden wordt geworpen). Maar blijkbaar waren niet enkel wij verwonderd over alle bijzonderheden… Af en toe voelde dit West-Vlaamse viertal zich zelf een attractie… We begrijpen nog altijd niet waarom!!

Melqui, Who the fuck is Melqui?!

Tijd om onze nieuwe beste vriend aan jullie voor te stellen!

Melqui is een heel complex personage met wie we reeds meer dan drie maanden samenhokken, door dik en dun, door goed en kwaad, door magere en vette dagen. Af en toe zijn we eens kwaad op elkaar, maar hoe kan het ook anders wanneer je samen op minder dan zes m² leeft en beiden reeds je eigen reispatroon hebt! Onze avonturen volgen in de komende blogs, nu geven we jullie alvast een snelle schets van deze nieuwe reisgezel.

  • Etniciteit: Volkswagen transporter, T2, Bouwjaar 1975, Duits-Mexicaanse makelij.
  • Nationaliteit: Mexicaans, maar wil o zo graag vrije wereldburger zijn en strijd voor het afschaffen van naties, grenzen en alle bijhorende paperassen (en leed).
  • Oorsprong naam: Deze naam werd door zijn vorige medereizigers gegeven. Melquiades is een doorwinterde zigeuner in de roman Honderd jaar eenzaamheid van Gabriel Garcia Márquez.
  • Ontmoeting: Wij ontmoetten Melqui in El Alto, La Paz, Bolivië, waar Melquiades besliste met ons verder te reizen toen zijn voormalige reispartners Dami en Mercedes de keuze maakten een sedentair bestaan te leiden in Argentinië en het voor Melquiades onmogelijk bleek ook sedentair te leven buiten Mexico. Allerlei importeerdocumenten en een hoge importeerprijs bleken nodig om voor eeuwig in Argentinië te blijven en deze Zigeuner had dit geld nu eenmaal niet.
  • We leerden elkander enkele dagen rustig vanbinnen en vanbuiten kennen (tijdens onze dagen bij Doña Antonia in El Alto) en stelden hem ook voor aan een vriend Volkwagenbusjesspecialist, Charlie, uit België – om ons wat extra advies te geven – die ook het busje van mijn ouders opknapte  (http://www.24-7campers.com/). Na elkaar een beetje besnuffeld te hebben dachten we: “Laten we elkaar een hand geven en de sprong in het onbekende wagen. YOLO ten top!”
  • Ervaring:
    • Een dertigtal jaar reed hij als colectivo of personentransportbusje doorheen Mexico: hij hield hier een zeer bijzondere mutatie aan over: de schuifdeur werd vervangen door een klapdeur met zeer bijzondere hendel naast de bestuurder om de deur semiautomatisch open te doen. De deur katapulteert als het ware open. Kan ook dienst doen om boze honden een aantal meters weg te kegelen…(nog niet toegepast)
    • Als reismobiel roamde (de titel van onze blog moest toch nog eens verwerkt worden, niet?) Melquiades, voor zover hij het ons vertelde, reeds met drie andere reizigers mee. Eerst met een surfer langs de Mexicaanse kusten. Vervolgens met Damian en Mercedes twee jaar in Mexico en erna meer dan een jaar richting Bolivië. (https://www.facebook.com/Elgranviajedemelquiades?ref=ts&fref=ts)
    • Doorheen deze jaren als reismobiel transformeerde Melquiades zich van vervoersmiddel naar (t)huis. Hij muteerde uiteindelijk tot er in zijn binnenste een bed, een kast, een aanrecht, een gasvuur, een afwasbak en een frigo(box) groeiden, die hij wil blijven dragen tot het einde van zijn dagen.
  • Ouderdom: Zoals we allen weten zegt de leeftijd van een persoon niet veel over diens werkelijke ouderdom… Over hoe afgeleefd hij is, zullen we maar stellen. Nu jullie het begin van deze introductie van onze nieuwe vriend lazen, zullen jullie wel vermoeden dat hij eerder als een rockstar dan als huismus geleefd heeft:
    • Maar hoe hard hij precies geleefd heeft, zullen we nooit weten: zijn kilometerteller heeft slechts vijf cijfers en hoeveel keer die overschreden is (100 000, 200 000 of …), kan allicht zelfs de eerste eigenaar van Melqui niet zeggen. Melqui zelf houdt dit mysterie ook graag levendig en we hebben er het gissen naar of dat is omdat hij wil dat we denken dat hij ouder of jonger is dan we vermoeden. We kennen zijn werkelijke leeftijd – 40 jaar – en daar zal het bij blijven.
    • Daarbij komt ook nog eens de moeilijkheid dat de kilometerteller al voor onbepaalde tijd stil staat, aangezien ook de snelheidsmeter niet meer werkt. Maar wie wil nu weten hoe snel hij rijdt?
    • Doorheen de vele jaren ervaring ontdekte Melqui dat het handig is een stevige bumper en extra verstralers te hebben om verder te kunnen kijken, en om bij één van zijn vele roekeloze misstappen tegen een stootje te kunnen.
  • Kwaliteiten: Melquiades heeft eindeloos veel kwaliteiten. Hij weet dat zelf maar al te goed en speelt die graag uit. We zullen jullie een kleine greep geven uit deze eindeloze hoop aan flatterende complimenten:
    • Melquiades heeft een ongelooflijk hoog Sexappeal. Je zou het van zo’n grijsaard niet verwachten, maar in elk dorp worden we aangegaapt en nagestaard sedert we samen reizen, dus… hij moet wel een lekker ding zijn. (Er wordt nog meer gestaard als Eline achter het stuur zit… Maar daarvoor hebben we nog geen verklaring gevonden).
    • Melquiades is zeer sociaal. Doordat hij de aandacht trekt, maken wij overal nieuwe vrienden vanaf het ogenblik we nog maar ergens aankomen. Maar er is meer… Ook op zichzelf blijkt hij vrienden te maken: meer bepaald met andere T2’s en hun neven de Volkswagen Kevers: die komen spontaan naast hem staan en ze leren elkaar zelfs kennen via de moderne sociale media… (Maar daarover volgen binnenkort nog verhalen.)
  • Melquiades levert ons ver van huis een huiselijk gevoel. Ze geeft ons de mogelijkheid om eindelijk ook eens naar onze eigen tand te koken en te kruiden, wanneer het even teveel wordt met de nieuwe keuken (rijst met kip, kip met rijst en papas fritas natuurlijk…). Daarnaast zorgt hij er voor dat we ons in alle vrijheid, zonder rekening te houden met transporturen, kunnen verplaatsen en dat we kunnen slapen op eender welke locatie: van het kleinste plein, tot de grote stad of de wilde natuur.
  • Melquiades is een panoramische bus die langs alle kanten lichtrijk is en een 360 graden zicht naar buiten toelaat. Daarnaast lijkt hij veel ruimer dan de mathematische zes m².
  • Melquiades is door de jaren getekend en dat zie je onder meer aan zijn onzuivere huid. Maar dankzij zijn pitface krijgen wij ’s nachts altijd verse lucht binnen! Zelfs zonder een raam open te zetten hebben we voldoende luchtdebiet door de roestgaatjes.
  • Melquiades ging doorheen zijn leven reeds door verschillende hete vuren, maar bouwde daartegen een goeie kit aan antilichaampjes aan, een reparatiekit die honderden verschillende situaties aan kan. Als er zich een nieuwe situatie aandient dan helpen wij deze kit aanvullen.
  • Ook in warme regionen en eindeloze woestijnen weet Melqui raad. Hij geeft ons steeds toegang tot zijn persoonlijke koelbox, zijn grote – makkelijk vervangbare – waterreservoirs en zijn eindeloze opbergruimtes.
  • Slapen doen we met zijn drie op Melquiades’ zachte 3.0 bar wieltjes. Wij nemen het echter nog iets luxueuzer en slapen op een Boliviaanse 12cm dikke matras.
  • Melquiades is begaan met Alchemie en ontdekte reeds vele schatten van het leven. Maar hij hoopt toch ergens diep vanbinnen dat we een echte gouden schat ontdekken, want hij is daar elke dag opnieuw op voorbereid: we kunnen de kist op zijn rek zeulen en er een zeil over trekken om ongemerkt met onze schat door de landen te cruisen.
  • Het zal voor jullie geen verrassing zijn als ik zeg dat Melquiades een romanticus is? Voor tijdens de koude nachten houdt hij steeds zijn Love-ledverlichting klaar! Naast een romantische ziel, heeft hij ook zijn extravagante kantjes zoals uit de ‘ingemaakte’ diertjes in de deurhendel en vitessebakbediener blijkt.
  • Wanneer het te warm is en de ventilatiegaatjes van Melqui niet volstaan heeft hij nog de voorziening van een ventilator die ons het leven aangenamer maakt!
  • Dankzij het samenreizen met de vorige vrienden die Argentijnen zijn, is Melqui voorzien van een maté-houder. Of meer algemeen een houder voor grote en kleine flessen.
  • Zwakkere puntjes: Wij zijn niet alle drie Love and Peace en ook al zou je erover kunnen twijfelen, GEEN HIPPIES, dus we zeggen elkaar ook de bittere waarheid zonder altijd een positieve zeemzoeterige immer positieve kant te koppelen aan iemands gebreken…
    • Melqui is niet zo waterdicht… Maar we werken er aan!
    • Melquis ouderdomsvlekjes die voor verluchting zorgen, worden elke dag een beetje groter… Maar we doen er ooit wel iets aan!
    • Melquis snelheidsmeter werkt niet… Maar dat vinden we helemaal niet erg!
    • Melquis benzinemeter werkt niet ontzettend correct… Maar tot nu toe reden we de tank nooit leeg!
    • Melquis kofferdeksel kan enkel van binnenuit open… Maar dan kunnen de stoute dieven er ook niet in!
    • Melquis besturingssysteem wijkt een beetje af naar rechts… Dus sturen we een beetje tegen naar links!
    • Melquis benzinetank sluit niet perfect af, want in de bochten laat hij luchtjes… Maar dat doet Tim ook! (Hehe, wat een lol, ik viel even uit mijn rol!)
    • Melqui heeft ook gaatjes aan zijn onderkant… Maar zo kunnen we de staat van de weg onder ons zien terwijl we rijden!
    • Melquis versnellingen zijn soms een beetje moeilijk te bedienen… Maar dat is een garantie dat niemand makkelijk met hem weg zal rijden!
    • Melqui krijgt het in de bergen soms heel warm, zijn motor verhit bij het te snel naar boven rijden… Dus zetten we de motorkap open en rijden we heerlijk op het gemak om meer van de landschappen te genieten!
  • Hulpverstrekking onder vrienden: Het is maar best dat Melqui sociaal is en dat we elkaar graag zien, want af en toe moeten we bij onze en zijn vrienden hulp zoeken… Ik geef jullie graag een zeer klein greepje uit deze hulpverstrekkingen. (Er volgt nog een heldenvoorbeeld van hulpverstrekking in een van de volgende blogs!)
    • Zijn zenuwstelsel of elektrisch systeem heeft het af en toe lastig door zijn zware leven en doordat hij reeds door vele onbekwame doktershanden gegaan is. We bezochten samen al verschillende bekwame en minder bekwame maestro electricista’s en trokken meermaals de joker van de kennis van Jeroen, mijn goeie vriend en motorspecialist én tegenwoordig af en toe garagistenhersenpan op afstand!
    • We gaven Melquiades een kleine schoonheidskuur om hem opnieuw wat sexyer te maken. Zijn ouderdomsvlekken kregen een nieuw laagje plamuur en verf, de ramen die hij op een of ander avontuur verloor en moesten vervangen worden door plastieken tijdelijke vervangingen werden opnieuw de deftige glazen versies (voor een kleine 30 euro). Ook wat nieuwe gordijnen binnen en buiten zorgden er voor dat hij er als nieuw uitzag!
    • Af en toe regent het hier toch eens in Zuid-Amerika en tijdens eender welke vorm van neerslag zag Melqui niet denderend goed aangezien zijn ruitenwissers het af lieten weten. Dat namen we dan maar samen onder handen.
    • Melquis bestuurdersdeur had een probleempje dat we als permanent kinderslot kunnen omschrijven. Niet zo handig dat je als bestuurder de auto niet kan opendoen, noch sluiten… Dus daar hebben we ook al een inventieve oplossing voor gevonden met touwtjes en pareltjes… Check it out! Daarnaast zorgden we ook voor handgrepen (gemaakt uit oude fietsbanden) om de auto van binnenuit dicht te kunnen trekken. Best handig…
    • Vele jaren was Melqui tegen de moderne technologie, maar wij hebben hem geconverteerd! We gaven hem een nieuwe batterij en een 12V aansluiting zodat we permanent en ongestoord kunnen luisteren naar THE 1001 ALBUMS YOU MUST HEAR BEFORE YOU DIE!! (Dank u Sammy voor het zeer geduldige opzoekwerk! Dank u Broere Tom voor het overzetwerk en met de koeriers mee te geven! Er zijn al vele nieuwe vrienden mee gemaakt op reis!) We kunnen nu volledig autonoom al onze elektronica opladen! Ja ook landlopers hebben daar nood aan!
    • Bij nachte zag onze maat Melqui echt slecht, dus we gaven hem nieuwe ogen… Met de nieuwe lichten kunnen we alles aan! Maar dat betekent niet dat we grote fan geworden zijn van de Zuid-Amerikaanse wegen by night!
    • Andere lichten die reeds vervangen werden zijn de binnenlichtjes. Een investering in ledverlichting die ons in staat stelt om bijna eindeloos romannekes in ons bed te lezen.
  • Grootste uitdagingen: De papieren die ons aan elkaar verbinden zullen blijvend de grootste uitdaging op ons avontuur vormen. Melqui is en blijft een Mexicaan ver van huis. We geraakten samen reeds in Peru binnen, maar dat was doordat de voormalige vrienden van Melqui mee waren naar de grens en de auto op hun naam het land binnenbrachten… Daarnaast geraakten we reeds Ecuador binnen (flashforward…) maar dat was grotendeels omdat we (bewust) een grens gekozen hadden zonder internetverbinding en met nauwelijks telefoonverbinding in the middle of nowhere…Maar of we nog terug binnen zullen mogen in Peru, of we nog in eender welk ander Latijns Amerikaans land binnen zullen mogen, dat is de grooooote vraag!!
  • Nieuwe medereiziger!!!!!!!!!!!!!: Geen nood, een vierde reisgenoot betekent opnieuw geen zwangere Eline, maar wel EDUARDO! Een nieuwe permanente reisgenoot! Aangezien Melqui soms eenzaam was wanneer wij een stad bezochten of nieuwe vrienden maakten, zochten we hem ook een nieuwe vriend. En wie kan nu een warmere vriend zijn in deze Andes dan een lama gemaakt uit lamawol?

