El Alto, La Paz, Bolivia

Ik sta op de middenberm van de Avenida Boliviana in één van de oneindig vele centra van El Alto en een taxi maakt een U-turn om mij heen die hij maar net kan halen. Het tafereel doet me in een flits denken aan het kruispunt van de Gentse binnenring met de Drongense Steenweg, waar menigeen onder jullie ongetwijfeld ook al eens een bocht van 180 graden gemaakt hebben om naar de Colruyt te rijden. Maar behalve deze spontane flashback naar huis is alles is hier toch een klein beetje anders dan in Brugge of Gent…

 

De oude geplamuurde vaalwitte Toyota, met een veel te klein maar kleurrijk bordje achter de gebarsten voorruit waarop “taxi” te lezen staat – als enige vorm van identificatie – scheurt met gierende banden over de sterk degraderende betonplaten, kan met de neus van z’n wagen slechts nipt over de boordsteen (maar wist dit duidelijk al lang), ontwijkt net twee opaatjes, toetert om zijn aanwezigheid als taxi kenbaar te maken (om klanten te lokken) en vijf meter verder hoppen reeds vier vrolijke dames met bolhoedjes, klokvormige rokken en wollen doeken, waarin baby’s en/of goederen gewikkeld zitten, in de wagen.

 

Ik blijf bij dit tafereel twee minuten stilstaan in het midden van de drukke ‘avenue’ en probeer voor mezelf duidelijk te stellen hoe verschillend deze wereld van de onze thuis is. Ik doe een edele poging, want na zeven maanden reizen (op dit continent) wordt het reeds een beetje moeilijker om de vinger op alle details te leggen.

Ik begin vanaf mijn imaginaire raakpunt tussen onze twee universa.

Laat het er ons over eens zijn dat de gemiddelde Belgische bestuurder, fietser of voetganger die over het vooraf vermelde kruispunt passeert, dit een totaal onverantwoord manoeuvre vindt, dit als een levensgevaarlijke situatie bestempelt en een flinke resem ‘godsverdommenissen’ uit zijn klankkast laat schallen. Wel, hier… gebeurt vijftig meter verderop in elke richting om de drieëntwintig seconden gewoon hetzelfde. Ook als er toevallig een politieagent op zou staan kijken.

Hier gelden eenvoudigweg andere regels op straat. De eerste en belangrijkste is – uiteraard – dat de sterkste voorrang heeft: de voetganger wijkt voor de auto, de auto voor de minibus en deze laatste voor de 40-tonner. De tweede ongeschreven wet is dat je fysiek met je wagen aangeeft waar je heen gaat en je duwt je voertuig tot je op de juiste locatie komt; je doet dit zeer overtuigend, bij ons zouden we zeggen onbeschoft, maar hier is van onbeschoft zijn geen sprake; als je merkt dat de andere je voor is, geef je toe en je vuist of je middenvinger hou je voor jezelf. Drie: je bent zeer oplettend, want een minibus of colectivo stopt op het eigenste moment dat één van de passagiers roept “Me quedo por la ‘squina por favor” (ik stop bij DIT kruispunt): onmiddellijk op de rem, aan de kant, de achterligger is aandachtig en wijkt uit, en die erachter ook. Eenmaal alle spelers deze eenvoudige regels kennen, werkt deze verkeerssituatie net zo goed als de onze. Soms beter, soms uiteraard ook een beetje slechter.

