De onverwoestbare Tim …

Bij ons vertrek uit Arica slaan we nog even wat basisvoeding in voor onze tocht naar het Parque Nacional de Lauca. Na het rustmoment bij onze vriend Juan-Pablo, gaan we op zoek naar nieuw avontuur. Het wordt een fabelachtige combinatie van rotswoestijnen met besneeuwde vulkaanpieken, ijsmeren en reeds eeuwen verlaten forten die de enige toegang naar het rijk in de bergen moesten beschermen. We treffen niet alleen konijnen met rare krulstaarten en condors die door de lucht kruisen, maar ook lama’s in carnaval kostuums.

Aan de oever van één van de mooiste meren in het noorden van Chili, de Lago Chungará, houden we halt voor enkele dagen. Vanop de hoofdbaan rijden we via een grindpadje met veel putten en bulten een paar honderd meter naar beneden om ons op te stellen naast het meer. We houden een romantische avond met op de achtergrond een heldere sterrenhemel en de duistere omlijning van enkele iconische vulkanen. We bevinden ons op 4800 meter hoogte en onze ademhaling loopt al wat moeizamer.

Tim begint te hoesten, midden in de nacht. “Het zal wel de hoogte zijn.” De volgende dag blijft Tim hoesten en puffen en halen we toch eens de thermometer boven. Jawel, 39° koorts. Het zal wel beteren, gewoon een beetje aanpassen aan de hoogte. Het hoesten is toch wat lastiger wanneer er minder zuurstof in de lucht hangt. Ik lig ’s nachts verschillende scenario’s te bedenken. Ik  begin te vrezen dat het grindpadje toch niet zo ideaal is voor ons Melqui’tje. Ook HIJ heeft een beetje last van de hoogte en op het pad omhoog kunnen we geen aanloop nemen door de slechte staat. Stel dat het echt niet beter wordt met Timmetje en dat we midden in de nacht moeten vertrekken en dat we echt niet boven raken. Wat dan? Tim woelt de ganse dag en nacht in bed. Hij waagt zich, warm ingeduffeld, aan een kleine wandeling, maar na 100 meter moet hij, verplicht door zijn zwakke lichaam, terug naar het busje in het wild terugkeren. Wanneer de nacht valt, vat hij opnieuw de moeizame slaap aan, hoewel hij al quasi heel de dag horizontaal doorbracht. Hij hapt de ganse nacht moeizaam naar adem. We halen de morgen.

De volgende dag, terwijl we onze ogen openen, is er bezoek van een pick-up met drie toeristen uit Oostenrijk. We zien onze kans. Ik ga een praatje maken en leg de situatie uit. Mogelijks raken we niet op ons eentje boven met de auto. Is het mogelijk om ons naar boven te trekken, indien nodig? We proberen eerst op eigen houtje boven te raken, maar we moeten toegeven: Melqui kon het niet alleen. We hadden hulp nodig van een stoere pick-up. De eerste echte keer dat we hulp nodig hadden om uit een netelige situatie te raken.

Eenmaal 50 km terug in het eerste noemenswaardige dorpje met meer dan tien huizen, maar vooral de eerste bewoonde locatie met meer dan duizend meter verschil in hoogtemeters, ga ik op zoek naar een apotheek om die bronchitis aan te pakken. Want die zal niet op zichzelf genezen. Het geluk staat aan onze kant die dag, want net op woensdag is er in Putre een rollende apotheek. Een grote Mercedes sprinter gevuld met alle noodzakelijke medicijnen samen met een dokter zal ons redden uit de nood.

Uiteindelijk blijven we vier dagen in het dorpje Putre en treffen we wonder boven wonder in het hol  van plutol twee sympathieke koppels Belgen. Meer zelfs, West-Vlamingen. Belle en Jorn uit Menen, en Willy en Chris uit Brugge. We gaan na nog een dagje uitzieken samen iets knabbelen in het enige gezellige restaurantje dat het dorpje rijk is en we klinken met een pint. Het is zeker, Tim is genezen.

 

DEEL 1: Onze mijnbezoeken – Arica

Tijdens onze al vijftienmaanden durende reis gingen we de confrontatie aan met talloze veranderingen: in kwaliteit, in levenswijze, in technologie …. We hebben zowel de modernste hoofdsteden als de kleinste bergdorpjes bezocht. We hebben zowel hoogtechnologische ferry’s als lokale vissersbootjes genomen. Zowel super chique hotels (in Venezuela) als gore hotelkamers (zoals de varkensstallen van onze grootouders) bezocht. En ga zo maar door. We houden er van om de extremen op te zoeken, om de uitersten tegenover elkaar te zetten.

Zo wisten we bijvoorbeeld nog niet dat ons eerste ‘open’ mijnbezoek nabij Arica (Chili), in april 2015, een opvolger zou krijgen in de ondergrondse mijn van Potosí (Bolivië), november 2015. De mijn in Arica is het toonbeeld van de moderniteit en technologie van vandaag de dag. De mijnsite ligt op ongeveer twee uur rijden van het dichtstbijzijnde stadje, geen aparte woonsite aanwezig naast de mijn. Iedereen gaat dagelijks op en af met een georganiseerde bus van het bedrijf. De site zelf bestaat uit een centraal opgestelde cockpit met secretariaat, een apart bureau voor de directeur, een kantine met restaurant, enkele bestuurskamers, omkleedlokalen voor mannen en vrouwen,… Alles heeft een welbepaalde plaats en structuur, iedereen weet waar wat ligt. Kortom het is een goed georganiseerde site, waar niet alleen Chilenen (zowel van het noorden als van het zuiden), maar ook talloze andere nationaliteiten aan de slag zijn.