Onder de hoede van Doña Antonia

Hoe het leven er in El Alto uitzag, was al duidelijk in het verhaaltje van Tim, maar de precieze particulariteiten van één welbepaald ‘huis’ hebben we nog niet toegelicht. Wij leefden tien dagen bij Doña Antonia. Bij het arriveren op een zonnige maar erg koude zondagochtend, hadden we nog geen enkel idee wat we allemaal zouden meemaken …

Op die welbepaalde zondagmorgen, een drietal maanden geleden, worden we om 8u verwacht ergens in een huis op een hoek met de naam ASARBOLSEM, in de wijk Primero de Mayo, in El Alto, La Paz. Bolivia. Geen enkele taxichauffeur die deze plek kent uiteraard, noch de straatnamen die we opgegeven kregen. Gelukkig is ons Spaans al iets geavanceerder dan in het begin van ons avontuur en vragen we aan verschillende passanten onze bestemming. Mooi op tijd (zoals altijd ;-) ) worden we hartelijk ontvangen door Mercedes en Damian, de vorige eigenaars van Melquiades (ons liefste en witste bolleke). Zij zijn op hun beurt te gast bij Doña Antonia Rodriguez, een gewezen minister en heden ten dage de bezieler van de organisatie ASARBOLSEM, een organisatie die de Boliviaanse artisanale arbeid ondersteunt via logement en eerlijke prijzen.

Hoe onze ervaring en ons tiendaags verblijf beschrijven en waar te beginnen? We zitten in één van de vele wijken van El Alto, een heel eind voorbij de luchthaven, dus ver voorbij de ‘veilige toeristenzone’. Het is één van de vele wijken in opbouw, het is een klein bouwblokje van deze gigantische nieuwe stad van één miljoen inwoners. Ik begin bij ons onthaal door Doña Antonia. We merken een schuchtere vriendelijkheid, “wat komen jullie hier doen?”, “zijn jullie zeker dat jullie de auto kopen”, “zijn er nog mensen geïnteresseerd in die auto??” … De vragen lijken op een zeer sympathieke maar onzekere manier te polsen hoe lang het busje hun binnenplein nog zal blokkeren. We vernemen later dat Dami en Mercedes op dat moment al een grote week te gast zijn bij Antonia. Zij zijn daar beland door een verre nonkel van Mercedes die de zoon is van Antonia.

De familie Rodriguez heeft een opvallende eigenschap die ons vanaf de eerste minuut al overvalt. Ze kunnen niets op hun gemak doen. Alles moet altijd gehaast zijn. Doña Antonia vliegt altijd voorbij, ze praat als een wervelwind, alles wordt snel beslist. Ze laat ons bijna geen tijd om te antwoorden op haar vragen en bijgevolg is er ook bijna geen tijd om meer diepgaande gesprekken te hebben. Wanneer we bijvoorbeeld later op de dag in de centrale keuken zitten, loopt de andere zoon van Antonia als een wervelwind zevenendertig keer voorbij. Waarom hij om de vijf minuten naar boven komt en weer naar beneden sprint, is ons nog steeds onduidelijk, want er blijkt in al die haast geen tijd voor vragen. Hij heeft het duidelijk van zijn moeder (de appel en de boom?).

Doña Antonia is duidelijk altijd al de leidende dame geweest en sinds het oprichten van de organisatie ASARBOLSEM heeft ze de touwtjes stevig in handen gehad. Een organisatie met het hart op de juiste plaats. Vanaf midden de jaren tachtig is er een dalende werkzaamheid in de mijnen en de inheemse bevolking ziet zich genoodzaakt om af te zakken naar “de stad”. De laatste twintig/dertig jaar boomt – en kraakt – El Alto onder de steeds toenemende stroom van nieuwe stadsbewoners. Nieuwe huizen worden opgetrokken, nieuwe terreinen worden omheind, nieuwe wijken krijgen vorm, nieuwe werkzaamheden moeten worden gezocht. Doña Antonia groepeert de nieuw aangekomen vrouwen onder één koepel: ze vormen in de eindeloze stadsjungle een kleine gemeenschap die artisanale producten maakt. Parallel komt deze organisatie op voor eerlijke handel, in samenwerking met internationale NGO’s wordt gezocht naar een eerlijke prijs voor eerlijk werk. Deze vrouwen maken hand gebreide pulls, sjaals, handschoenen, wanten, sokken en andere kledingstukken in alpacawol (of voor de niet-wol-kenners: een soort lamawol). Ondertussen zijn ze uitgegroeid tot een omvangrijke gemeenschap, met een centraal huis. Het huis van ASARBOLSEM waar wij tien dagen onze thuis zullen vinden. (http://asarbolsembolivia.blogspot.com/)

De dames kleden zich nog steeds in traditionele klederdracht: zwart bolhoedje, wit geborduurd hemd met daarover een driehoekige sjaal, een klokvormige kleurrijke rok en niet te vergeten de rubberen sandaaltjes, die altijd te klein zijn, met dikke wollen sokken – sandalen op een hoogte van 4100m en een gemiddelde temperatuur van 5°C?!? De dametjes worden minimum één dag per week verwacht in het gemeenschapshuis om alle bestellingen te verdelen of samen te werken. Doña Antonia heeft ondertussen al een uitgebreid netwerk van afnemers opgezet: van Noord-Amerika en Europa tot in Japan. Hoe het werk precies verdeeld wordt, hebben we eens kunnen observeren. Als buitenlanders – of gringo’s zoals ze ons nog steeds graag noemen – zijn we getuige van een manier van werken waar we niet aan gewoon zijn. Er liggen allemaal stapeltjes wol in verschillende kleuren in het rond, schijnbaar willekeurig. Antonia loopt vervolgens rond met tientallen mini blaadjes (hoe deze niet verloren raken, is een wonder). Doña Antonia zwaait de plak en beslist wie wat moet maken, want alle Boliviaanse vrouwtjes zitten maar te poepgaaien en schaapachtig te lachen. Vanaf wanneer er buitenlanders aanwezig zijn, ook Dami en Mercedes die Argentijnen zijn, valt er een directe en onverbiddelijke stilte. Ik vraag me af hoe ze onder elkaar communiceren als er niemand anders bij is. Want wij treffen alleen doña Antonia die luidop aan hoog tempo spreekt, typische mopjes maakt en in naam van iedereen het woord voert.

Maar hoe kwam het nu dat we daar mochten verblijven? Wij hadden helemaal niet gedacht dat het – het worden van een tijdelijke “El Alto bewoner” – mogelijk zou zijn. Dami en Mercedes verbleven daar al een kleine week en kenden bijgevolg al een beetje de huisgewoontes. Zij gingen eens polsen of er eventueel nog plaats was voor ons en hadden al snel door dat het beter zou zijn als zij het zouden aankaarten met alle nuances in de Spaanse taal. We hadden een vermoeden dat het niet gemakkelijk zou worden. Een kwartier later was alles reeds beslecht en we mochten blijven. Hoera! Wat was nu de reden waarom ze eerst aarzelde? “Zijn we wel brave mensen? Zullen we niet elke avond tot een gat in de nacht gaan feesten en ons bezatten?” Op dat moment kenden Dami en Mercedes ons ook nog niet zo goed, maar we zagen er uiteraard als heilige engeltjes uit.

Als brave logées stonden we de eerste morgen op rond 7.30u, omdat we vroeg aan de dag wilden beginnen en om alle auto-werkjes zo snel mogelijk gedaan te krijgen (we zijn en blijven de efficiënte Europeanen…). We wisten nog niet dat elke morgen om 8u – stipt – Antonia zou komen binnenstormen. Ze klopt drie keer als een dulle Griet op één van de deuren van het appartement om haar 47 jarige zoon uit zijn bed te halen. Het was voor ons een uitstekende aankondiging met welke gedreven dame we te maken hadden.

Een paar avonden later – en zonder dat de autowerkjes al te veel gevorderd zijn – splitsen we de werkjes op: Tim & Mercedes gaan om auto-onderdelen en ik & Dami om inkopen. We beslissen dat het een mooie avond is om lekker te koken en om een pintje te drinken. We kopen slechts vier blikjes voor vier volwassenen voor een hele avond. Tijdens de maaltijd komt Antonia binnengewaaid, zoals altijd heel onaangekondigd: “Er mag geen alcohol gedronken worden in dit huis.” Ik dacht eerst nog dat ze een mopje maakte, maar niets was minder waar. We besluiten dan maar in de toekomst braaf buitenshuis te drinken.

Aangezien we te gast zijn in het huis van ASARBOLSEM, willen we graag een handje toesteken. Maar het is niet gemakkelijk om een plekje te vinden waar er nog hulp nodig is. Doña Antonia heeft haar eigen structuur en vooral haar eigen ideeën en regels over hoe de dingen moeten lopen. We blijven aandringen dat we graag ergens willen helpen en uiteindelijk heeft ze een taakje voor ons gevonden. Mercedes en ik mogen de winkel met allerlei tentoongespreide alpaca spulletjes herordenen en vooral kuisen. Een taak die we waarschijnlijk serieuzer nemen dan ze bedoeld had, want we vullen er twee volledige dagen mee. Tijdens onze activiteiten vroegen we ons af wie de winkel ooit bezoekt, want tijdens onze tiendaagse hebben we niemand ooit de winkel zien betreden… Dat heeft grotendeels te maken met de verkoop in grotere oplages, zoals bijvoorbeeld aan Oxfam.

Een paar andere gebeurtenissen die ons gastvrije – maar tegelijkertijd ook beklemmend – verblijf ten huize doña Antonia weergeven. Op een doordeweekse middag kookt Antonia voor de derde keer op rij voor ons: kleine rode patatjes, witte maïs, grote maïskolven, bonen en alpacavlees. Wij zijn dankbaar dat ze voor ons kookt, om de echte Boliviaanse keuken beter te leren kennen, maar tegelijkertijd moeten we toegeven dat we daar misschien niet zo heel veel zin in hebben. Wanneer wij het omgekeerde aanbieden, bijvoorbeeld een vegetarisch gerecht met veel groentjes, weigert ze altijd heel beleefd. Het is duidelijk, ze eet alleen maar de traditionele Boliviaanse maaltijden.

Eén minuut nadat we ons bord leeggegeten hebben, kondigt ze aan dat we nog eens moeten mee-eten met de dames beneden. In de werkplek zitten een achttal dames gezellig bij elkaar op de grond. In het midden ligt een doek met daarop de verschillende potten: rijst, vlees, pikante saus… Zelf hebben ze geen bord noch bestek om mee te eten. Ze leggen hun eten op een veel te klein plastiekje, waar natuurlijk de helft naast valt. Op de koop toe nemen ze het eten met zijn allen uit dezelfde pot en valt nog eens de helft op de grond tussen de pot en hunzelf. Alle vrouwtjes in El Alto, en ook alle traditionele dames die we gezien hebben, dragen een schort boven hun kleed. Deze schorten zijn het best te vergelijken met een schort die onze grootmoeders droegen wanneer ze het eten klaarmaakten, met dat verschil dat na het middagmaal de schort aan de haak ging. Deze dames daarentegen dragen die – vuile met etensresten besmeerde – schort de hele dag door: wanneer ze eten, wanneer ze kletsen, wanneer ze over straat lopen, wanneer ze werken (= wanneer ze breien met alpacawol) …

Wat de oplossing is voor deze netelige situatie, zijnde waar etensresten worden gemengd met pure alpacawol, ontdekten we de volgende morgen. Als een voorbeeldige gast, beslis ik op een willekeurige morgen nadat we al een vijftal dagen te gast zijn bij Antonia, om de keuken en de gemeenschappelijke ruimtes te kuisen, als teken van dankbaarheid. Ik had geen slechtere dag kunnen kiezen. De keuken is nog niet half gedroogd of er komen al vijf dames binnengelopen. Geen idee wat er aan het gebeuren is, Antonia is zelf nog nergens te bespeuren, dus we kunnen alleen maar toekijken wat er zal gebeuren. Alle waskuipen worden buiten op het terras gezet. (Het terras van de organisatie is echt fantastisch, met een geniaal uitzicht over de stad. Als er zon is in El Alto, dan is er echt heel de dag door zon op het terras.) Er worden zakken en zakken handschoenen, wanten, sjaals etc. naar boven gehaald om die allemaal tegelijk op het terras te wassen. De vijf dames, zelfs na de handeling vermoedelijk al 100 keer te hebben uitgevoerd, weten ook nog niet zo goed wat ze nu precies moeten doen. Op dat moment komt redster Antonia op de proppen. Zij dirigeert alle dames: waar de kuipen te zetten, hoeveel water te gebruiken, hoelang te schrobben … Wanneer wij beslissen een handje toe te steken, laat ze ook duidelijk merken wat wij moeten doen én wat we helemaal niet correct doen. Je moet wel degelijk op een heel specifieke manier schrobben. Op het einde voelen we dat een ‘dankjewel’ niet thuis hoort in deze cultuur en dat we dat ook niet mogen verwachten, je voelt je toch steeds een beetje een buitenstaander.