Hoe deze situatie beter kan werken dan de Belgische met de honderden of duizenden regeltjes (die –meestal – gevolgd worden)? Enerzijds door het ontbreken van privéwagens en anderzijds door de goeie werking en spontane veerkracht van het openbaar vervoer. Het is een transportsysteem zonder één specifiek busbedrijf en het is gebaseerd op slechts enkele eenvoudige vuistregels: een maximumprijs, afgesproken tussen de talloze minibusbedrijfjes en de staat; een aantal vaste routes die aangegeven worden door kaartjes achter de voorruit; en een te betalen taks als privé-busbezitter of als busbedrijfjesgroep. De rest van het systeem groeit organisch. Op het spitsuur krioelt het van de colectivo’s en het verkeer vertraagt grondig, maar staat niet stil! Bijna niemand bezit een privéwagen en haalt die al helemaal niet uit in het centrum. De staat heeft namelijk een nieuwe wet ingevoerd om het chaotische autoverkeer in de stad te ontmoedigen: de ene dag mogen slechts de even nummerplaten binnen, de andere dag de oneven. Wanneer er meer zitplaatsen in de busjes dan passagiers voorhanden zijn, zakken de chauffeurs hun prijs van 1,50 Boliviano’s naar 1 Boliviano (of van 20 eurocent naar 13 eurocent). Ze geven dit aan met een bordje en/of een hulpje roept dit luidkeels uit het raam van de schuifdeur naar al wie het wel en niet horen wil. Wanneer er echter meer werk is, rijden er ook plots meer busjes: iedereen die een busje bezit, rijdt rond wanneer het hem (niet haar…) in combinatie met een andere job uitkomt. Naar mijn inschatting vervult zeker één tiende van de bevolking van El Alto een rol in het transportsysteem! Op drukke verkeersknooppunten, zoals de autosnelweg tussen El Alto, de autonome bovenstad, en La Paz, 500 meter lager, staan de bussen met honderden – en soms in vier rijen tegen elkaar gedrukt – bijeen. Het lijkt een onmogelijke situatie op het eerste zicht, maar ook hier ontstaat automatisch een oplossing. Officieuze bushelpers roepen luidkeels waarheen de eerste van deze reeks bussen gaat, helpt iedereen zo snel mogelijk instappen en loodst vervolgens het busje door de mierenhoop van minstens 300 busjes heen als een halve politieagent én voor dit alles krijgt hij 1 Boliviano of 13 eurocent.

Wanneer in Brussel de kleine binnenring onderbroken is door een betoging, straatevenement of veranderde verkeerssituatie (we zijn af en toe mee met de actualiteit), loopt alles in het honderd. Hier verleggen de verkeersstromen zich eenvoudigweg of stap je uit een busje om aan de andere kant van de onderbreking opnieuw in een colectivo te springen. Wanneer je onderweg met minder dan 10 personen in het busje zit, kan je de chauffeur makkelijk vragen een ommetje te maken en dan betaal je een paar eurocentjes meer.

 

Naast deze natuurlijke verkeerschaos is er wel meer anders als ik rond me kijk vanop mijn observatiepunt. Op wandel naar huis besluit ik mijn ogen goed open te houden en te beschrijven welke verschillen ik waarneem.

Zo is de straat waarover ik loop volledig aangelegd met zeshoekige klinkers. Het soort straatbedekking dat bij ons zeer populair was bij duizenden verhoogde kruispunten en die gaandeweg vervangen werd omdat het draaiende vrachtverkeer sporen trekt en de drempels onbruikbaar maakt. Waarom is hier de volledige stad aangelegd in dergelijke klinkers? De oorzaak is verder te zoeken dan op het eerste zicht zou blijken. Bolivië heeft sinds een oorlog met Chili, ruim een eeuw geleden geen directe verbinding meer met de zee. Bolivië is naast Paraguay één van de twee Zuid-Amerikaanse landen die volledig ingesloten ligt en is dus bijgevolg afgesloten van de wereld op economisch vlak waardoor het importeren van goederen zoals teer veel duurder uitdraait dan (goedkope) handenarbeid. De wereld op z’n kop, zo lijkt het voor ons.

 

 

De chaos van het verkeer vinden we ook grotendeels terug in de ‘kleinhandel’. Ik zie op mijn linkerkant vijf ‘buurtwinkeltjes’ quasi naast elkaar die dezelfde goederen verkopen. Deze hebben allemaal bijna hetzelfde. Maar altijd ontbreekt – uiteraard – iets essentieels waardoor je naar de volgende tienda – of naar een van de honderden dagelijkse markten – moet om je maaltijd te kunnen realiseren. Tijd blijkt hier nooit het probleem: een paar uurtjes verliezen om je avondmaal samen te stellen is toch de normaalste zaak van de wereld?

 

Hetzelfde geldt wanneer je iets wil herstellen aan de auto: remmen, embriages, ruiten, bougies, veringen en schokdempers… er bestaat telkens een andere winkel(soort) voor. Opnieuw werkt het een beetje anders dan ‘bij ons’. Als je je auto brengt naar een garagist voor een klein of groot onderhoud, ga je er gewoon de volgende week om (meestal toch). Hier heeft de garagist quasi geen vervangstukken liggen en verwacht hij dus dat je om alle nodige stukken loopt/rijdt/zoekt … Je staat ter zijnen beschikking en verliest makkelijk nog eens een halve dag (of meer).