De mijn in Potosí (zuid Bolivië) daarentegen heeft niets van dit alles. Het is een mijn met een geschiedenis die teruggaat tot de eerste kolonisatoren, de Spanjaarden die hier vanaf de 16e eeuw hun zilver kwamen opeisen. Het belangrijkste verschil is en blijft dus ook het grote leeftijdsverschil tussen beiden. Waar Arica een groentje is met de laatste technologie, daar is Potosí een oude grijsaard die (noodgedwongen) voortbouwt op zijn oude technieken en machtsstructuren. Het is een ware teletijdmachine naar het einde van de negentiende eeuw. Het is een plek waar enkel oude technieken worden gebruikt, waar oude metalen zware karren handmatig moeten voortgeduwd worden, waar de werkmannen werken met hoofdlampen die elk moment uit elkaar kunnen vallen, waar iedereen voor eigen rekening werkt met een aangekocht lot, eventueel met een aantal werkmannen die hij moet onderhouden … Het is een ondergrondse aparte wereld waar geen heiligen regeren maar alleen El Tio, ‘den nonkel’. Ons bezoek aan deze laatste mijn van de twee wordt uitgebreid verteld in een volgende blog: DEEL 2: Onze mijnbezoeken – Potosí.

 

Arica, een godvergeten plek in het allernoorden van Chile

In het zuiden van Peru haasten we ons, op het einde van november, om op tijd in Arica te raken voor Het Halloweenfeestje van het jaar. We rijden en rijden en rijden om toch maar voldoende kilometers te halen met Melqui. Maar die gaat nu eenmaal niet zo snel vooruit en zeker niet als er iets motor technisch verkeerd loopt. Tegen heug en meug zetten we toch door want we willen onze Chileense vriend Juan Pablo niet teleurstellen. Na nog een honderdtal kilometer gereden te hebben, moeten we toegeven dat er toch iets wezenlijk scheelt met de auto dat niet te negeren valt. Op VW bezoek dan maar in Arequipa (zie één van de vorige blogs), Peru, en met een klein hartje maar laten weten aan onze vriend dat we – naar Zuid-Amerikaanse gewoonte – niet op tijd zullen zijn.

Hoe komt het nu dat we al zo’n goeie vriend hebben in Arica? Tijdens onze intense autozoektocht in april vorig jaar (alles loopt hier een beetje door elkaar) komen we in contact met een Duits koppel die hun reismobiel verkoopt in Arica. We contacteren hun snel en delen onze interesse in hun auto mee. Het lot beslist er toch anders over en net die dag is de auto al verkocht. Verdorie!! Maar we spreken toch nog eens af om hun info i.v.m. auto’s kopen te aanhoren. Op dat moment zijn we nog groentjes op  het vlak van ‘auto’s in Zuid-Amerika’. Een gezellige avond op café verder, met het nodige gerstenat, hebben we heel wat autokennis bij. Maar het belangrijkste bleek uiteindelijk de tip dat zij verbleven bij een wel heel sympathieke couchsurfer. We wisten nog niet hoe onze tocht verder zou verlopen maar een gezellige en rustige slaapplaats konden we wel gebruiken.

Het zou onze eerste couchsurferplek worden van de reis en we hebben die dan nog wel gevonden via rechtstreeks contact. Normaalgezien contacteer je een persoon via de site van Couchsurfing en krijg je zo de nodige gegevens en contactmogelijkheden. Maar het net iets anders aanpakken (en de site eigenlijk niet gebruiken), dat blijkt nogal goed bij ons te passen. We komen op de koop toe aan op een zaterdagavond om 22u, zoals steeds een briljante timing. We wisten nog niet zo veel van de Chileense gewoontes en gingen er van uit dat zij op dat uur al lang gegeten zouden hebben, dus wij hadden net een lekkere pizza opgesmoefeld. Zij dachten er anders over… Ze hadden reeds gekookt voor ons. Wow, wat een gastvrijheid van die Chilenen! Het zou niet de laatste keer zijn dat we zo’n positief beeld krijgen van de Chilenen, wat een oprecht sympathiek volk!

We doen ons uiterste best om aangename gasten te zijn tussen al ons gezoek naar een auto: uren en uren het internet afschuimen, notaria’s en overheidsdiensten bezoeken om een Chileens RUT-nummer te bekomen (we zouden dit het best kunnen vergelijken met het Belgische Rijksregisternummer, met het verschil dat in Chile alles met dit nummer gebeurt; of je nu naar de burgerlijke dienst gaat of naar de supermarkt, overal heb je dit nummer nodig), andere officiële diensten in Arica bezoeken om meer informatie te weten te komen over hoe een auto te kopen van buitenlanders, andere Chilenen ontmoeten …

Juan-Pablo en zijn vriendin Carla blijven top gastheren en -vrouwen. Samen bezoeken we het centrum van Arica, de centrale houten kerk die een ontwerp is van Gustave Eiffel, eten we één van de lekkerste ijsjes van Chile … en gaan we samen heerlijk uiteten in één van de betere restaurants van de stad. Daar in onze allermooiste kleren (na het zwemmen in de zee) treffen we de hoge bazen van JP en Carla. Zij werken in één van de vele kopermijnen die Chile rijk is. JP als mijningenieur en Carla als verpleegster. Hij heeft duidelijk een goeie band met hen, stelt ons voor, informeert dat we architecten zijn op bezoek uit België. Na enkele minuten worden we uitgenodigd om de mijn te bezoeken. We zijn een beetje overdonderd door dit snelle gebaar maar een gegeven paard kijk je niet in de bek. Dus we aanvaarden beleefd.