Een andere vorm van Antonia’s communicatie – of niet-communicatie – komt ook naar voor op diezelfde morgen. Iedereen van ons gezelschap is met iets bezig, ook ik ben aan het meehelpen aan de was, maar plotseling zegt Antonia dat ik met haar mee moet. Ik dacht dat ik net zoals de dag ervoor mee moest om haar inkopen te helpen dragen. Maar neen, niets is minder waar. Het is een eerbetoon aan de politie van El Alto die reeds zes jaar bestaat. Er staat een podium waar alle belangrijke personen (o.a. de ambassadeur van het Verenigd Koningrijk) op mogen/moeten staan, ook doña Antonia – en dus ik ook in mijn vuilste werkkleren. Ik zit daar meer dan anderhalf uur op het podium, te kijken naar allerlei fanfares en huldigingen (en te verkleumen van de kou). Ook doña Antonia krijgt een eerbetoon die ze snel in mijn handen duwt. Geen idee wat ik eigenlijk doe op dat podium tussen allemaal belangrijke dames en heren en legerofficieren. Half verkleumd en met blauwe vingers keer ik uiteindelijk terug naar onze thuisbasis waar opnieuw een heerlijke maaltijd van Antonia wacht.

Het werk van Doña Antonia is fantastisch. Zij is er in de afgelopen twintig jaar in geslaagd om een organisatie op poten te zetten die lokale vrouwen de mogelijkheid heeft om hun kwaliteiten te benutten en dit op een faire manier te vergoeden. Het is een organisatie die erin geslaagd is om niet alleen op nationaal niveau bestellingen te leveren, maar ook een internationale afzetmarkt op te zetten. Ze slaagt erin om de niet zo spraakzame traditionele dames te verenigen onder één vlag. Ze is erin geslaagd om in een periode waarin er een massale toeloop was van de dorpen naar de stad, het grote aantal traditionele vrouwen een waardige plek te geven in een ongekende en eerder vijandige wereld van de nieuwe stad, El Alto.

Wij hebben de unieke kans gekregen om van dichterbij kennis te maken met deze organisatie en dus ook met de traditionele dames, die door de band genomen heel erg verlegen zijn en hun mond bijna niet durven te openen bij buitenlanders. We kregen de mogelijkheid om mee te helpen, slechts op kleine manieren, in de organisatie. We hebben geleefd volgens de soms moeilijk interpreteerbare regels van Doña Antonia, of dat hebben we toch gepoogd. Of we op het einde echt een praktische meerwaarde hebben kunnen toevoegen, is voor ons nog steeds onduidelijk maar we hopen dat we ook voor hen een eye-opener konden zijn.

El Alto, La Paz, Bolivia

Ik sta op de middenberm van de Avenida Boliviana in één van de oneindig vele centra van El Alto en een taxi maakt een U-turn om mij heen die hij maar net kan halen. Het tafereel doet me in een flits denken aan het kruispunt van de Gentse binnenring met de Drongense Steenweg, waar menigeen onder jullie ongetwijfeld ook al eens een bocht van 180 graden gemaakt hebben om naar de Colruyt te rijden. Maar behalve deze spontane flashback naar huis is alles is hier toch een klein beetje anders dan in Brugge of Gent…

 

De oude geplamuurde vaalwitte Toyota, met een veel te klein maar kleurrijk bordje achter de gebarsten voorruit waarop “taxi” te lezen staat – als enige vorm van identificatie – scheurt met gierende banden over de sterk degraderende betonplaten, kan met de neus van z’n wagen slechts nipt over de boordsteen (maar wist dit duidelijk al lang), ontwijkt net twee opaatjes, toetert om zijn aanwezigheid als taxi kenbaar te maken (om klanten te lokken) en vijf meter verder hoppen reeds vier vrolijke dames met bolhoedjes, klokvormige rokken en wollen doeken, waarin baby’s en/of goederen gewikkeld zitten, in de wagen.

 

Ik blijf bij dit tafereel twee minuten stilstaan in het midden van de drukke ‘avenue’ en probeer voor mezelf duidelijk te stellen hoe verschillend deze wereld van de onze thuis is. Ik doe een edele poging, want na zeven maanden reizen (op dit continent) wordt het reeds een beetje moeilijker om de vinger op alle details te leggen.

Ik begin vanaf mijn imaginaire raakpunt tussen onze twee universa.

Laat het er ons over eens zijn dat de gemiddelde Belgische bestuurder, fietser of voetganger die over het vooraf vermelde kruispunt passeert, dit een totaal onverantwoord manoeuvre vindt, dit als een levensgevaarlijke situatie bestempelt en een flinke resem ‘godsverdommenissen’ uit zijn klankkast laat schallen. Wel, hier… gebeurt vijftig meter verderop in elke richting om de drieëntwintig seconden gewoon hetzelfde. Ook als er toevallig een politieagent op zou staan kijken.

Hier gelden eenvoudigweg andere regels op straat. De eerste en belangrijkste is – uiteraard – dat de sterkste voorrang heeft: de voetganger wijkt voor de auto, de auto voor de minibus en deze laatste voor de 40-tonner. De tweede ongeschreven wet is dat je fysiek met je wagen aangeeft waar je heen gaat en je duwt je voertuig tot je op de juiste locatie komt; je doet dit zeer overtuigend, bij ons zouden we zeggen onbeschoft, maar hier is van onbeschoft zijn geen sprake; als je merkt dat de andere je voor is, geef je toe en je vuist of je middenvinger hou je voor jezelf. Drie: je bent zeer oplettend, want een minibus of colectivo stopt op het eigenste moment dat één van de passagiers roept “Me quedo por la ‘squina por favor” (ik stop bij DIT kruispunt): onmiddellijk op de rem, aan de kant, de achterligger is aandachtig en wijkt uit, en die erachter ook. Eenmaal alle spelers deze eenvoudige regels kennen, werkt deze verkeerssituatie net zo goed als de onze. Soms beter, soms uiteraard ook een beetje slechter.

Hoe deze situatie beter kan werken dan de Belgische met de honderden of duizenden regeltjes (die –meestal – gevolgd worden)? Enerzijds door het ontbreken van privéwagens en anderzijds door de goeie werking en spontane veerkracht van het openbaar vervoer. Het is een transportsysteem zonder één specifiek busbedrijf en het is gebaseerd op slechts enkele eenvoudige vuistregels: een maximumprijs, afgesproken tussen de talloze minibusbedrijfjes en de staat; een aantal vaste routes die aangegeven worden door kaartjes achter de voorruit; en een te betalen taks als privé-busbezitter of als busbedrijfjesgroep. De rest van het systeem groeit organisch. Op het spitsuur krioelt het van de colectivo’s en het verkeer vertraagt grondig, maar staat niet stil! Bijna niemand bezit een privéwagen en haalt die al helemaal niet uit in het centrum. De staat heeft namelijk een nieuwe wet ingevoerd om het chaotische autoverkeer in de stad te ontmoedigen: de ene dag mogen slechts de even nummerplaten binnen, de andere dag de oneven. Wanneer er meer zitplaatsen in de busjes dan passagiers voorhanden zijn, zakken de chauffeurs hun prijs van 1,50 Boliviano’s naar 1 Boliviano (of van 20 eurocent naar 13 eurocent). Ze geven dit aan met een bordje en/of een hulpje roept dit luidkeels uit het raam van de schuifdeur naar al wie het wel en niet horen wil. Wanneer er echter meer werk is, rijden er ook plots meer busjes: iedereen die een busje bezit, rijdt rond wanneer het hem (niet haar…) in combinatie met een andere job uitkomt. Naar mijn inschatting vervult zeker één tiende van de bevolking van El Alto een rol in het transportsysteem! Op drukke verkeersknooppunten, zoals de autosnelweg tussen El Alto, de autonome bovenstad, en La Paz, 500 meter lager, staan de bussen met honderden – en soms in vier rijen tegen elkaar gedrukt – bijeen. Het lijkt een onmogelijke situatie op het eerste zicht, maar ook hier ontstaat automatisch een oplossing. Officieuze bushelpers roepen luidkeels waarheen de eerste van deze reeks bussen gaat, helpt iedereen zo snel mogelijk instappen en loodst vervolgens het busje door de mierenhoop van minstens 300 busjes heen als een halve politieagent én voor dit alles krijgt hij 1 Boliviano of 13 eurocent.

Wanneer in Brussel de kleine binnenring onderbroken is door een betoging, straatevenement of veranderde verkeerssituatie (we zijn af en toe mee met de actualiteit), loopt alles in het honderd. Hier verleggen de verkeersstromen zich eenvoudigweg of stap je uit een busje om aan de andere kant van de onderbreking opnieuw in een colectivo te springen. Wanneer je onderweg met minder dan 10 personen in het busje zit, kan je de chauffeur makkelijk vragen een ommetje te maken en dan betaal je een paar eurocentjes meer.

 

Naast deze natuurlijke verkeerschaos is er wel meer anders als ik rond me kijk vanop mijn observatiepunt. Op wandel naar huis besluit ik mijn ogen goed open te houden en te beschrijven welke verschillen ik waarneem.

Zo is de straat waarover ik loop volledig aangelegd met zeshoekige klinkers. Het soort straatbedekking dat bij ons zeer populair was bij duizenden verhoogde kruispunten en die gaandeweg vervangen werd omdat het draaiende vrachtverkeer sporen trekt en de drempels onbruikbaar maakt. Waarom is hier de volledige stad aangelegd in dergelijke klinkers? De oorzaak is verder te zoeken dan op het eerste zicht zou blijken. Bolivië heeft sinds een oorlog met Chili, ruim een eeuw geleden geen directe verbinding meer met de zee. Bolivië is naast Paraguay één van de twee Zuid-Amerikaanse landen die volledig ingesloten ligt en is dus bijgevolg afgesloten van de wereld op economisch vlak waardoor het importeren van goederen zoals teer veel duurder uitdraait dan (goedkope) handenarbeid. De wereld op z’n kop, zo lijkt het voor ons.

 

 

De chaos van het verkeer vinden we ook grotendeels terug in de ‘kleinhandel’. Ik zie op mijn linkerkant vijf ‘buurtwinkeltjes’ quasi naast elkaar die dezelfde goederen verkopen. Deze hebben allemaal bijna hetzelfde. Maar altijd ontbreekt – uiteraard – iets essentieels waardoor je naar de volgende tienda – of naar een van de honderden dagelijkse markten – moet om je maaltijd te kunnen realiseren. Tijd blijkt hier nooit het probleem: een paar uurtjes verliezen om je avondmaal samen te stellen is toch de normaalste zaak van de wereld?

 

Hetzelfde geldt wanneer je iets wil herstellen aan de auto: remmen, embriages, ruiten, bougies, veringen en schokdempers… er bestaat telkens een andere winkel(soort) voor. Opnieuw werkt het een beetje anders dan ‘bij ons’. Als je je auto brengt naar een garagist voor een klein of groot onderhoud, ga je er gewoon de volgende week om (meestal toch). Hier heeft de garagist quasi geen vervangstukken liggen en verwacht hij dus dat je om alle nodige stukken loopt/rijdt/zoekt … Je staat ter zijnen beschikking en verliest makkelijk nog eens een halve dag (of meer).

Wanneer er bijvoorbeeld moet gelast worden, heb je in de ‘lassersstraat’ keuze tussen een vijftigtal ‘maestro’s’. De één al met meer werk dan de ander. In de parallelle straat staan dan weer tientallen kleinhandels schouder aan schouder met een berg snelbouwstenen voor de deur. Letterlijk een BERG, in de vorm van een BERG, geen paletten maar stenen die per drie met de hand uitgeladen worden van een grote truck en opnieuw ingeladen worden in kleinere vrachtauto’s. Dodelijk efficiënt…

 

Ik wandel nog een beetje verder door de brede straat waar niks meer van het feest van gisteren te zien of te ruiken valt. Om de vijf huizen stonden, in deze straat langs de parade, twintig bakken buiten en de vrouw des huize was voor één dag barvrouw (zonder drankvergunning uiteraard, wat is dat?). Deze ambulante ‘pop-up’- mentaliteit waar iedereen zijn opportuniteiten zoekt, treffen we telkens opnieuw.

 

Op het traject naar huis zie ik enkel rode snelbouwstenen en grijze beton. Huizen zonder pleisterwerk waardoor deze eindeloze sprawl aan bebouwing een homogeen uitzicht krijgt, een eigen niet doelbewuste esthetiek. Deze onafgewerkte huizen poppen als paddenstoelen uit de grond in deze relatief nieuwe wijk en de huizen afwerken lijkt het laatste van de bewoners hun zorgen. Bij ons zouden we een onafgewerkte woning onaanvaardbaar vinden, hier gelden andere prioriteiten: een dak boven het hoofd en zo veel mogelijk de wind buiten houden.
Voor de architecten: van vochtproblemen hebben ze geen last: het regent hier af en toe, maar de lucht is zodanig droog en de luchtdensiteit zo laag dat de snelbouwstenen meteen weer uitdrogen EN binnen is geen verwarming en voldoende ‘natuurlijke ventilatie’ aanwezig, dus vochtdiffusie in de muren is er ook nauwelijks!