Wanneer er bijvoorbeeld moet gelast worden, heb je in de ‘lassersstraat’ keuze tussen een vijftigtal ‘maestro’s’. De één al met meer werk dan de ander. In de parallelle straat staan dan weer tientallen kleinhandels schouder aan schouder met een berg snelbouwstenen voor de deur. Letterlijk een BERG, in de vorm van een BERG, geen paletten maar stenen die per drie met de hand uitgeladen worden van een grote truck en opnieuw ingeladen worden in kleinere vrachtauto’s. Dodelijk efficiënt…

 

Ik wandel nog een beetje verder door de brede straat waar niks meer van het feest van gisteren te zien of te ruiken valt. Om de vijf huizen stonden, in deze straat langs de parade, twintig bakken buiten en de vrouw des huize was voor één dag barvrouw (zonder drankvergunning uiteraard, wat is dat?). Deze ambulante ‘pop-up’- mentaliteit waar iedereen zijn opportuniteiten zoekt, treffen we telkens opnieuw.

 

Op het traject naar huis zie ik enkel rode snelbouwstenen en grijze beton. Huizen zonder pleisterwerk waardoor deze eindeloze sprawl aan bebouwing een homogeen uitzicht krijgt, een eigen niet doelbewuste esthetiek. Deze onafgewerkte huizen poppen als paddenstoelen uit de grond in deze relatief nieuwe wijk en de huizen afwerken lijkt het laatste van de bewoners hun zorgen. Bij ons zouden we een onafgewerkte woning onaanvaardbaar vinden, hier gelden andere prioriteiten: een dak boven het hoofd en zo veel mogelijk de wind buiten houden.
Voor de architecten: van vochtproblemen hebben ze geen last: het regent hier af en toe, maar de lucht is zodanig droog en de luchtdensiteit zo laag dat de snelbouwstenen meteen weer uitdrogen EN binnen is geen verwarming en voldoende ‘natuurlijke ventilatie’ aanwezig, dus vochtdiffusie in de muren is er ook nauwelijks!

 

 

 

Terwijl ik verbaasd ben over de eenvoudige bouwdetails, probeer ik me exact voor de geest te halen waar ik me ergens bevind in deze chaos. Ik weet dat ik me ongeveer een vijftal kilometer van de huidige buitenrand bevind, maar dat deze wijk over vijf jaar mogelijks twintig kilometer van de stadsrand zal liggen.

Deze ‘boomende’ terracottakleurige bovenstad, die nu reeds meer inwoners kent dan La Paz (met zijn één miljoen stedelingen), deint uit aan dergelijke snelheid dat een globale bouwcontrole en stedenbouw niet kan bijbenen. Dit resulteert in een eindeloze nevelstad waarvan de meest recente google luchtfoto reeds hopeloos gedateerd is, bijna vergelijkbaar met de ‘Hublewaarnemingen’ van ons heelal die altijd het verleden weergeven. Deze groei gaat gepaard met telkens veranderende en bijkomende informele centra die ontstaan op belangrijke transportknooppunten of –assen. Deze plekken evolueren telkens van ambulante standjes, tot winkeltjes, en via een stijgende bedrijvigheid resulteren ze uiteindelijk in formele machtcentrumpjes die op zichzelf bestaande wijken worden. Deze stad groeit omgekeerd: ‘bottom-up’.

El Alto is gelegen op de hoogvlakte boven La Paz en groeit gigantisch aan door een toestroom uit de rest van het land. We zouden El Alto het ‘Nieuwe La Paz’ kunnen noemen. Deze nieuwe nucleus is echter gelegen naast de luchthaven van La Paz, met andere woorden deze nieuwe stad evolueert rondom dit stuk niemandsland. Is een nieuw centrum mogelijk zolang deze lege vlakte als kwaadaardig gezwel in het midden blijft liggen?

 

 

Deze stad is één en al bijgestuurde wildgroei, is onafgewerkt, maar ze is proper! In alle landen van Zuid-Amerika waardoorheen we reeds reisden (met uitzondering van de Amazone) steekt vuilnis de ogen uit, maar in El Alto niet.

Links wordt mijn oog afgeleid door de schilderingen op een schoolmuur die mij vertellen gezond te eten, terwijl ik rechts de dagelijkse vuilkar met zijn ‘ijskar’-deuntje hoor langsrijden en zie de mensen zelf hun vuilnis schatplichtig in de vuilkar gooien. Er is hier nog een lange weg af te leggen voor recyclage, zoals in het hele continent, maar op het vlak van hygiëne blinkt deze stad toch al uit ten opzichte van het platteland en vele steden in de buurlanden. Een propere stad wordt zelfs letterlijk gelinkt aan een ‘hogere cultuur’. ‘El Altoërs’ met wie we aan de praat raakten, zijn trots op hun propere bovenstad en “willen ‘hun lucht’ die veel gezonder is dan die van de vallei La Paz ook zuiver houden”.