 

De volgende ochtend komt een privé taxidienst van de mijn ons ophalen. Speciaal voor ons, jawel, een heen- en terugrit van respectievelijk anderhalf uur, met de bus duurt dit traject minimum twee uur. Alle werknemers in de mijn moeten dit dagelijks afleggen. JP licht ons in dat er verschillende werkregimes bestaan: je werkt zeven, tien of veertien dagen en nadien heb je telkens zeven, tien of veertien dagen vakantie. Per dag werkt een gemiddelde werknemer 12u, in dag- of nachtshiften. De normaalste zaak in de wereld, lijkt het. Allemaal goed en wel, zou je denken, zolang je geen gezin of familie hebt die je graag op regelmatige basis wil zien. Ook in Peru en Bolivië hebben we al te vaak over dergelijke werkregimes gehoord.

Aan een sneltempo vliegen we door de noordelijke woestijn van Arica. Droog droog droog! Werkelijk niets te zien. Geen rivier, geen watervoorziening, geen landbouw, amper bomen… De inwoners hebben in eerste instantie dan ook geen enkele reden om naar hier te trekken en te wonen. Wie wil er hier nu ook wonen? In een regio, op 2000 kilometer van het centrum van het land (Santiago, Valparaiso en omstreken), met alleen zand, droge bergen en dorre valleien. Ze worden naar hier gelokt door enerzijds het goedbetaalde werk in de mijn en anderzijds door een taksvrije zone. Alles is hier een vierde van de prijs goedkoper. Handig voor onze aankoop van een auto dachten wij (tot we doorhadden dat je met een dergelijke auto maar drie maanden uit de regio mag).

Eenmaal op de werf aangekomen, na een controlepost waar we geregistreerd stonden, worden we aan iedereen voorgesteld, krijgen we plannen te zien van de site en krijgen we een helm opgezet. Jammer genoeg krijgt alleen Tim een witte helm, zoals het hoort voor een ingenieur. Ik moet het doen met een blauwe. Juan-Pablo geeft ons een snelle introductie omtrent de werking van een kopermijn. Zoals het een echte leerkracht betaamt, met een wit bord en stift. Als super enthousiaste leerlingen letten wij heel goed op. Hoe de mineralen uit de grond gehaald worden, waar ze naartoe gebracht worden om vermalen te worden tot klein gruis om tot slot klaargestoomd te worden voor het chemische proces om het koper te scheiden, te concentreren en de koperplaten te kunnen produceren.

JP verlaat ons en een andere ingenieur, Miguel, die het hele koperproces controleert, neemt het van onze vriend over. Miguel zal ons gedurende een paar uur rondleiden op de site, meer bepaald het deel met de open mijn. In één van de vele rode pick-ups met rood wapperend vlaggetje (voor de zichtbaarheid) rijden we vlot enkele kilometers rond. Het is groter dan gedacht zo’n open mijn. Geen wonder dat ze elk met een bedrijfswagen rondrijden, te voet of met de fiets zou je amper naar de andere kant kunnen rijden en je dagtaak zou er al op zitten. We starten onze tour met een fantastische overzichtsplek van de mijn. Ook hier komen alle ingenieurs samen om de mijn te observeren. We zien de gigantische bulldozers rondrijden. Dit zijn echt etende monsters. Ze rijden rond op onwaarschijnlijk grote wielen, een diameter van om en bij de drie tot vier meter. Ze verorberen tonnen steengruis om die later opnieuw uit te spuwen in een al even grote truck. Die camion rijdt op zijn beurt naar een plek, met kilometerslange loopbanden, waar de grote brokken steen worden vermalen tot klein steengruis. Dit proces wordt zo vaak herhaald als nodig tot het gruis kan verwerkt worden in een chemisch proces. Ondertussen zijn we al rondgereden over de halve site, telkens naar een andere plek. Er moet een reden zijn waarom de verschillende stappen van dit productieproces zich niet vlak naast elkaar bevinden, maar dat is ons toen en nu nog steeds onduidelijk. We rijden wat verder naar een aantal reservoirs waar enkele bijzonder chemische producten liggen te gisten. Er worden steeds andere experimenten uitgevoerd om het koperproces zo efficiënt mogelijk te maken, zo licht onze ingenieur ons in. Wanneer we bij één van de controleposten komen, waar alle computers de gegevens verzamelen van de duizenden sensoren die ergens in het chemische proces verborgen zitten, ontmoeten we nog enkele andere bazen, waaronder een Chinees of Koreaan (de precieze nationaliteit ontgaat ons even). Deze man is echter niet zo tevreden met ons bezoek. Hij ziet ons allicht aan als mogelijke spionnen en niet als de spontane toevallige bezoekers. We zijn nog maar een halve seconde binnen in het kantoor, de Chileense mannen leggen ons sympathiek uit hoe het in zijn werk gaat, wat we precies moeten kunnen zien op de vele diagrammen die daar binnenkomen, terwijl die Koreaan ons met een duidelijk misprijzen aankijkt. We voelen ons dan ook niet echt zo op ons gemak, en na een paar minuutjes stuurt Miguel ons aan verder te gaan. Een laatste stop is daar waar het koperpoeder tot koperplaten wordt geconcentreerd. Er staat ons opnieuw een open hangar met talloze verschillende machines te wachten. Wij kennen natuurlijk niets van deze machinerie. Vijftig platen worden mooi op elkaar gestapeld en aan elkaar gebonden, klaar voor vertrek. Hier is duidelijk geen gebrek aan koper. We zagen dan ook in deze regio al menig daken of bakgoten in koper. Daar kan een Belgische architect alleen maar van dromen, want daar aan jullie kant van de wereld, in het koude België, betaalt men daarvoor een fortuin. We besluiten onze voormiddag met een lunch in het werkmansrestaurant samen met alle collega’s en bazen. Zoals altijd treffen we een voortreffelijke keuken ;-).