 

 

 

Terwijl ik verbaasd ben over de eenvoudige bouwdetails, probeer ik me exact voor de geest te halen waar ik me ergens bevind in deze chaos. Ik weet dat ik me ongeveer een vijftal kilometer van de huidige buitenrand bevind, maar dat deze wijk over vijf jaar mogelijks twintig kilometer van de stadsrand zal liggen.

Deze ‘boomende’ terracottakleurige bovenstad, die nu reeds meer inwoners kent dan La Paz (met zijn één miljoen stedelingen), deint uit aan dergelijke snelheid dat een globale bouwcontrole en stedenbouw niet kan bijbenen. Dit resulteert in een eindeloze nevelstad waarvan de meest recente google luchtfoto reeds hopeloos gedateerd is, bijna vergelijkbaar met de ‘Hublewaarnemingen’ van ons heelal die altijd het verleden weergeven. Deze groei gaat gepaard met telkens veranderende en bijkomende informele centra die ontstaan op belangrijke transportknooppunten of –assen. Deze plekken evolueren telkens van ambulante standjes, tot winkeltjes, en via een stijgende bedrijvigheid resulteren ze uiteindelijk in formele machtcentrumpjes die op zichzelf bestaande wijken worden. Deze stad groeit omgekeerd: ‘bottom-up’.

El Alto is gelegen op de hoogvlakte boven La Paz en groeit gigantisch aan door een toestroom uit de rest van het land. We zouden El Alto het ‘Nieuwe La Paz’ kunnen noemen. Deze nieuwe nucleus is echter gelegen naast de luchthaven van La Paz, met andere woorden deze nieuwe stad evolueert rondom dit stuk niemandsland. Is een nieuw centrum mogelijk zolang deze lege vlakte als kwaadaardig gezwel in het midden blijft liggen?

 

 

Deze stad is één en al bijgestuurde wildgroei, is onafgewerkt, maar ze is proper! In alle landen van Zuid-Amerika waardoorheen we reeds reisden (met uitzondering van de Amazone) steekt vuilnis de ogen uit, maar in El Alto niet.

Links wordt mijn oog afgeleid door de schilderingen op een schoolmuur die mij vertellen gezond te eten, terwijl ik rechts de dagelijkse vuilkar met zijn ‘ijskar’-deuntje hoor langsrijden en zie de mensen zelf hun vuilnis schatplichtig in de vuilkar gooien. Er is hier nog een lange weg af te leggen voor recyclage, zoals in het hele continent, maar op het vlak van hygiëne blinkt deze stad toch al uit ten opzichte van het platteland en vele steden in de buurlanden. Een propere stad wordt zelfs letterlijk gelinkt aan een ‘hogere cultuur’. ‘El Altoërs’ met wie we aan de praat raakten, zijn trots op hun propere bovenstad en “willen ‘hun lucht’ die veel gezonder is dan die van de vallei La Paz ook zuiver houden”.

En wat dat recycleren betreft, kan ik niet ontkennen dat ons systeem goed werkt, maar we mogen ons er als tijdelijke bezoekers van een land niet op blindstaren. Hier bestaat een officieuze variant van ons heilig recyclageboontje. Hier wordt alles gerepareerd en hergebruikt! Waar wij bijvoorbeeld nieuwe remblokjes zouden kopen (en dus de oude die verschillende niet recycleerbare materialen combineren weggooien) ‘kleven’ ze hier een nieuwe remlaag op de blokjes waardoor ze weer twintigduizend kilometer kunnen dienen. Als een onderdeeltje van je tv kapot is, zal de ‘tv-specialist’ die voor een aantal euro opnieuw aan de praat krijgen. En ga zo maar eindeloos door! Wie vervuilt er dan meer? Hij die om de vijf jaar een nieuwe auto moet kopen omdat dat fiscaal voordeliger is door onze eindeloze regeltjes, maar wel trouw zijn batterijen recycleert OF zij die hun plastic en groenafval niet afzonderlijk verwerken, maar alles tot in de eindeloosheid proberen te hergebruiken…

Binnen diezelfde lijn van bewustmaking vinden we een campagne voor veiligheid: straten worden afgezet bij manifestaties, voetgangers worden naar zebrapaden gestuurd door fluo gekleurde jokermannetjes en de nieuwste verbinding met La Paz gebeurt via skiliftjes om het verkeer dat drukker wordt op de autostrade en de historische weg te verlichten en een veilige stroom te voorzien.

 

 

Mijn stream of consciousness gaat even zijn vrije gang en dit brengt me opnieuw bij de belangrijke beginpremisse: hoe afgesloten deze wereld is op zowel geografisch en economisch vlak. Hoe ongelofelijk dit land aan de grond zit als één van de armste landen van de wereld, hoeveel minder het sociale vangnet daardoor ook kan opgebouwd worden, maar hoe tegelijkertijd alles rondom mij leeft en bloeit… Hoeveel groter kan het verschil zijn met onze situatie waarin we ALLES hebben en bang zijn om een beetje te verliezen. Het zal in de aard van het beestje zitten.

“Als hier geen minimumloon is, geen sociaal opvangnet in combinatie met een gigantisch verschil in verloning en een groot percentage van niet geregistreerde arbeid, hoe draaien dit soort samenlevingen dan rond”, vroeg ik me voor het bezoek aan deze stad af. Het is diezelfde chaos, diezelfde flexibele informele wereld die ik rondom me zie, die het mogelijk maakt. Er is namelijk voor alle niveaus van verloning een andere wereld. Bij ons is het minimumloon gebaseerd op een relatief makkelijk berekenbaar minimum waaronder je niet menswaardig leven kan. Hier zie ik er onmogelijk een beginnen aan om deze prijzen te bepalen. Hier passen de prijzen zich aan, aan wie ze komt kopen. Als er niet genoeg verkocht wordt aan prijs A, zal het morgen prijs B zijn. Als je bij ons moet leven met het minimumloon, zou je afgesloten worden van talloze sociale mogelijkheden. Hier is een openbaar leven van de laagste inkomens aanwezig: hier bestaan volop restaurants die minder dan 1 euro kosten en zijn de groenten op de markt in de ene wijk 5 keer goedkoper dan die in de andere wijk. Voor vijf euro, exclusief vlees, kan je zeker één week leven in El Alto. Bij ons bestaat die parallelle markt niet.

 

De positiviteit in alles, waar komt die vandaan? Uit het gevoel dat alles langzaam beter kan worden, dat is zeker, maar ook grotendeels uit de beeldbuis. Wanneer ik ‘thuis’ zal komen in de wijk Primero de Mayo zal de tafel gedekt staan en aan het hoofd van de tafel zal ik het immer glimlachende nieuwsanker zien dat de, mij reeds gekende, hoofdpunten opdramt: een parade in wijk X ter ere van een nieuw aangelegde straat Y met bijhorende parade, een stap dichter bij de ontknoping van het terugclaimen van de gestolen zee door Chili, een hoofdpuntje met een openbare realisatie van de regering dat positief onthaald wordt, aandacht voor de armsten die het moeilijk zullen hebben in deze koude periode en een stukje over gezonde voeding. Positief nieuws dus, want zelf in de negatieve berichtgeving wordt een gevoel van solidariteit gecreëerd!

Bij ons zou dit soort berichtgeving compleet onrealistisch overkomen. Bij ons moet er steeds kritiek toegelaten worden en moet de regering zich kunnen verdedigen. Daarin vervult onze media normaalgezien zijn democratische taak. Hier worden alle werken van de regering positief onthaald op een Zuid-Amerikaanse propagandistische stijl, wat uiteraard de nodige gevaren inhoud, want de oppositie krijgt niet dezelfde ruimte op de populaire media. Maar dat springt ons al lang niet meer in het oog, want op dit continent bestaat geen objectieve berichtgeving. Wat ons treft, is de positieve boodschap van solidariteit als natie in dit land vol problemen een stimulans die aanslaat. Hier pakken de jonge politieke partijen, zoals die van Evo Morales – de eerste inheemse Aymara president van Bolivië – tenminste nog uit met idealen waar men al dan niet in kan geloven. Hier is nog een verschil tussen partijprogramma’s terwijl bij ons enkel de eenheidskoek van economisch gemotiveerde politiek bestaat.

 

Het is niet enkel via het nieuws en andere media dat de Bolivianen met trots doordrenkt worden. Ook op school staat de jonge Boliviaanse geschiedenis centraal en in elke speech, op elk wijkfeest, zoals we er ook gisteren één in onze wijk – Primero de Mayo – meemaakten, wordt het belang van het eigen volk en de snelle evolutie van de arme staat benadrukt. De Bolivianen zijn apetrots op hun eigen korte geschiedenis: zoals onze grootouders de heiligenkalender uit het hoofd kenden, zo kennen vele Bolivianen het dagfeest van een belangrijk historisch figuur en hoort daar elke dag opnieuw in een andere wijk een ander feest bij. Elke man en vrouw krijgt bij een van de jaarfeesten wel ergens een rol in dit gebeuren waardoor opnieuw een gevoel van participatie en het lot in eigen handen nemen overheerst. Er is nog een lange weg te gaan, maar de huidige Aymara-president, Evo Morales, heeft begrepen dat hij met deze positieve stimulans het volk kan verenigen om vooruit te geraken.

Dit soort retoriek gaat uiteraard met een heel sterk nationalisme gepaard. En nationalisme heeft hier zijn positieve effecten, zeker omdat er een poging in bestaat om de verschillende etniciteiten met hun verschillende talen dichter bij mekaar te brengen (i.p.v. die rijkdom aan diversiteit in taal en cultuur als barrière te zien), maar heeft uiteraard ook zijn negatieve kanten. Zo wordt bijvoorbeeld – uit een soort van protectionisme en omwille van een slechte voorgeschiedenis – het verkrijgen van een permanent visum voor inwoners van de VS en Israël quasi onmogelijk. Dat kan puur buitenlandpolitiek en bescherming van de eigen markt lijken, maar het is ongetwijfeld door de ruime berichtgeving hierrond op TV dat veel toeristen (die een belangrijke bron van inkomen zouden kunnen zijn) afgeschrikt worden door de vele ‘GRINGO!’ aanroepingen. Dit is een van de negatieve kenmerken van het WIJ-denken. Er is altijd een WIJ en een ZIJ.

 

Veel toeristen beschreven ons Bolivië als een moeilijk land om in te reizen. Als een land waar de mensen zo verlegen zijn dat je nooit iets uit ze krijgt, dat ze zelfs onvriendelijk zouden zijn, maar dat hebben wij zo niet beleefd. Voor ons dekt de term ‘verlegen’ onvoldoende. Zeker wat El Alto betreft. Voor ons zijn de mensen van deze jonge, boeiende, uit zijn voegen barstende stad zelfbewust, vriendelijk, behulpzaam, maar inderdaad behoorlijk zakelijk, niet ‘warm-uitbundig’ zoals men van Zuid-Amerika verwacht, maar daarentegen ‘warm-ingetogen’.

 

 

Diep verzonken in gedachten kom ik aan bij de organisatie Asarbolsem, die een schoolvoorbeeld is van de positieve vibe van El Alto.

En toen waren we met drie …

Dit is één van de kenmerkende Zuid-Amerikaanse gewoontes: het geven van ‘droom’-kasteelhuizen in miniatuurvorm, gefakete diploma’s, pakken monopolie-geld, mini autootjes … allemaal met het doel je naasten het allerbeste toe te wensen. We zagen menig markten waar talloze kraampjes uitpuilden met dergelijke zelfgemaakte poppenhuizen. We hadden nog geen idee dat …

Even terugkeren naar het begin. Zoals alleen wij dat kunnen, hadden we ons hoofd op iets gezet en smeten we ons volledig op de zoektocht naar … een auto. Jawel, we misten ons Marianne VW busje net iets te hard. Na wat veldwerk bleek de gemakkelijkste manier om een auto in Zuid-Amerika te kopen – voor een buitenlander – in Chili te zijn. Na de horizontale luilekkerweken in de Amazone per boot, klimmen we een eerste keer per bus naar het 4000 meter hoge La Paz om daarna af te zakken naar het noorden van Chili.

Net toegekomen in Arica worden we meteen gezegend door een sjofele man op straat. Ketters zoals we zijn, schenken we daar niet te veel aandacht aan. Maar een dagje later, tijdens een toeristisch uurtje, dat we onszelf toestaan tussen al het autozoekwerk en Chileense papperassenwerk door, bezoeken we de kathedraal van Arica, gebouwd naar ontwerp van Eiffel, en worden we overweldigd door een dame die waarschijnlijk niet meer alles op een rijtje heeft. We worden voor een tweede keer gezegend in het centrum van Arica, tien minuten aan een stuk. Om deze reeks van zegeningen af te sluiten, en met een glimlach te denken aan alle goeie dingen die uit drie horen te bestaan, beslissen we om een kleine bijdrage aan Santa Theresia van Arica te schenken, om ons te beschermen en te helpen in onze queeste. Benieuwd of deze heilige ons zal bijstaan…

Arica is een klein rustig stadje gelegen aan de Stille Oceaan met in zijn achtertuin één uitgespreid dor woestijnplateau. Er is ‘an sich’ niets meer dan zee, wind, ruw zand en geen regen (maximum 1 dag per jaar). Deze moderne ‘verdedigingsstad’ is daarenboven honderden kilometers ver gelegen van de rest van de bewoonde wereld. Het is een regio die bewoners uit geheel Chili probeert aan te trekken door een Zona Franca te zijn, een plek waar je quasi geen belasting betaalt. Ook de auto’s kopen en verkopen verloopt compleet vrij van taxen. ‘Fantastisch’ dachten we. Het nadeel bleek echter al snel duidelijk. De aangekochte auto’s mogen deze zone maar maximum drie maanden verlaten. Dus echt veel hadden we ook niet aan deze locatie. Toch niet rechtstreeks…

We schaften onze Chileense documenten tegen beter weten in toch maar aan. Het idee was: we houden alle optie open. Het belangrijkste document was het Chileense registro civil. Dit papier zorgt er voor dat je als buitenlander transacties kan realiseren, zoals het aankopen en verkopen van een auto. Dit had een eenvoudige onderneming moeten zijn volgens al ons onderzoekswerk, ware het niet dat de wet net een beetje verstrengd was en dat er een Chileen voor ons garant moest staan. ‘Niet eenvoudig in een stad waar je niemand kent’ dachten we.