En wat dat recycleren betreft, kan ik niet ontkennen dat ons systeem goed werkt, maar we mogen ons er als tijdelijke bezoekers van een land niet op blindstaren. Hier bestaat een officieuze variant van ons heilig recyclageboontje. Hier wordt alles gerepareerd en hergebruikt! Waar wij bijvoorbeeld nieuwe remblokjes zouden kopen (en dus de oude die verschillende niet recycleerbare materialen combineren weggooien) ‘kleven’ ze hier een nieuwe remlaag op de blokjes waardoor ze weer twintigduizend kilometer kunnen dienen. Als een onderdeeltje van je tv kapot is, zal de ‘tv-specialist’ die voor een aantal euro opnieuw aan de praat krijgen. En ga zo maar eindeloos door! Wie vervuilt er dan meer? Hij die om de vijf jaar een nieuwe auto moet kopen omdat dat fiscaal voordeliger is door onze eindeloze regeltjes, maar wel trouw zijn batterijen recycleert OF zij die hun plastic en groenafval niet afzonderlijk verwerken, maar alles tot in de eindeloosheid proberen te hergebruiken…

Binnen diezelfde lijn van bewustmaking vinden we een campagne voor veiligheid: straten worden afgezet bij manifestaties, voetgangers worden naar zebrapaden gestuurd door fluo gekleurde jokermannetjes en de nieuwste verbinding met La Paz gebeurt via skiliftjes om het verkeer dat drukker wordt op de autostrade en de historische weg te verlichten en een veilige stroom te voorzien.

 

 

Mijn stream of consciousness gaat even zijn vrije gang en dit brengt me opnieuw bij de belangrijke beginpremisse: hoe afgesloten deze wereld is op zowel geografisch en economisch vlak. Hoe ongelofelijk dit land aan de grond zit als één van de armste landen van de wereld, hoeveel minder het sociale vangnet daardoor ook kan opgebouwd worden, maar hoe tegelijkertijd alles rondom mij leeft en bloeit… Hoeveel groter kan het verschil zijn met onze situatie waarin we ALLES hebben en bang zijn om een beetje te verliezen. Het zal in de aard van het beestje zitten.

“Als hier geen minimumloon is, geen sociaal opvangnet in combinatie met een gigantisch verschil in verloning en een groot percentage van niet geregistreerde arbeid, hoe draaien dit soort samenlevingen dan rond”, vroeg ik me voor het bezoek aan deze stad af. Het is diezelfde chaos, diezelfde flexibele informele wereld die ik rondom me zie, die het mogelijk maakt. Er is namelijk voor alle niveaus van verloning een andere wereld. Bij ons is het minimumloon gebaseerd op een relatief makkelijk berekenbaar minimum waaronder je niet menswaardig leven kan. Hier zie ik er onmogelijk een beginnen aan om deze prijzen te bepalen. Hier passen de prijzen zich aan, aan wie ze komt kopen. Als er niet genoeg verkocht wordt aan prijs A, zal het morgen prijs B zijn. Als je bij ons moet leven met het minimumloon, zou je afgesloten worden van talloze sociale mogelijkheden. Hier is een openbaar leven van de laagste inkomens aanwezig: hier bestaan volop restaurants die minder dan 1 euro kosten en zijn de groenten op de markt in de ene wijk 5 keer goedkoper dan die in de andere wijk. Voor vijf euro, exclusief vlees, kan je zeker één week leven in El Alto. Bij ons bestaat die parallelle markt niet.

 

De positiviteit in alles, waar komt die vandaan? Uit het gevoel dat alles langzaam beter kan worden, dat is zeker, maar ook grotendeels uit de beeldbuis. Wanneer ik ‘thuis’ zal komen in de wijk Primero de Mayo zal de tafel gedekt staan en aan het hoofd van de tafel zal ik het immer glimlachende nieuwsanker zien dat de, mij reeds gekende, hoofdpunten opdramt: een parade in wijk X ter ere van een nieuw aangelegde straat Y met bijhorende parade, een stap dichter bij de ontknoping van het terugclaimen van de gestolen zee door Chili, een hoofdpuntje met een openbare realisatie van de regering dat positief onthaald wordt, aandacht voor de armsten die het moeilijk zullen hebben in deze koude periode en een stukje over gezonde voeding. Positief nieuws dus, want zelf in de negatieve berichtgeving wordt een gevoel van solidariteit gecreëerd!