Een welgemeende merci aan onze vriend Juan-Pablo die het mogelijk maakte om dit bezoek te kunnen doen.

 

Na onze intense maand zoeken naar een auto (april 2015), vonden we geen exemplaar in Arica zoals we eerst dachten, maar moesten we opnieuw reizen naar La Paz (Bolivië), want daar stond Melqui op ons te wachten. Maar na zeven maanden (november 2015) reizen en zeven maanden na onze eerste ontmoeting met Juan Pablo en Carla, hadden zij twee natuurlijk nog geen kennis gemaakt met Melquiades. Het was dan ook snel beslist dat we Melqui moesten voorstellen. We houden vijf dagen rust met heerlijke Zuid-Amerikaanse lappen vlees op de parilla natuurlijk!

De nachtelijke rendez-vous van Melqui

Dat Melqui bijzonder sociaal is, konden jullie al lezen in één van de vorige blogs waarin Tim alle kwaliteiten van onze derde reiziger vertelt. Maar dat ze ook rendez-vous heeft tijdens de nacht of tijdens de vroege uurtjes, wisten jullie nog niet. We komen er soms wat mee in schande maar, meestal kunnen we er goed om lachen.

De ene keer wordt ze/hij (onze auto heeft wat hermafrodiete kantjes) omringd aan het centrale plein door fanfares, zingende mensen die allemaal een fakkel in hun hand houden, kinderen die voluit op hun trommels kloppen, vreemd rondlopende figuren in de meest onmogelijke kostuums, dansende koppels die hun traditionele folklore harmonieën tentoonspreiden of muziekantjes die naast de auto hun gitaar bovenhalen…

Op een doordeweekse avond hebben we ons opnieuw opgesteld aan het centrale plein, de Plaza de Armas, het Parque Central of welke naam het ook draagt. Uit ervaring weten we al dat dit meestal een bijzonder aangename plek is met voldoende sociale controle. We hadden geluk en vonden net het laatste parkeerplekje. We gaan nog even op verkenning in het stadje, pikken een lekkere pizza met de obligatoire pint mee en kruipen nadien snel onder de wol.
De volgende morgen, het bleek een zondag te zijn, ontbijten we op ons gemak in de auto. We plannen een bezoekje aan de markt om wat verse producten in te slaan. We genieten van onze lekkere koffie, als echte Italianen hebben we een caffetière in de auto. “Grmqmqmdlsfj”, we horen een zacht gerammel in de verte, enkele metaalachtige gerinkels al wat dichter. Ik dacht dat ze het plein opruimden van de festiviteiten van de avond ervoor. Tim daarentegen dacht er anders over. Hij springt uit de auto, legt zijn haar in de plooi, strijkt zijn broek wat gladder en start een praatje met een man aan onze auto. Dit gebeurt allemaal in een fractie van een seconde. Ik kijk nog een beetje rond, vat nog niet helemaal goed wat er gebeurt.

Wat bleek nu? De man in kwestie stond op het punt een wielklem rond ons voorwiel te leggen, op zondag mag er niet geparkeerd worden op het plein. Wij weten hem nog net te overtuigen dat wij nietsvermoedende toeristen zijn, amper Spaans kunnen spreken en al helemaal geen bordjes hebben gezien. De man geeft zich na vijf minuten gewonnen. Misschien had hij wel wat sympathie voor ons en laat ons gaan, zonder een boete. Fjuw, hup dan maar naar de volgende stad.

 

Op nog een andere avond komen we (opnieuw) laat in een stadje in het noorden van Chili aan (+/- 23u.) en zoeken een slaapplaats. Na bijna alle straten afgereden te hebben, vinden we een aantrekkelijk straatje midden in de stad: rustig met toch voldoende passage, naast een paar rozenstruiken, enkele woonhuizen en een paar openbare gebouwen. Het lijkt ons perfect. We slapen als roosjes.
De volgende morgen gaan we toch even de stad verkennen. Zoals steeds treffen we een centraal plein met daaromheen straten in een rechthoekig patroon. Alles blijkt ’s morgens vroeg (=9u) heel rustig te zijn in de stad. Chilenen beginnen wat later aan hun dag, pas om 10 à 11u wekt de stad echt. Er is eigenlijk niet zo heel veel te beleven noch te bezoeken, dus we beslissen om onze tocht verder te zetten. Eenmaal terug bij de auto, vinden we een blaadje onder onze ruitenwisser. Een boete, de eerste van onze reis. We waren ons van geen kwaad bewust, geen enkel parkeerbord te zien noch andere aanduidingen. Alleen een mannetje die rondloopt tijdens de werkuren, hadden we nadien door.
Zoals altijd en overal in Chili, zijn publieke parkeerplekken opgeëist door een privé persoon om daar geld uit te slaan. Er zijn geen officiële borden, er is geen grootschalig stedenbouwkundig plan om auto’s buiten de stad te houden, maar alleen iemand die de parkeerplekken bewaakt uit eigenbelang. Zo is het niet alleen midden in het centrum, maar ook op een museumparking, een supermarktparking ongeacht of je er aankopen hebt gedaan of niet … Daar hebben we het toch wat moeilijk mee! En al zeker in dit geval, in een buurt die geen bewaker nodig heeft. De buurt is veilig en er is helemaal niets aan de hand.
Ons plan komt even spontaan als het snood is… Het is werkelijk waar de eerste keer dat we dit toepassen. We doen alsof we niets gezien hebben, geen papiertje te zien en hup we gaan op route. Aan het einde van de straat staan er echter lichten en natuurlijk is het net rood wanneer we er passeren. Het mannetje haalt ons in, wil zijn uitgeschreven boete komen innen. Wij spreken plotseling geen Spaans meer en … het wordt groen. In dit land (en vele andere landen) waar corruptie en uitgevonden jobjes de plak zwaaien, doen wij ook even alsof we een local zijn en niet de eerlijke en veel te plichtsbewuste Europeaan die al genoeg heeft bijgedragen aan dit subsysteem.