We trokken onze stoutste schoenen aan en vroegen lukraak hulp aan de ingang van twee notariaten en na minder dan tien minuten viel de hulp voor onze voeten. De ongelooflijk sympathieke Juan, die er van overtuigd was dat ons gekruiste pad geen toeval kon zijn, stelde zich meteen voor ons garant zonder ons van ‘haar noch pluimen’ te kennen. Later vernamen we dat hij bij het vluchten ten tijde van Pinochet in België meteen politiek asiel kreeg en had bijgevolg verschillende Belgische vrienden opgebouwd. Deze dienst – jaren na datum – kunnen beantwoorden met een wederdienst aan ons adres, bleek voor hem een even groot cadeau als voor ons te zijn. Het was niet enkel de dienst die hij ons bewees door zich voor ons als aanspreekpunt voor de staat beschikbaar te stellen, maar ook de verschillende uren die hij voor ons opofferde in de notariaten.

Een notariaat… Dat klinkt nogal gewichtig voor een Belg, maar voor een Chileen is het meer een kruising tussen de civiele dienst en een supermarkt. Je spendeert er menig vrije vrijdagvoormiddagen: je trekt er een nummertje en komt na enkele uren terug. Je moet er heen voor alles wat een beetje officieel ruikt: voor gecertificeerde kopies, voor voorbereidende papiertjes voor de burgerlijke dienst, voor eender welke aankoop of verkoop, en ga zo maar door…

Op zoek dan maar naar andere manieren om een auto te vinden. Internet is en blijft gelukkig onze vriend. Voor google heeft geen van ons geheimen, maar tegelijk blijft google ons de geheimen van het net onthullen en al snel vinden we verschillende sites waar reizigers hun auto verkopen. We sturen berichtjes naar meer dan twintig annonces en eentje daartussen is naar de eigenaars van Melquiades. We zoeken nog wat verder en vinden een facebooksite van ‘El gran viaje de Melquiades’ (https://www.facebook.com/Elgranviajedemelquiades). We zijn op slag verliefd op deze auto van middelbare leeftijd. We sturen een wel heel enthousiast mailtje, zoals alleen Tim dat kan, en hij verwijst naar onze kennis i.v.m. T2-busjes. Het is bang afwachten, want er zijn veel mails gestuurd naar velerlei opties, maar we zijn slechts verliefd op EEN bus! Daarna gaat alles aan TURBO(*)snelheid: we mailen wat op en af, we skypen een eerste keer, het wordt duidelijk dat de eigenaars Mer(cedes) en Dami(an) wel heel sympathiek zijn en we beslissen zonder al te veel nadenken: we gaan naar El Alto (de bovenstad bij La Paz op de altiplano van Bolivië op 4200 meter hoogte) om Melqui het hof te maken.

Wie is die Melquiades nu precies? Een Volkswagen Transporter 2 busje van Mexicaans-Duitse makelij van het jaar 1975. Met zijn 40 levensjaren heeft het busje al een lange – en onbekende – geschiedenis achter de rug. Ooit was het een passagiersbusje, vandaar de openklappende zijdeur die alleen door de bestuurder (erg spectaculair) kan opengedaan worden. Hoeveel kilometer hij al precies heeft afgelegd, is een groot mysterie aangezien noch de snelheidsmeter, noch de kilometerteller werkt. De vorige eigenaars hebben de bus Melquiades gedoopt naar een gipsy personage in Honderd jaar eenzaamheid van Marquez. Zo voelen we ons soms ook, als een boodschapper van een onbekende en heel verre wereld. Wij als groentjes voelen ons nog wat onwennig in vergelijking met deze doorwinterde – en zomerde – ervaren Amerikakenner. Benieuwd waar hij ons nog allemaal naartoe zal voeren…

Le Plat Pays OF Het tropenzweet van de rivierrot

“Ne me quitte pas, tout peut s’oublier…” klinkt het tot in het kraaiennest van het Teatro Amazonas, een mastodontisch stadstheater in het centrum van Manaus, een stad midden in de Braziliaanse Amazone. Een theater opgetrokken in een “eclectische stijl”, aldus onze lokale gids… Eclectische stijl… Dat kan je wel stellen: het interieur is een verschaalde versie van Theatre Garnier te Parijs, de foyer is gebaseerd op de laat barokke Noord-Italiaanse paleisinterieurs met overvloedig bladgoud, fresco’s en inlegwerk dat hout uit de tropen met Europese houtsoorten combineert; het exterieur in adellijk roze is dan weer opgetrokken in een Centraal-Europese neoclassicistische bouwstijl. Dit alles is bekroont met… de typische Portugese geglazuurde tegeltjes mismeesterd op een Arabisch ogende koepel die de jonge Braziliaanse vlag met inheemse vormentaal wou combineren… Beoordeel zelf het resultaat! (Mocht dit als architectuurhistorisch gewauwel klinken, laat het gewoon over je heen glijden, je vat het plaatje wel wanneer je de beeldjes aanschouwt! Je hebt er geen eloquent kunstoog voor nodig…)

Dit megalomane project dat als pars pro toto voor de stad kan dienen, steekt in praal en pracht met hoofd en schouders uit ten opzichte van de andere bouwwerken. De rest van de stad wordt slechts puntsgewijs opgelicht door paleizen, herenhuizen en handelsgebouwen. Deze historische gebouwen werden binnen dezelfde periode van 1880  tot 1915 opgetrokken en de bouwstijlen zijn overheersend neo-vormen van eenzelfde uiteenlopende variëteit.

Dit amalgaam aan bouwstijlen is gemakkelijk historisch te verklaren doordat ondernemers met poen, investeringsdrang en weinig vrees voor dodelijke tropische ziektes, op het einde van de 19de eeuw uit alle Europese staten naar het hart van de Amazone aangetrokken werden door het nieuwe elastische goud. Om voor zichzelf een plaatsje te verzekeren in het productie- of handelsproces van het rubberimperium, vestigden ze zich aan het knooppunt van de bovenrivieren van de Amazone, het indianenstadje Manaus. De jonge Braziliaanse staat was niet opgewassen tegen de kracht van het kapitaal (en allicht kon de top van de staat, zoals heden ten dage nog steeds in gans Zuid-Amerika gebeurt, meeprofiteren van de gigantische winstmarges) en het stammen-centrumpje Manaus werd op 30 jaar tijd een nucleus van kapitaal en een modern ‘slavendom’. Een blinkende stad gebouwd op de ongelijkheid van een schoolvoorbeeld van neokolonialisme.
De inheemse Amazonebevolking en de boeren uit het noordoosten van Brazilië die voorheen leefden van de monocultuur van rietsuiker werden ingezet tegen hongerlonen. De Amazone-indianen bouwden terwijl ook de indrukwekkende bouwwerken voor de rijke handelslui die over het gebied van de boven Amazone regeerden. De voormalige boeren werden getransporteerd over de Amazone naar de rubberplantages, een tocht van twintig dagen. Het was een tocht die ze meteen moesten afbetalen aan de grootgrondbezitters. Een afbetaling die voor de meeste boeren nooit lukte: de boottocht diende tegen interest terugbetaald te worden, de loonbonnetjes konden enkel in de eigen winkel gekocht worden en het werktenue met werktuigen was eveneens op kosten van de ‘lijfeigene’. Op deze latifundiae werd vluchten beschouwd als niet afbetalen en bewakers kregen volgens de ‘eigen wetten’ van het domein het recht vluchtende boeren af te knallen.

Deze gigantische boom kende echter een korte bloeiperiode. Rond 1915 kwam een eind aan het rubbermonopolie van de heren van Manaus doordat een Brit er in geslaagd was de zaden uit het Amazonegebied te smokkelen. Het Britse imperium ging in de ‘East Indies’ onder hun eigen ‘Union Jack’-vlag alle rubber voor Europa produceren.

Wat ons overdonderde naast de historische gelaagdheid van deze stad, is hoe honderd procent ‘anders’ deze wereld was van al wat er in duizenden kilometer omheen gevonden kan worden.

Stel je de gigantische watervlakte van de Amazone voor, de mangroves rond de rivieren en aan de kust, de lege savanne en de eindeloze jungle van de Guyana’s en de zuidelijke Amazone, samen goed voor een oppervlakte van meer dan drie keer Europa, waarin geen enkele stad groter dan Gent gelegen is. Een godverlaten gebied waarin gerepte en ongerepte natuur overheersen, waardoorheen we twee maanden tuften en puften, waarin in het midden van de grote ‘onontwikkelde’ gebieden en boerendorpen plots een bloeiende stad van twee miljoen inwoners, een zuiderse sfeer, universiteitsgebouwen, een complexe historische gelaagdheid en bars met nachtleven oprijst. Een stad waarnaar je weken onderweg  bent per boot om finaal overweldigd te worden door een Zuid-Europese levendigheid, een complexe structuur, echt (en imitatie-)marmer en … een zelfzekere stad.

Een zelfbewuste stad, die in de laatste 20 jaar sterk aan renovatie doet, met een artiestenscène die uit de startblokken schiet, een stad die z’n geschiedkundig erfgoed en cultuurproductie omarmt in het besef dat ze een andere identiteit heeft dan de rest van Brazilië. Het is een stad met heel veel potentieel, maar er is sowieso nog werk aan de winkel. Enkele elementen zijn voor de komende halve eeuw onomkeerbaar, zoals de woontorens die zonder enige stedenbouwkundige visie naast de historische panden neergeploft zijn en de wildgroei buiten het historische centrum.

Het verschil van het bezoek aan de stad Manaus kan niet groter zijn met de rest van onze tocht doorheen de Amazone. Een tocht in onze hangmatten op schattige bootjes van gemiddeld 200 passagiers waarop naast lokale personen, werkelijk van alles vervoerd wordt. Tomaten, bier, bloem, frigo’s, scooters of auto’s die met planken en mankracht aan boord geholpen werden. Een tocht langsheen dorpen met aarden aanlegsteigers, kleine steden met pontons of totaal geïsoleerde finca’s zonder aanlegmogelijkheden. Tochten waarop al varend goederen en personen van – en op – de boot geholpen werden, waarbij het tanken zelfs al varend gebeurde. Dit is dé lokale transportmethode voor iedereen, want dit is een gebied zonder wegen.

Een publiek transport waarbij er gerust 12 uren kunnen voorbij tikken alvorens je een volgende haven aandoet. Telkens wanneer je in een haven aanmeert, wordt de boot overrompeld door verkopertjes van kaas, brood of zoet. Ze komen je zelfs aanklampen tot in je hangmat.

Het is een transportervaring waarbij je telkens tussen de 3 en de 6 dagen vaart, van vertrek tot eindbestemming. In het totaal nemen wij drie keer een dergelijke boot, telkens dieper de Amazone op. Van Macapá in het oosten van Brazilië aan het noorden van de Amazonedelta aan de Atlantische oceaan, tot in Santarém waar paradijselijke stranden, zoals die van Alter do Chao, toeristen uit binnen- en buitenland met open armen ontvangen om compleet te relaxen zoals op de Caraïben of de jungle in te trekken, tot Manaus, de grootste transporthub in het midden van het regenwoud van waaruit boten stroomopwaarts tot Colombia, Peru of vlakbij Bolivia verder varen. Manaus is de plek waar de Rio Negro en de Amazone samenvloeien in een indrukwekkend natuurfenomeen van twee waterkleuren die enkele kilometers naast mekaar bestaan. Wij nemen uiteindelijk de boot tot Porto Velho waar we het laatste stukje Amazone met de bus doorkruisen tot de grens met Bolivië.

Een tweetal weken van ‘hangen’, ponomia-papjes kopen van jonge verkopertjes in de havens, telkens opnieuw verbaasd zijn hoe lief en oprecht vriendelijk iedereen rondom je is, boekjes lezen, mailtjes schrijven naar vriendjes te midden van een gezellig vol bootje van 45m lang, monotoon eten, turen over de eindeloze watervlaktes, pintjes drinken op het bovendek waar zoals elke avond MPB (of Musica Popular do Brazil) klinkt door de 500 watt speakers terwijl op het tv-scherm stevige Braziliaanse billen in stretchpakjes of sexy kerels met geblondeerd haar wiegen, Spaans-Portugees lallen (aangezien andere talen hier onbestaand zijn) met mensen die nog nooit buiten de Amazone geweest zijn en ons om het halfuur een godszegen toespreken, roze en grijze dolfijnen spotten, duizenden koeien en buffels in het water zien grazen, elke dag een douche nemen in bruin Amazonewater, elke avond genieten van de kleurrijke zonsondergang boven het uitgestrekte water terwijl de Braziliaanse vlag in de hete avondbries naast je oren wappert, ziek vallen van de heropgewarmde vleessoep met pasta, nog wat uitrusten, flipfloppend terug naar je hangmat dralen…

De foto’s vertellen de rest wel…

Maar, naast die foto’s die soms meer vertellen dan duizend woorden, willen we toch treffend de Amazone beschrijven aan iemand die er nooit geweest is. Hoe bal je zo’n gebied samen? Dat is de hamvraag die we ons hier nu stelden op 4000m hoogte aan het Titicacameer in een van de droogste en koudste klimaten ter wereld…

Eenvoudigweg: “Een plat breed uitgestrekt, eindeloos, warm, tropisch, vochtig oord”

Of zoals Alex, een interessante reiziger die we ontmoet hebben in Alter do Choa, het samen met Tim meer poëtisch scherp stelde: “Het is als vertoeven in de schoot van moeder aarde: het is er altijd warm en vochtig, er is geen overgang tussen zweet en water, je voelt er de continue stroom van sappen in de vorm van regen, eindeloze riviermassa’s en velerlei walmen. Je bevindt je te midden van de oorsprong van leven en… er hangt ook altijd zo’n geurtje.”