Bij ons zou dit soort berichtgeving compleet onrealistisch overkomen. Bij ons moet er steeds kritiek toegelaten worden en moet de regering zich kunnen verdedigen. Daarin vervult onze media normaalgezien zijn democratische taak. Hier worden alle werken van de regering positief onthaald op een Zuid-Amerikaanse propagandistische stijl, wat uiteraard de nodige gevaren inhoud, want de oppositie krijgt niet dezelfde ruimte op de populaire media. Maar dat springt ons al lang niet meer in het oog, want op dit continent bestaat geen objectieve berichtgeving. Wat ons treft, is de positieve boodschap van solidariteit als natie in dit land vol problemen een stimulans die aanslaat. Hier pakken de jonge politieke partijen, zoals die van Evo Morales – de eerste inheemse Aymara president van Bolivië – tenminste nog uit met idealen waar men al dan niet in kan geloven. Hier is nog een verschil tussen partijprogramma’s terwijl bij ons enkel de eenheidskoek van economisch gemotiveerde politiek bestaat.

 

Het is niet enkel via het nieuws en andere media dat de Bolivianen met trots doordrenkt worden. Ook op school staat de jonge Boliviaanse geschiedenis centraal en in elke speech, op elk wijkfeest, zoals we er ook gisteren één in onze wijk – Primero de Mayo – meemaakten, wordt het belang van het eigen volk en de snelle evolutie van de arme staat benadrukt. De Bolivianen zijn apetrots op hun eigen korte geschiedenis: zoals onze grootouders de heiligenkalender uit het hoofd kenden, zo kennen vele Bolivianen het dagfeest van een belangrijk historisch figuur en hoort daar elke dag opnieuw in een andere wijk een ander feest bij. Elke man en vrouw krijgt bij een van de jaarfeesten wel ergens een rol in dit gebeuren waardoor opnieuw een gevoel van participatie en het lot in eigen handen nemen overheerst. Er is nog een lange weg te gaan, maar de huidige Aymara-president, Evo Morales, heeft begrepen dat hij met deze positieve stimulans het volk kan verenigen om vooruit te geraken.

Dit soort retoriek gaat uiteraard met een heel sterk nationalisme gepaard. En nationalisme heeft hier zijn positieve effecten, zeker omdat er een poging in bestaat om de verschillende etniciteiten met hun verschillende talen dichter bij mekaar te brengen (i.p.v. die rijkdom aan diversiteit in taal en cultuur als barrière te zien), maar heeft uiteraard ook zijn negatieve kanten. Zo wordt bijvoorbeeld – uit een soort van protectionisme en omwille van een slechte voorgeschiedenis – het verkrijgen van een permanent visum voor inwoners van de VS en Israël quasi onmogelijk. Dat kan puur buitenlandpolitiek en bescherming van de eigen markt lijken, maar het is ongetwijfeld door de ruime berichtgeving hierrond op TV dat veel toeristen (die een belangrijke bron van inkomen zouden kunnen zijn) afgeschrikt worden door de vele ‘GRINGO!’ aanroepingen. Dit is een van de negatieve kenmerken van het WIJ-denken. Er is altijd een WIJ en een ZIJ.

 

Veel toeristen beschreven ons Bolivië als een moeilijk land om in te reizen. Als een land waar de mensen zo verlegen zijn dat je nooit iets uit ze krijgt, dat ze zelfs onvriendelijk zouden zijn, maar dat hebben wij zo niet beleefd. Voor ons dekt de term ‘verlegen’ onvoldoende. Zeker wat El Alto betreft. Voor ons zijn de mensen van deze jonge, boeiende, uit zijn voegen barstende stad zelfbewust, vriendelijk, behulpzaam, maar inderdaad behoorlijk zakelijk, niet ‘warm-uitbundig’ zoals men van Zuid-Amerika verwacht, maar daarentegen ‘warm-ingetogen’.

 

 

Diep verzonken in gedachten kom ik aan bij de organisatie Asarbolsem, die een schoolvoorbeeld is van de positieve vibe van El Alto.

2 gedachtes over “El Alto, La Paz, Bolivia

  1. Anoniem 20/07/2015 / 09:12

    Hallo Tim & Eline,
    Al een hele tijd dat jullie onderweg zijn ! We lezen trouw met veel interesse jullie blogs. We hebben ook regelmatig nieuws via het thuisfront in St. Andries. Wat een belevenissen.!!!
    We denken heel dikwijls aan jullie.
    Zorg goed voor jullie zelf .

    Heel dikke zoen van T. Net & N. Julien.

    • timvanhooren 15/09/2015 / 08:54

      Dankjewel Tante en Nonkel! Veel plezier met de zussen volgend weekend!

Geef een reactie