Op een andere avond staan we geparkeerd aan een klein strand, in een mini-dorpje met een magnifiek uitzicht op de besneeuwde vulkanen aan de overkant van het meer. We kijken gezellig naar een filmpje, genieten van de rust aan het meer, waar alle strandgangers al naar huis zijn teruggekeerd. De totale rust van Zuid Chili. Plotseling horen we echter een bende jongeren tussen de 16 en 18 jaar met sterk Noord Amerikaans accent, bijna uitsluitende jongens. Ze hebben zich opgesteld net aan de neus van Melqui. We kunnen ze niet negeren. Ze groeperen één meter van de auto, terwijl er aan het strand meer dan een kilometer aan ruimte naast ons vrij is. We zijn ons nog maar net aan het frustreren over hun gekozen locatie of ze beginnen één voor één à capella een sonate te zingen tot wanneer ze één geoefend geheel vormen. Het hogere doel blijkt twee Zuid-Amerikaanse deernetjes te veroveren. Ze kunnen zingen, daar bestaat geen twijfel over. Ze hebben talent en zijn geoefend. Dit zijn geen ‘gewone’ Amerikaanse jongeren.

Frutillar, Zuid-Chile, is een dorp met twee parallelle avenues en enkele verbindingsstraatjes, honderd huizen waarvan de helft hostals of restaurants. Daartussen staat een mega theaterhuis aan de waterkant, ‘Teatro del lago’, waar niet alleen theaters, concerten of optredens plaatsvinden. Er worden ook zomerstages van muziek tot en met ballet georganiseerd voor een schappelijke prijs. Deze jongens dienen als promotie voor deze nieuwe veelbelovende onderneming. Ze komen van een American Highschool waar muziek centraal staat en voeren hier enkele dagen optredens op, om nadien door te trekken naar een volgende Zuid-Amerikaanse stad. (voor zij de ex-Sint-Lodewijkers onder jullie: een iets grootsere onderneming dan Ons Dorado). Dit is de eerste keer dat we zoiets zien in Zuid-Amerika. Graag meer.

 

September: naar school!!

Proloog

Het noorden van Ecuador is een bijzonder amalgaam van feeërieke woudlandschappen, kilometers uitgestrekte landbouwgronden, opmerkelijke dorpscentrumpjes tot geanimeerde marktgebeurtenissen. Onze route door dit land neemt zoals altijd letterlijk ‘vreemde kronkels’ aan. We laten de drukke hoofdstad Quito achter ons en dalen enkele tientallen kilometers af in een landschap dat het best te omschrijven valt als een combinatie van een mistige, gure kustregio en de jungle met bijna 100% vochtigheid. De wereld van J.R.R. Tolkien komt tot leven. We zijn volledig in de ban van het donkere woud waarin de zichtbaarheid tot enkele meters beperkt wordt, waar alle vreemde wezens tot leven zullen komen. Misschien komt Legolas achter de bomen tevoorschijn, denken we. In deze wondere elfenwereld beslissen we even halt te houden, niet te lang, want we zouden wel kunnen vertrappeld worden door de grote enten van dit duistere bos. Het dorpje waar we via een klein kronkelend grindpadje terechtkomen, heet Mindo. Zoals alle Zuid-Amerikaanse dorpjes heeft ook dit een rechthoekig grid. In de zeven straten, die het dorp rijk is, slenteren we even rond, bang dat we doordrenkt zullen raken door de miezerige, warme motregen dat langzaam naar beneden zweeft. Wie staat daar plotseling vlotjes praatjes te maken tussen drie knappe Ecuadoraanse vrouwen? Oude bekende, Victor, een sympathieke Zweed met wie we enkele avonturen deelden in Baños tijdens het bezoek van Meester Carton. Vrolijk klinken we samen op de tweede toevallige ontmoeting met een volle bierkruik.

Het was een laatste luchtige toeristendag. Van hier af aan voelen we dat het menens wordt voor ons technisch schoolbezoek. We willen ons goed voorbereiden en scherpen al onze zintuigen aan. We willen zoveel mogelijk oppikken zowel van de omgeving, van de complexe samenleving, als van alle zaken die scheef lopen in dit mooie land.