Guyana eiland of Caribisch vasteland

De weinig gekende Guyana’s zijn een geologische gebied gelegen tussen de Orinoco delta, de Amazone en de Atlantische oceaan. Een regio gekenmerkt door savanne, regenwoud, tafelbergen en watervallen. De drie Guyana’s zoals wij ze vandaag kennen, Brits Guyana, Suriname en Frans Guyane, vormen geografisch één geheel met Spaans Guayana (vandaag Venezuela) en Portugees Guyana (Noord-Brazilië).

Deze landen worden ook gekenmerkt door een zelfde late kolonisatiesgolf met wisselende ‘eigenaars’, voornamelijk Groot-Brittannië en de Nederlanden, die in de 17de, 18de en 19de eeuw in het leeuwendeel van de voedselproductie in Europa voorzagen. De eerste ontdekkingsreizigers zagen niet veel heil – noch goud – in het ontginnen en ontdekken van deze mangrove wildernis. Het was pas een paar eeuwen later, in het begin van de 17e eeuw, dat de Nederlandse kolonisatoren de eerste suiker- en cacaoplantages opstartten. De Hollandse sporen blijven tot op de dag vandaag traceerbaar.

Deze kolonisaties bepalen ook voor 90 procent de demografie van deze regio die bestaat uit een mix van Afrikaans en Oost-Aziatisch. Deze eerste groep geïmporteerd uit Afrika als slaven, zoals in het volledige Caribische gebied. De tweede groep na het afschaffen van de slavernij in midden 19de eeuw. Toen begon de importatie van de makkelijke werkkrachten uit de Aziatische kolonies. Voor de Britten uit Indië en voor de Nederlandse West-Indische Company uit Indonesië.

Zo kwamen de Oost-Indiërs die Colombus ooit zocht in het Westen toch nog in de ‘new world’ aan.

Door deze mix aan culturen, de slavenmuziek, de uitzonderlijke mengeling van Indische Roti met creools zoethartige keuken; door de late onafhankelijkheidsrevoluties en door de talenmix van Engels, Nederlands en Frans hebben deze landen veel meer de neiging zich tot de noordelijke gelegen eilanden te richten dan tot de buurlanden. Ook al liggen ze aan de Atlantische oceaan, toch noemen ze zichzelf maar al te graag Caribisch.

Ze vormen handelsrelaties met de Caribische ex-kolonies, terwijl de banden met de rest van Zuid-Amerika bijna onbestaand zijn. Er zijn bijvoorbeeld heel wat meer vluchten naar de eilanden en de Guyana’s hebben zo goed als geen verbindingsroutes over land met hun buurlanden (geen enkele met Venezuela; en enkel een zandweg – die we verderop beschrijven – en een boottochtje Brazilië), ze spreken als enige landen geen Portugees of Spaans en hebben een Caribische cultuur. Ze zijn geografisch een, bijna hermetisch afgesloten, eiland bovenaan het Zuid-Amerikaanse continent.

Wij begeven ons dan ook op een boeiende tocht door een totaal nieuwe wereld. Een onderneming van 3200km, waarvan 1200km onverhard, over 5 grenzen en met evenveel verschillende talen.

Culinaire verwennerij

Na alle schotels met –telkens opnieuw –  hoofdzakelijk rijst en kip in Venezuela, worden onze smaakpapillen uitgebreid verwend. De drie Guyana’s hebben allen verschillende specialiteiten. Bij de Britten vinden we heerlijke hartige broodjes, quiches, en daarnaast ook zoete taartjes en gebakjes … zoals het een Britse tea time betaamt. We proberen er dan ook verschillende: een ananasflapje, een warm kaasrolletje, een groetendriehoekje …

In Suriname worden we in de watten gelegd met vele Indische invloeden: kilo’s bami-noedels met bijbehorende pindasaus; nazi-rijst bij de vleet; allerlei brochettestokjes van rundsvlees tot scampi’s; bakabanaan, een gefrituurde banaan, met verse pindasaus natuurlijk; en heerlijke zoete poffertjes en hartige pannenkoeken. Maar wat vinden we tot slot aan de rand van alle kraampjes? Een Nederlands Patatkraam! Dat kan natuurlijk niet tippen aan onze Belgische frietkraampjes, maar na vijf maanden reizen kwam het voor ons toch behoorlijk dicht in de buurt van onze heilige huisjes.

Echt thuis voelden we ons qua eten pas in Frans Guyane (technisch gezien Europa, duidelijk weerspiegeld in de Parijse prijzen). We lieten het niet aan ons hartje komen en lieten ons gaan in croissants en Franse baguettes met camembert. Het echte Guyanese eten hebben we echter pas ontdekt dankzij een uit de hand gelopen lift.

Gezien de uit de pan swingende prijzen voor transport, beslissen we te liften doorheen Guyane. We hadden al vernomen van andere reizigers dat dit de enige oplossing blijkt te zijn als je geen honderden euro’s voor luttele kilometers kwijt wil, en bovendien is het er heel erg veilig. Slechts één dag aangekomen in het Franse deel en we belanden bij een wel heel sympathieke dame in de auto. Zij blijkt de zus te zijn van de burgemeester van het dorp waarnaar we op weg zijn. Ze heeft deze zondagmiddag niet veel te doen en neemt ons op sleeptouw doorheen de verschillende dorpen. Eenmaal aangekomen, trakteren we haar een rondje in een net geopende zaakje en keuvelen gezellig verder. Bij het afscheid stelt ze voor om de volgende dag samen te picknicken aan het strand. Zo gezegd, zo geregeld. We treffen haar samen met twee neefjes met een uitgebreide picknickmand vol lekkernijen: een slaatje met zoete aardappel, maniok en gekookte plataan; een vissoep gemaakt op basis van maniok en tot slot ook nog een rode vissoep met witte vis en pepers. Heerlijk!

Band met het moederland

De winnaar hier is natuurlijk Frans Guyane… als hedendaagse moderne ‘kolonie’ van de ‘metropole’ (zoals de Fransen graag hun overzees vasteland noemen, dat land dat wij Frankrijk noemen en waarvan we maar al te vaak vergeten dat het nog steeds één van de weinige echte koloniemachten van de wereld is). De Franse cultuur is overal voelbaar: de vele Renaults, Citroëns en Peugeots laten niet veel aan de verbeelding over; de Franse straatnaambordjes die doen denken aan de Parijse; het onderwijssysteem dat gelinkt is aan het moederland (zo stimuleert de overheid bijvoorbeeld de jongeren om na hun 18e naar Parijs of andere steden in het ‘moederland’ te gaan om daar hun universitair diploma te halen); maar ook de hoge prijzen hebben iets te vertellen, alles wordt namelijk uit Frankrijk geïmporteerd.
Maar vooral het Camp de Transportation in Sint-Laurent de Maroni, laat duidelijk de aanwezigheid van de Fransen voelen. Niet alleen door de fysieke aanwezigheid van dit Franse gevangenkamp, maar het museum op zich, dat gehuisvest is in de voormalige barakken, is naar Europese standaarden. Het museum is zonder twijfel en met grote voorsprong het beste museum dat we in vijf maanden bezocht hebben. De ver afgelegen kolonie was in het begin van de 20e eeuw een perfecte locatie om de gevangenen te huisvesten, ver van het Parijse bed. De barakken worden sinds een tiental jaar gerestaureerd en enkele ervan bieden plaats voor een tentoonstelling. Het geeft een zeer helder overzicht van de ontwikkeling die het bewakersdorpje Sint-Laurent heeft ondergaan tot de levendige samenleving die het vandaag vormt. Bovendien leidt een vlot vertellende gids ons gedurende anderhalf uur rond in het afgesloten deel van het kamp: de isoleercellen, waar ook Papillon een deel van zijn straf heeft uitgezeten alvorens naar Île du Salut te zijn overgebracht, de gemeenschappelijke plekken voor de gevangenen, de primitieve rechtbank, de toiletten waar soms al eens iets anders gebeurde en de locaties van de verplaatsbare guillotine

Zilver gaat naar Suriname. Het is een land dat een bijzonder hechte band heeft met zijn voormalige heerser. Het is een land dat trots verwijst naar Nederland. Een land waar de inwoners met plezier Nederlanders ontvangen, het loopt er dan ook vol met Nederlandse toeristen, vele malen meer dan toeristen van andere landen. Zo Frans Guyane leerkrachten uit het moederland ontvangt zo ontvangt Suriname vele overzeese stagiairs. In Suriname zijn het enkel Nederlandse stagiairs en Belgische, respectievelijk in de geneeskundige en de onderwijssector.

De (hoofd)steden

Georgetown of G-town, zoals alle inwoners de stad noemen, is een stad vol tegenstrijdigheden. Het is de hoofdstad van Brits Guyana, maar het ligt vol Hollandse kanaaltjes. De kanaaltjes, die ooit ontworpen zijn om de stad meer aangename koelte te geven, liggen er nu verlaten en vol afval bij. Enerzijds is er de aanwezigheid van grootse stijlvolle houten bouwwerken, maar anderzijds worden deze totaal niet onderhouden. Zo is het stadhuis bijvoorbeeld zijn einde nabij. Het is een stad die de ruimte bezit om mooie stadsparken aan te leggen, maar deze parken zijn eerder verlaten plekken voor daklozen of allerlei dieren. Het is een stad waar verschillende religies samen naast elkaar bestaan. Je kan de stad moeilijk multicultureel noemen, want er is nauwelijks contact tussen de verschillende religies en elke religie heeft zijn etniciteit en zijn eigen politieke partij die als voornaamste functie heeft zijn eigen groep voor te trekken.

Waar G-town een wijds grid is met grootschalige gebouwen, kanaaltjes en een ongecontroleerde chaos, daar is Paramaribo het schoolvoorbeeld van Hollandse kolonisatiearchitectuur. Het historische centrum van Paramaribo is opgebouwd uit slechts een aantal straten met statige bouwwerken in een typische houten structuur, ons hotelletje is hier een schoolvoorbeeld van.
Fort Zeelandia daarentegen staat als stenen constructie aan de monding van de Suriname rivier als blijvende herdenking aan de koloniale wreedheden van de afgelopen eeuwen. Het voelt voor ons eerder als een Bokrijk-park aan met allerlei stenen en houten constructies. Toch moeten we toegeven dat dit museum, naast dat van Saint-Laurent, één van de betere musea is van deze reis. Het geeft een duidelijk chronologisch overzicht van de geschiedkundige gebeurtenissen in (min of meer – wat geen evidentie is gezien de complexe band met de ex-kolonisatoren) neutrale vertelstijl.
Deze voorgaande bouwwerken vormen het toeristische beeld van de hoofdstad van Suriname, maar wat treffen we meteen naast deze voormalige koloniale gebouwen, naast het fort, naast de houten kathedraal?? Vanaf het ogenblik dat we over de grens met Suriname zijn, valt het ons op hoeveel Chinese winkels en supermarkten er zijn. Onvoorstelbaar, om de vijf gebouwen is er een Chinees met een winkel. En in elke winkel… uiteraard Chinese producten… Ook de bouwmarkt blijkt volledig overheerst te zijn door de Chinezen. We vernemen dat deze Chinese investeerders grote voordelen krijgen van hun eigen ambassade en dat de jonge Surinaamse regering onmachtig is om een minimum aan protectionisme in te voeren. Of onmachtig hier betekent niet in staat zijn omdat het politiek niet makkelijk is ten opzichte van zo’n grootmacht of omdat de kadootjes die ze ongetwijfeld krijgen te mooi zijn om te laten liggen, laten we aan de politieke journalisten over.

Niet alleen in Brits Guyana maar ook in Suriname is er een grote Indische gemeenschap. We konden dit niet alleen merken in de Indische keuken, maar ook in de uitvoering van de religie. Op vrijdag 6 maart wordt het Pagwa-kleurenfeest gevierd. Alle straten in het centrum kleuren vrolijk op met mensen die geschilderd zijn in talloze verschillende kleuren. Willen of niet, gekleurd zal je zijn want iedereen smijt lustig naar iedereen! Zo was het ook voor ons…

In Frans Guyane hebben we slechts enkele plekken bezocht in sneltempo: de grensstad met Suriname Saint-Laurent de Maroni, een klein dorp dat is opgebouwd rond de voormalige gevangenis; Awala-Yalimapo, een idyllisch strand waar grote groene schildpadden hun eieren komen leggen; het lanceercentrum voor satellieten in Kourou; duivelseiland Ile du Salût en een blitsbezoek aan Cayenne.