De zweverige boswereld laten we even voor wat het is en duiken de werkelijkheid in. De grootste binnenlandse markt van Ecuador vindt plaats in Otavalo. Hoe beter met de neus in de werkelijkheid geduwd te worden dan met de doordringende geur van fecaliën. Gelukkig wordt de markt opgesplitst: de artisanale markt, voornamelijk voor de toeristen; de groenten- en fruitmarkt; en de laatste, maar absoluut niet de onbelangrijkste, de beestenmarkt! De beestenmarkt zoals wij die niet meer kennen (of toch zeker ik niet als stadsmeisje). Kleinvee in een eerste deel en daar worden ook de kleine puppy’s aan drie dollar bijgerekend, een tweede afdeling met biggetjes- en varkens en een derde met kalfjes, koeien en paarden. Kortom alles wat je maar wil op een hoop. Over hygiëne praten we al niet meer. De ganzenmenner vond duidelijk zijn weg niet meer naar het juiste deel van de markt, maar gelukkig volgde de kroost gele kuikens hem door de drukke straten.

Eenmaal terug op de baan, treffen we nog meer aspecten van het ‘echte’ leven. Aspecten die we eigenlijk liever niet zien. Waar groenten en gewassen gekweekt worden, zijn er onlosmakelijk sproeistoffen bij gemoeid en dat in alle mogelijke vormen. Grote panelen ter promotie van de efficiëntste en meest chemische sproeimaterialen en meststoffen; sproeimannetjes die een hele dag rondhuppelen met hun sproeireservoirs vol; of op nog grotere schaal met kleine vliegtuigjes die de velden overvloedig voorzien van pesticides.

Als onze ogen niet op de lucht gericht zijn naar de tientallen vliegtuigjes, kijken we in het rond en naast de baan zien we tientallen reclame borden: “Primero” Ecuador. “Ecuador eerst” vrij vertaald in het Nederlands. De eerste op alle mogelijke wijzen en interpretatiemogelijkheden. De eerste in eigen producten (de overheid stimuleert eigen productie in plaats van import), eigen traditie (terwijl verschillende minderheidsgroepen zich gediscrimineerd voelen), eigen makelij (om artisanale ambacht te onderhouden), de eerste in toerisme (het wordt er flink ingepompt dat ze het mooiste land van Zuid-Amerika zijn met de meeste diversiteit), de eerste in … Fantastisch initiatief, maar er is nog werk aan de winkel. (Tim vertelt jullie daar later meer over)

 

Bij de familie

In het noorden van Ecuador transformeren wij onszelf even, en met even bedoelen we 48 uur, in de rol van biologen, leerkrachten, fotografen en verslaggevers. Als (ontdekkings)reizigers houden we van uitdagingen en verandering van plannen. We geven ons volledig over aan een ander vakgebied.

We gaan op bezoek bij een Technische school en Landbouwinstituut in Ecuador, in het kleine dorpje van Las Villegas. Het is geen kant en klaar geregeld bezoek. Er komt een beetje chaos bij kijken, maar daar houden we van. Waarom gaan we nu net daar op bezoek? Het LTI, het Land- en Tuinbouwinstituut in Oedelem houdt een uitwisselingsproject met de school in Las Villegas. Het is natuurlijk niet evident om als Belgische school even op en af te reizen naar Ecuador en dus werd er voor een eerste persoonlijk contact aan alternatieven gedacht. Geert Glorie, leerkracht LTI, en vriend van de Vanhoorens, komt met ons in contact. De eerste ruwe vragen werden reeds een jaar geleden via mail heen en weer gestuurd: de vraag of wij eens kunnen op prospectie gaan, wat foto’s kunnen nemen, kennis willen maken met de betrokken leerkrachten… In functie van een goeie toekomstige samenwerking tussen de scholen.

We steunen altijd uitwisselingsprojecten tussen scholen, welke vorm ze ook aannemen. We hebben zelf ook het geluk gehad om in het middelbaar met scholen in andere landen in aanraking te komen. Tim verkende op die manier IJsland en Rusland, zelf kon ik Zuid-Afrika proeven. We herinneren ons maar al te levendig hoe intens en inspirerend zo’n uitwisseling kan zijn. Het blijft hoe dan ook een fantastische ervaring, of je er nu in levende lijve heengaat of via de hedendaagse digitale wereld communiceert.

Na veel wijzigingen in onze plannen luidt de afspraak finaal zondagmiddag 27 september 2015 om 16u. aan het ronde punt waar een standbeeld staat met een bronzen man met een sigaarstompje in zijn mond (“Doe toch die sigaar uit je mond, Sjohnny”, denk ik dan, een gedicht voorgedragen in de poëzieavond, bijna tien jaar geleden). “Het dorpje is helemaal niet groot, en je herkent direct het plein waar we het over hebben”, zeggen ze. Ok, wij zijn benieuwd. En inderdaad, we herkennen al snel de man met sigaar in de enige Avenue, en één van de drie straten van het dorpje. En wachten maar. Uitkijken wat er allemaal in dit kleine dorpje gebeurt: oude mannetjes zitten op de stoep, de dorpsjeugd klit wat bij elkaar terwijl ze staren naar die twee vreemde gringuitos, kinderen spelen in het midden van de straat, het marktgebouw staat er leeg bij op deze zondagnamiddag, er passeren een paar auto’s, gezellig kletsende dametjes die ons allemaal even vriendelijke welkom heten … en dan zien we twee dames uitgelaten en met veel kabaal op ons afkomen. Wij zijn namelijk twee gemakkelijk te herkennen gasten ;-).

De ontvangst door de twee dames, Carmen en Aura, is van een warme Ecuadoraanse hartelijkheid. Onze eerdere communicatie was steeds met de directeur van de school, maar hij had een bezette agenda deze zondagmiddag en stuurde twee van zijn sympathiekste en babbelachtigste collega’s. We vernemen snel dat Carmen leerkrachte biologie is in de middelbare school en Aura leerkrachte lager onderwijs in de enige andere school van het dorp. Wij laten ons overal naar meeslepen. Geen idee wat er ons te wachten staat. We worden gehuisvest bij Aura en haar familie. Dus we wandelen direct naar hun huis, maken kennis met haar man, die toevallig thuis is alvorens hij opnieuw twee weken van huis gaat werken, twee oudere zoons en één achterkomertje van acht jaar. Iedereen wil graag kennis met ons maken. Niet enkel het gezin, maar ook de andere leden van de familie: tantes, nonkels, neven, nichten, buren, vrienden … We hebben er geen idee van hoeveel totten we gegeven hebben die dag. Elk moment van de dag was er iemand op bezoek in de gemeenschappelijke voorruimte van het huis die dienst doet als living, wasdroogruimte, hangmatplek, garage … ook onze auto werd uiteindelijk binnen gezet, zodat de auto zeker veilig staat in dit grote dorp ;-).

Die zondagavond neemt Carmen ons direct mee op avondwandeling door het dorpscentrum. Het is een bijzondere ervaring om net toe te komen in dit dorp en meteen kennis te maken met het nachtelijke gebeuren (er gebeurt niets ;-)). Tijdens het wandelen vertelt ze honderduit over van alles en nog wat. We horen haar bijzondere familiegeschiedenis. Haar vader kwam vijftig jaar geleden naar deze plek en stichtte het dorp tussen de uitgestrekte landerijen. Gedurende tientallen jaren was het dorp een miniatuurgemeenschap en slechts de laatste jaren kent het dorp een gestage groei. Ondertussen kent het dorp ongeveer 5000 inwoners. De familienaam van Carmen is dus, net als de naam van dit dropje, Las Villegas.

Tussen haar familiegeschiedenis vallen ook verschillende opmerkingen over de school: dat het schoolsysteem steeds verandert; dat zij als leerkrachten steeds harder moeten werken voor hetzelfde loon, dat ze nieuwe opleidingen moeten volgen voor andere vakgebieden die de hunne niet zijn omdat je aan het volledig aantal uren moet komen, dat ze zo goed als geen middelen van de overheid krijgen als technische school, dat de directeur niet altijd zijn leerkrachten ondersteunt doordat iedereen telkens binnen het hiërarchisch schoolsysteem een streepje voor wil op het volgende niveau, dat alle leerkrachten in Ecuador zwijgplicht hebben ten opzichte van de media… Leerkrachten mogen onder geen beding commentaar geven op de radio, tv of krant op het onderwijssysteem. Alleen het hoofd van de scholengemeenschap mag, na overleg met de overheid, een interview afleggen. Ontzetten uit de ambt en gevangenisstraffen worden hierbij niet geschuwd. Dit vormt een bijzonder interessante achtergrond om morgen het schoolbezoek aan te vangen.

 

Op de schoolbanken

We voelen ons bijna als officiële ambassadeurs van het LTI uit Oedelem wanneer we maandagmorgen om 7.30u stipt opgehaald worden door Carmen. Het schoolterrein is slechts enkele bouwblokken verwijderd van onze slaaplocatie, waardoor wij uiteraard veronderstellen te voet te gaan. Niets is minder waar. Alles gebeurt met de trouwe vierwieler, dus we gaan met de auto. Aangekomen op het schoolterrein worden we door leerkrachten en leerlingen vriendelijk welkom geheten. Alle leerkrachten zitten gezellig te kletsen in het mini-leerkrachten lokaal, alvorens de lesdag te starten. Het nieuws gaat al snel de ronde dat de twee Belgen op bezoek zijn. Dit gebeurt namelijk niet elke dag, dus iedereen komt eens zijn neus binnensteken. We maken onder andere kennis met de andere leerkrachten die dit uitwisselingsproject hielpen opstarten: leerkrachte Engels Olga, leerkrachten landbouwkunde Romulu en Edgar; en verantwoordelijke voor het landbouw- en tuindeel Eker.

Carmen neemt ons dan maar snel mee naar het belangrijkste kantoor van de school, dat van de directeur. We keken al even uit naar de ontmoeting met de man met wie we reeds enkele geschreven contacten hadden gehad. De ontmoeting is hartelijk en er wordt geïnformeerd naar de kwaliteit van ons logement en naar onze avonturen tot nu toe. Maar veel tijd voor ons heeft hij echter niet want om 8u stipt start het algemene appel. Alle 400 leerlingen staan in formatie, per afdeling en per klas, tegenover het podium waar de directeur zijn dagelijkse speech houdt. Natuurlijk worden we uitgenodigd op het podium om een woordje te houden. Eeuwig vlotte Tim had in de ene denkminuut net voldoende tijd om te bedenken wat hij zou zeggen: wie we zijn, wat we komen doen, dat we hopen een normale schooldag te zien en op het einde de obligatoire dankwoordjes aan zoveel mogelijk mensen (dit is zeker in Zuid-Amerikaanse landen een uitgebreide traditie, we hebben al goed opgelet).

Ons tweedaags bezoek belooft een bijzonder intens bezoek te worden, dat hebben we al snel door. We worden overal meegenomen, rondgeleid, voorgesteld, uitgenodigd om samen koffie te drinken en het hart te luchten… We wisten echter op dat moment nog niet dat maandagmorgen een hele lange voormiddag zou worden. De eerste rondleiding start met de schoolgebouwen, de leslokalen, de refter, en verscheidene technische leslokalen … Kortom alles wat een technische school tot een technische school maakt. We worden geïnformeerd dat het de laatste schooldagen zijn alvorens de examens starten. We hebben geluk met onze timing van bezoek dus, want een school zonder leerlingen is zoals een Zuid-Amerikaans busstation zonder chaos.