Politiecontroles en andere ontmoetingen

Ons transportverhaal start onderaan Brits Guyana aan de grens met Brazilië in Bonfim-Lethem. We zijn nog maar goed en wel uit het douanekantoor gewandeld met onze Brazilië-uit-stempel op zak en we worden al aangeklampt door een eerder assertieve man om ons mee te nemen in zijn busje tot aan het volgende immigratiekantoor, om onze Guyana-in-stempel te krijgen. We weten deze man af te wimpelen en gaan met een andere vriendelijkere auto mee. Eenmaal buiten het twee politiekantoor – stempels krijgen ging bijzonder vlot en bagage wordt nauwelijks aangeraakt – komen we dezelfde man opnieuw tegen. Ondertussen is er een tweede chauffeur bijgekomen. Ideaal om de concurrenten tegen elkaar uit te spelen. We regelen een busrit met de eerste man tegen een lagere prijs, het ticket kunnen we pas bij de volgende bushalte kopen.

Een halfuur later komen we bij deze ‘bushalte’ aan, schijnbaar gewoon een oprit van een huis aan de rand van de stad Lethem. We weten nog niet zo goed wat we moeten verwachten: wanneer de bus nu precies vertrekt, met welke auto we nu precies mee moeten, want niemand voelt zich echt geroepen om ons veel info te geven … Even later wordt duidelijk dat we in het aangrenzende huis met een dubbele ondoorzichtige glazen deur onze tickets moeten kopen. De deur gaat open en we staan oog in oog met twee mannen elk met een shotgun. “Hmmm… we wensen graag twee tickets te kopen naar Georgetown”, zeggen we wat verlegen. Beetje onwennig kopen we dus ons ticket. Het blijkt de enige aanwezige busdienst te zijn, dus veel alternatieven hebben we niet. Eenmaal buiten halen we opgelucht adem en valt onze symbolische frank. Natuurlijk staan ze daar met shotguns, we zitten in dé goudregio! Dat kantoortje is vermoedelijk meer dan alleen een kantoortje met busticketjes.

Ons minibusje loopt aardig vol. We zitten in totaal met 17 mensen, en een klein vogeltje in een kooitje, bijeengepropt in een klein Toyota-busje. Tijdens de busrit vernemen we dat dit de Guyanese versie is van het Belgische vinkentellen en dat het vogeltje beter verzorgd wordt dan alle aanwezige goudzoekers samen. Wij worden beetje aanzien als ere-gasten want we mogen helemaal vooraan zitten naast de chauffeur. Het blijkt dezelfde man te zijn aan wie we de ticketjes gekocht hebben. We vertrekken bij ondergaande zon, iedereen lijkt goed genesteld te zijn. Hoelang deze tocht zal duren is niet echt duidelijk, het kan 24 uur of 72 uur worden. Veel hangt af van de staat van de weg en of het regenseizoen is of niet. Daarin hebben we geluk, we zitten in het droge seizoen. De weg is een aarden weg met de nodige putten en bulten. De chauffeur baant zich er vlotjes een weg door, hij heeft deze weg dan ook al menig maal afgelegd in zijn leven. Hij weet duidelijk wanneer het beter is om op of naast de weg te rijden, er zijn namelijk talloze natuurlijke zijwegen ontstaan. Alles gaat goed tot op een gegeven moment hij naast de weg wil raken, over een aarden hoopje moet rijden en vastraakt met het chassis. Ok, hup, iedereen uit de wagen en duwen maar! Alles verloopt gelukkig vlot, na vijf minuten duwen raken we uit onze put. Ondertussen is mijn oog gevallen op iets blinkends op de stoel van de bestuurder. Jawel, de chauffeur rijdt met een revolver onder zijn kont. Het is mogelijk, heel zelden weliswaar, dat er rovers langs de route staan. Dan moet de chauffeur voorbereid zijn é! (We praten hierover met onze bestuurder en hij laat ons weten dat dit écht normaal is in Guyana… We wennen langzaam aan…)

De nacht is ondertussen volledig gevallen. Naast het laveren tussen de overvloedig aanwezige putten, moeten we ook over verschillende brugjes passeren. Deze zijn telkens mooi aangegeven met een ‘narrow bridge’-verkeersbord. Het blijken smalle gammele houten constructies te zijn waar net één auto aan maximum 5 per uur over kan rijden! We maken opnieuw vaart en klang … platte band. Dat kan gebeuren. Omdat ik naast de chauffeur zit, vraag ik zo langs mijn neus weg “hoe vaak komt een platte band voor?”. “Eén keer op vijf” is het antwoord. Die mannen zijn duidelijk ontzettend getraind in het vervangen van een platte band, want 10 minuten later zit één van de twee reservebanden al gemonteerd.

Het wordt al snel duidelijk dat we niet de hele nacht door zullen rijden, maar een noodgedwongen slaappauze zullen hebben. De weg tussen Lethem en Georgetown ligt door een nationaal park. Dit park wordt gesloten tussen 16u en 4u ’s morgens om de plaatselijke fauna te beschermen. Om 23u houden we halt in een klein campement dat duidelijk voorzien is om alle passerende klanten te voorzien van een hangmatplek. Om even voor 4u. worden we gewekt om zeker bij openingstijd aan de ingang van het park te staan voor de controle: iedereen uit de wagen, paspoortcontrole, bagagecontrole, controle van het busje … Alles samen duurt het zeker meer dan een  uur tot alles goedgevonden is.

Voor de onoplettende toerist lijkt zekers niets fout met deze controles. Wat wij ons echter afvragen… Waarom wordt de bagage van de aanwezige vrouwen telkens gecontroleerd en wordt er helemaal niet geraakt aan de bagage van de 6 aanwezige goudzoekers?… Goudzoekers die onderweg verschijnen uit en verdwijnen in de dichte jungle.

Tot een halfuur voor het arriveren in Georgetown, verloopt alles behoorlijk vlot: nog zeker vijf politiecontroles, vijf koffiestops en een ferry overtocht. Aan de banlieues van G-town is er nòg een politiecontrole, ditmaal een controle van de papieren. Na vele luide woorden en dreigementen van onze chauffeur aan het adres van de agenten blijkt de verzekering van de auto verlopen. ‘Verdorie! We waren er bijna!’ We moeten naar het politiekantoor rijden met een taxi als geïmproviseerde combi achter ons. Onze chauffeur is ondertussen verwoed aan het telefoneren, gaat ook zonder gêne buiten de auto telefoneren terwijl de ‘flikken’ wachten, vermoedelijk omdat wij nog in de auto zitten en niet mogen meeluisteren. Wij zijn op dat moment nog de enige gasten in de auto, naast vier goudzoekers die op één of andere manier gelinkt zijn aan het ‘busbedrijf’. Vijf minuten later belt DE baas – vermoeden we – naar onze chauffeur; deze neemt op; stampt op zijn rem; gaat direct langs de kant van de weg staan; loopt met de telefoon naar de politiechef; minder dan 20 seconden wordt er gebeld en het probleem is opgelost. Geen vuiltje aan de lucht. Het is duidelijk, DE baas die heeft zijn connecties.

Oef, wij zijn blij dat we na een rit van 21 uur aankomen in G-town! De chauffeur legt voor de derde keer uit dat zijn organisatie naast bussen ook kamers heeft. Wij houden niet van zijn opdringerigheid maar uit beleefdheid gaan we toch eens een kijkje nemen. Het blijkt een ontzettend muffe kamer te zijn, in een groezelig pand met eindeloze gangetjes voor 4000 Guyanese dollar (+/- 17 euro). Wij bedanken vriendelijk en zeggen dat we nog eens zullen rondkijken iets dichter bij het centrum (lees: iets verder van deze goudmaffia). Eenmaal beneden horen we dat DE baas ons roept. Wij zijn nog een beetje versuft van de busrit en weten nog niet helemaal goed wat ons overkomt. We gaan door een eerste ruimte met de nodige shotguns, een tweede ruimte met nog een bewaker om tot slot in een klein bureautje te komen, net genoeg plaats om een bureau, één zetel en een tv-scherm met er op 10 camerabeelden te plaatsen. Achter het bureau zit een zwart-Indische man met tien gouden ringen aan elke hand, vijftien kilo gouden kettingen rond zijn nek en een revolver naast zijn rechter hand en hij vraagt aan ons: “Waarom bevalt je de kamer niet? Ik kan er 3000 van maken.” “Wel eeuuhhh, we houden er van om nog eens rond te kijken….” stamelden we. We bedankten hem nog eens voor de busservice en snel weg waren we. We zijn ze gelukkig niet meer tegen het lijf gelopen tijdens onze dagen in G-town.

Hartelijkheid

De laatste ontmoetingen in Brits Guyana, overtreffen de onaangename ervaringen van de eerste dagen. Tijdens ons avondmaal op zondagavond in een klein bartje-hoekrestaurantje, aangezien al de andere zaken dicht zijn, raken we aan de praat met vier kerels van middelbare leeftijd die hun weekend komen bezegelen met een pintje. Vier gezellige kerels die geïnteresseerd zijn in wat wij als blanke toeristen in G-town komen doen. We vertellen ons verhaal, onze lange en langzame tocht naar het Zuid-Amerikaanse continent, ons bezoek aan Venezuela, en hoe langer hoe meer raken ze geïntrigeerd. Op onze beurt vragen wij hen natuurlijk uit over alle bijzonderheden van de capital en Guyana in het algemeen. Zij blijken alle vier voor de overheid te werken en blijken behoorlijk trots te zijn op hun land. Trots is iets wat bij de Guyanesen primeert. Vaak vertaalt dit zich in een vijandige houding ten opzichte van blanke Europeanen (“go home”, “what are you doing here”,… hoor je al eens op straat), maar dus niet bij deze sympathieke kerels die ons een positief beeld van hun land willen meegeven.

Zij willen aantonen dat het land bijzonder veel toeristische attracties kent en dat de inwoners eigenlijk wel net heel hartelijke mensen zijn. Wanneer we hun vertellen over de vijandige houdingen van enkele landgenoten zeggen ze dat er nog veel werk is in de opvoeding en laten ze ons begrijpen dat het kolonieverleden nog niet veraf is en dat de bevrijding niet zonder slag of stoot verliep. Wanneer we vragen naar de problemen omtrent de golddiggers die illegaal werken voor ‘legale’ bedrijven die niet gecontroleerd worden, verzekeren ze ons dat dit bijna opgelost is. Het is duidelijk dat ze de problemen willen ontkrachten, maar tegelijk werkt hun enthousiasme aanstekelijk en willen we echt geloven dat het land in de goeie richting gaat.

We nemen de proef op de som, we gaan in op de uitnodiging van Terry om mee te gaan naar een wel heel specifieke bar. We worden verwelkomd door allerlei schaarsgeklede dames, videoschermen die niet veel aan de verbeelding overlaten en door een knappe dame die haar kunsten laat zien in een paaldans. De vrienden van Terry voelen zich duidelijk ook niet op hun gemak om een jong toeristisch koppel mee te nemen naar deze bar en al snel wordt duidelijk dat er op zondag toch niet veel te beleven valt. We lachen er allemaal hartelijk om en we verplaatsen ons naar een ‘normale’ bar met een gezonde mengeling van mannen en vrouwen ;-).

De volgende dag worden we opnieuw getrakteerd op heel wat hartelijkheid, ditmaal op een heel andere manier. We nemen één van de vele minibusjes of collectivos richting Corriverton, de grens met Suriname. Samen met +/- 20 passagiers zitten we gezellig bijeen gepropt voor een uur of drie. Naast ons zit een zwarte man in een chique kostuum, duidelijk op weg naar huis na een dag werken. In tegenstellig tot de meeste Guyanesen, is het Engels van deze man heel erg verstaanbaar. De Engelse taal die normaal gesproken wordt, is niet zoals het ons bekende Britse Engels, maar een verbastering tussen Engels en het Creools, het deed ons een beetje denken aan dat andere Caribische Engels in Tobago en Trinidad. We raken aan de praat met deze sympathieke business man. De busrit wordt opeens een stuk aangenamer. Opnieuw wordt gesproken over het land Guyana en de politieke problemen (de tegenstelling tussen de Afrikaanse bevolking en de Indische bevolking, de religieuze verschillen…). Het is duidelijk dat iedereen in de bus meeluistert naar dit gesprek, maar niemand anders neemt deel. En dát blijkt het grote probleem van dit land: Er wordt tussen de Indische hindoe bevolking en de zwarte Christelijke bevolking niet gepraat over politiek. Elke groep heeft zijn eigen partij en elke partij bevoordeeld de eigen bevolkingsgroep. Zelfs goeie vrienden die over hun verschil in cultuur en religie kunnen praten, halen het politieke thema niet aan; dat doe je enkel met personen van je ‘eigen groep’.

En wij zijn eventjes in deze kleine bus de kleine ‘crack’ die zorgt dat er wel eenmaal luidop gepraat wordt over politiek. Er wordt meegeluisterd, er wordt in stilte meegedacht, er hangt duidelijk een spanning, maar wij en onze gesprekspartner zijn hier blij om… Alles begint volgens ons met erover praten, al moet je als buitenstaander weten dat jij het verschil niet zal maken.

We rijden ondertussen voorbij rondlopende koeien en kunnen een fantastische zonsondergang bewonderen.

Zoals het echte reizigers betaamt, wisten wij helemaal nog niet hoe en waar we onze avond aan de grens zouden doorbrengen alvorens we de volgende dag met de boot tot in Suriname zouden raken. Tijdens het gesprek kwamen we erachter dat Clive, tot drie weken geleden in G-town woonde, maar sinds kort het ouderlijk huis van zijn vrouw bewoont samen met hun twee kinderen Eden en Naima, in ‘dorp 67’. Geen idee waar het ene dorp eindigt en waar het volgende dorp begint, de bebouwing lijkt bijzonder goed op onze welbekende lintbebouwing. Zijn vrouw, Celina, is een biochemiste met Indische roots, samen hebben ze zich bekeerd tot de islam. Zonder meer is dit een grote uitzondering in een samenleving waar verschillende religies schijnbaar goed samenleven, maar eigenlijk naast elkaar leven.

Zoals het door de Islam is voorgeschreven, nodigen zij ons uit om de nacht bij hen door te brengen. We worden heel hartelijk onthaald, we krijgen avondeten en kletsen we op hun terras de avond vol. De volgende morgen worden we nog verwend met vers gemaakte pannenkoeken. Ze staan erop om ons tot aan de grens te brengen en te begeleiden tot wanneer we op de veerboot zitten. Onderweg houden we nog even halt bij een suikerbedrijf. We verlaten Guyana met een compleet ander beeld dan waarmee we aangekomen zijn.

De wondere wereld van Roraima

De tafelberg Roraima is een machtige brok natuur die omgeven is door een band van moglie-achtige jungle en torenhoog uitsteekt boven het zacht glooiende landschap van de Gran Sabana. Het is de inspiratiebron voor de Walt Disney-Pixar tekenfilm ‘UP’, waarin een oude grompot met zijn vliegend huis aan een gigantische bundel gekleurde ballonnetjes noodgedwongen op reis gaat naar de andere kant van de wereld, naar de fictieve ‘paradise falls’ op de berg Roraima, op zoek naar zijn dromen van weleer. Wij trekken als jonge avonturiers ook naar dit wonder der natuur. Niet met ons huis, enkel met onze rugzak. Wel… ondertussen staat onze rugzak een beetje gelijk aan ons huis.

Zoals dat op deze reis af en toe al eens gebeurde, loopt de organisatie van deze klim heel spontaan en rollen we als vanzelf van de ene gebeurtenis in de andere. We zitten op de bus van Ciudad Bolívar naar Santa Elena, een grensstadje met Brazilië. Een busrit van 10 à 12 uur. Over het algemeen wordt over deze lijn ’s nachts gereden, gezien de grote afstanden. Wij wilden deze rit daarentegen overdag doen omdat onze reisgids ons aangegeven had dat dit een wonderbaarlijke rit is met fenomenale zichten. Een eerder toevallige keuze die de rest van dit verhaal mogelijk maakte.

Op verkenning in het busstation om 5u op de zondagochtend van het carnavalsweekend. Eén van de meest chaotische busstations die we in de afgelopen maanden te zien kregen: het is een plein waar minimum 50 bussen staan te wachten, allerlei verschillende maatschappijen in evenveel verschillende kleuren en motieven. De plaats lijkt tegelijk op een groentemarkt omdat er minstens evenveel eet- en sapjeskraampjes staan als bussen. Aan loketten doen ze niet mee in Venezuela en aan uurtabellen nog minder, dus je bent aangewezen op rondvragen en elke verkoper heeft het over andere uren en prijzen… We hadden de tip gekregen om ’s morgens om 5u naar het station te trekken om een ticketje te bemachtigen, voor een bus die normaal pas 12u later zou vertrekken. Jawel, anders zijn deze tickets al uitverkocht (vreemde systemen aan de overkant van de oceaan). Na wat rondvragen komen we erachter dat er ook een bus vertrekt om 6u ‘s morgens. Onze bus blijkt een kleine gele speedo met allerlei vlammenmotieven. (we voegen een foto van de bus toe voor designstudio Sam B.)

Wij slaan nog even de laatste koekjes en wat vocht in, want we weten nog niet echt wat ons te wachten staat voor onze eerste lange busrit van deze reeds 4 maanden durende reis. Het is beter om op alles voorbereid te zijn.

Na ongeveer 30 minuten rijden, houden we voor een eerste keer halt bij een controlepost, de eerste van talloze keren! Een controlepost: dat kan de guardia zijn, de lokale politie, de federale politie, het leger, de douane … Na de derde stop beslissen we te turven: in totaal worden het 19 controleposten waarvan 5 met onderzoek in de bus.

Wat gebeurt er dan bij zo’n bezoek? Mannen (of soms ook vrouwen) in een van de vele kostuums of in legeroutfit (altijd perfect tot in de puntjes) komen binnen in de bus, zeggen meestal geen woord, kijken boos (ze moeten toch hun autoriteit tonen), vragen aan willekeurige personen hun paspoort, vragen aan sommige personen hun bagage te tonen – of omgekeerd: ze nemen een stuk bagage en vragen wie de eigenaar is … Over het algemeen hangt een ongemakkelijke stilte. Af en toe breekt iemand in protest uit.

Veel controles, meer dan in de rest van dit anders al behoorlijk militaristische land. Deze rit verloopt dan ook voor 500 van de 800km door een goud- en drugsregio. Eén van de stops die ons bijbleef: er wordt een jonge man gevraagd zijn identiteitsbewijs te tonen, maar hij heeft dit niet (bij). Hij wordt op staande voet meegenomen naar een klein hokje naast de weg, vermoedelijk ter ondervraging. We zien hem er niet meer uitkomen. De bus vertrekt na vijf minuten zonder hem. Wij zijn wat verbouwereerd over wat we net observeerden, maar we veronderstellen dat we al blij mogen zijn dat er niet te veel aan ons is gevraagd.

Wat kunnen we doen tijdens één van de vele stops en tijdens de vele momenten van wachten? Een babbeltje slaan natuurlijk! We hadden in onze ooghoeken al gezien dat er een groepje vrienden, dat wandelstokken bij zich had, opgestapt was. (Wat zouden ze van plan zijn?). We halen ons beste Spaans boven (op dat moment gaat dat nog niet zo vlot), en vragen ze uit over de vele controleposten. Uiteraard vermelden we langs onze neus weg dat we eigenlijk op doortocht zijn naar Roraima. Wonder boven wonder en heel toevallig, zijn zij ook van plan deze te beklimmen en zit hun gids op de bus.

Wanneer de bus één uurtje later een middagpauze houdt en er even tijd is om wat te knabbelen, gaan we samen met de groep op tsjok. Het is al snel beklonken: we worden uitgenodigd om met hen de Roraima te beklimmen, wat we met plezier aannemen! We worden deel van hun groep: zes Venezolanen uit Caracas samen met twee Belgen. We bestellen cachupa, een dikke maïspannenkoek met een buffelmozarella-achtige kaas.

Eens aan tafel wordt hun onderlinge link duidelijk: vrienden uit de sportclub die elke dag minimum één uur sporten alvorens de dag te beginnen… We wezen gewaarschuwd!! Voor ons was het duidelijk, we waren met ons gat in de boter gevallen om deze tocht te ondernemen: de tocht kostte slechts de helft van de tochten georganiseerd voor toeristen en continu praten met zes Caracassers in het Spaans, een onderdompeling in de Venezolaanse cultuur op alle niveaus.

De volgende dag krijgen we nog een dag rust want er deden een paar van de vrienden mee aan een triatlon. Waarom ook niet… net voor een vijfdaagse bergwandeling een paar kilometer zwemmen, fietsen en lopen? Ons stelde dat enigszins gerust dat er toch een paar lieden niet in topconditie zouden zijn.

De tocht zelf begint met een jeeptour van 30 kilometer om ons naar het laatste bereikbare dorp voor Roraima, Paraitepui, te brengen. We zitten lekker op elkaar gepropt achteraan in de Toyota Landcruiser: wij acht samen met de gids Gumercindo en de drie draagjongens die al het eten en het kookgerief dragen (in de traditionele rieten draagrugzakken). In Paraitepui worden we nog een laatste keer geconfronteerd met administratieve rompslomp: inschrijven in het natuurpark en ingeënt worden tegen een plaatselijke variant van de mazelen. De eerste dag is een makkelijke dag waarop we goed voortmaken: een dag van platte kilometers in de Venezolaanse Gran Sabana. We leren elkaar al een kleine beetje kennen, iedereen babbelt met iedereen, voornamelijk in het Spaans en een allerminimum Engels (om het voor ons wat te verlichten). Het is fantastisch dat zij ons allemaal zo hartelijk opnemen in hun groep. Geen enkele persoon heeft ook maar enig bezwaar gemaakt op onze deelname. Wij vragen hen wat uit over wat ze doen, waarmee ze bezig zijn, wat ze over hun land vinden, hoe ze de politieke situatie inschatten, hoe ze ten opzichte van de Verenigde Staten staan, hoe ten opzichte van hun buurlanden …

Het thema politiek wordt meerdere malen aangehaald (meestal door de mannen), niet alleen tijdens deze tocht, maar tijdens onze volledige maand in Venezuela. Het is onmogelijk om het niet over dit thema te hebben. Iedereen, echt iedereen, wil graag zijn ei kwijt aan een buitenlandse observeerder over hoe hij /zij over de politieke situatie denkt. Het is een uitdaging voor ons om tussen de zwart/wit uitspraken pro/contra Maduro alle grijze tussenlagen te vinden. Het is daarom zo interessant om met deze groep te discussiëren, de groep is gevarieerd pro en contra en er wordt echt fundamenteel dieper ingegaan op de complexe problematiek. We blijven voor het eerst niet aan de oppervlakte van de discussie steken. (In een volgende blog mogen jullie je aan een blik op de politiek verwachten)

Tussen alle gesprekken in – we zouden het bijna vergeten – bewonderen we de fenomenale landschappen van de savanne: groene uitgestrekte glooiende vlaktes met aan het einde van de horizon de hoge platte tafelbergen, die als robuuste eilanden in het landschap staan. Wanneer we deze voor het eerst zien, zijn ze gehuld in een grote witte mist. Onze gids weet ons te vertellen dat sommigen de Roraima, zelfs na 10 keer deze tocht te ondernemen, nog steeds niet zonder mist gezien hebben.

De tweede ochtend ontwaken we om 5u en we worden meteen verwend! We krijgen een helder uitzicht op zowel de volledige Roraima berg als zijn broertje de Kukenan. We zien meteen wat er van ons verwacht wordt op deze tweede dag: een beklimming van meer dan 1300 meter. Tijdens de voormiddag wandelen we steeds dichter naar de muur en zien we de indrukwekkende verticale wand steeds hoger en hoger opdoemen. We passeren het laatste base-camp aan de voet van de berg, een laatste rustpunt voor de werkelijke klim.

We verlaten de Savanne voor een klimwerkje over gele trapstenen, we werken ons door een deel oerwoud, we klauteren door verschillende bosvormen in de groene band rond de berg tot we werkelijk langs de rotsige wand passeren. Het voelt net als the Wall die John Snow samen met de Wildlings moet temmen. Gelukkig doen we dit niet zoals hen, klimmend langs de verticale wand, maar langs de enige normale wandelroute omhoog. Een route langs uitgehouwen trappen, door een waterval – die op dit moment gelukkig behoorlijk droog staat – om tot slot het laatste deel omhoog te klimmen tussen grijze blokken. Wij hebben geen ballonnen gehad om ons naar boven te hijsen, maar onze benen hebben het, enkele uren later, niet begeven EN we waren niet te laatsten van onze sportieve groep! HOERA!

Het landschap boven zou het landschap van een andere planeet kunnen zijn: een gigantische massa grijze rotsen, die 3 miljard jaar oud zijn, met groeven die groter zijn dan één meter. Af en toe is er een grote stenenmassa die er als een alien uitziet. We ervaren met onze eigen zintuigen dat deze wereld gedurende miljoenen jaren volledig afgesloten was van de ‘benedenwereld’.

Voldaan maar uitgeput zoeken we een geschikte slaapplaats voor onze tenten. We zijn op zoek naar een hotel zoals ze dat noemen: terrassen in de rode steenmassa’s die gedurende eeuwen uitgesleten werden door regen en wind. Na onze tent geïnstalleerd te hebben, vernemen we van de gids dat er een jacuzzi aanwezig is waar we ons allen in kunnen baden. In de laatste avondzon wagen we ons aan een bijzonder frisse duik op 2700 meter hoogte. Verfrist en uitgehongerd keren we terug naar onze bivakplek waar we uitkijken naar het warme maal. Lang zullen we echter niet buiten zitten. We stellen vast dat de avond heel snel valt en dat de welgekende mist (die we reeds van beneden zagen) dan toch is teruggekeerd. Ijzig koud en vochtig! De enige oplossing is met acht gezellig dicht bijeen in één tent kruipen. Gezellig keuvelen we verder en we zijn blij dat we onze rum met hen kunnen delen.

Dag 3 van de tocht is een rustdag met verscheidene bezoeken bovenop de tafelberg: verschillende keren zwemmen in de riviertjes en watervallen, wandelen naar de randen van de tafel (proberen geen hoogtevrees te hebben), zichten op de andere Tepui krijgen … We sluiten die dag af (en bereiken mentaal het einde van de Roraimatrip) met een fenomenale zonsondergang. We wandelen naar het hoogste punt van de Roraima: ‘punt Maverick’ (wanneer je onderaan de berg staat, lijkt het silhouet van deze rots op een auto). Daar kunnen we de volledige hoogvlakte van deze berg – en die van de Kukenan – bewonderen. We zien de zon boven de savanne dalen en de contouren van deze machtige tafelbergen steeds scherper afsteken tegen het zachte glooiende landschap. We kletsen na in de laatste avondzon, nemen de laatste groepsfoto, en wanneer de zon werkelijk ondergaat, kijken we uit over de uitgestrekte magische Venezolaanse vlaktes die rood, geel en blauw kleuren.