Ik herinner me deze laatste dagen voor de examens als een periode waar nog zoveel mogelijk puntjes op de i worden gezet, waar leerkrachten pogen de laatste moeilijkste oefeningen uiteen te zetten, waar leerlingen alle mogelijke laatste vragen stellen, waar leerlingen al een beetje gespannen lopen … Van dit alles is hier niets merkbaar, noch van de logische orde die bij Belgische scholen altijd aanwezig is. Wanneer in België het belsignaal gepasseerd is, staan de leerlingen in semi-ordentelijke rijen te wachten tot de leerkracht hun komen halen. Eens alle studenten in de klaslokalen zitten, is er niemand meer te bekennen op de speelplaats. Samengevat: heerst er een rust over het schoolgebouw na het kabaal van de speeltijd.

Van deze rust is hier niets te merken. Het uur van lesgeven is begonnen. Maar we zien minstens een derde van de leerlingen rondlopen, voetbal spelen, kletsen met elkaar, computerspelletjes spelen of hun facebookpagina checken …. Wanneer we dus kijken in de klaslokalen, is logischerwijs de helft niet gevuld. We raken er op dat moment, en eigenlijk ook vandaag, nog steeds niet aan uit hoe dit schoolsysteem werkt. We wijten het aan het moment van het jaar, we veronderstellen dat het op een ander moment in het jaar er anders aan toegaat.

Wanneer we hierover enkele subtiele opmerkingen maken, wordt er niet op ingegaan. Even later in de gesprekken wordt er daarentegen wel verwezen naar een ander fundamenteel probleem. De leerlingen hebben geen respect voor de leerkrachten. Leerkrachten kunnen, of beter gezegd mogen, een leerling niet op zijn plaats zetten of een straf uitdelen. Ouders deinzen er namelijk niet voor terug om leerkrachten aan te klagen. Noch kunnen de leerkrachten leerlingen buizen wanneer deze niet voldoende scoren op een test. De regering eist dat alle leerlingen op het einde van het jaar slagen. Hoe moet een leerkracht zijn job volbrengen als alle middelen hem ontnomen worden?

Tussen de klasbezoeken door wordt opnieuw verschillende keren verwezen naar de andere structurele problemen die ze ondervinden bij het lesgeven. De overheid past steeds de leerplannen aan; eigenlijk kopieert ze die telkens van een ander Europees land; dit jaar zijn de Spaanse lesboeken aan de beurt (want die moet je niet vertalen), maar die staan mijlen ver af van de Zuid-Amerikaanse wereld. De werkdruk neemt steeds toe omdat ze meer uren moeten lesgeven dan voorheen. Dit is één van de weinige technische scholen van Ecuador, maar ze wordt door de overheid totaal niet financieel ondersteund, (want de nadruk moet op ASO liggen) zo moeten praktijklessen in groepen van 30 leerlingen doorgaan in een grote zaal met slechts twee werkende machines …

Het eerste deel van de voormiddag wordt besloten met een koffie en empanada (heerlijk gefrituurd hapje gevuld met kaas, gehakt, groentjes …), in de open schoolrefter, met de directeur. Ditmaal heeft hij wat meer tijd uitgetrokken voor ons. Hij wil graag wat langer met ons kennis maken. We keuvelen gezellig over onze eerste indrukken, maar na tien minuten worden we door andere leerkrachten meegesleurd op een nieuw avontuur en zien we ons verplicht dit onderhoud af te sluiten.

 

Naar de quinta

Om 11u worden we meegenomen naar de Quinta. Geen idee waar we naartoe gaan en wat we daar zullen doen. Het blijkt de praktijkboerderij/plantenkwekerij van de school te zijn. Die is gelegen op een grote drie kilometer van de schoolgebouwen. Via een bijzonder ongemakkelijk hobbelig aarden pad is het meer dan twintig minuten rijden met een stevige pick-up. De leerlingen moeten dit dagelijks wandelen, bedenken we ons, fietsen zijn hier niet in de mode. Het inkombord kondigt de Quinta aan. Een grote oprijlaan met aan elke zijde talrijke tropische bomen geeft het geheel een statig elan. In de verte zien we een heel klein gebouwtje en een dertigtal leerlingen met gele laarzen wachten ons op. Benieuwd!

De verantwoordelijke leerkracht Eker geeft een algemene uitleg wie we zijn en wat we komen doen, Tim vult hem aan daar nodig. We worden snel meegenomen in het leslokaal van de praktijkstudenten. Het lijkt een kleine schuur met golfplaten, een klein muurtje eromheen en een aantal tafels en stoelen als interieur. We worden meteen naar het bord geroepen. De leerkrachtenrol gaat Tim duidelijk goed af, maar ik sta hem bij daar waar we even niet op de Spaanse woordenschat komen. We informeren de leerlingen al snel dat wij geen leerkrachten zijn, noch biologen, noch plantendeskundigen. We schakelen over naar zaken die we meer beheersen: eigenschappen van België. Hoe ons land eruit ziet, welke talen we spreken, hoeveel inwoners… We krijgen de leerlingen op sleeptouw. Ze vullen ons aan met vragen over van alles en nog wat: Hoe is het leven in België? Hoe worden de feestdagen gevierd? Wat eten we in België? Hoe gaan de leerlingen naar school? Hoe zit een schooldag in België in elkaar? De verschillen worden snel duidelijk, maar we merken een ongelofelijk grote interesse van de leerlingen om kennis te maken met het leven en de school in België, een onbekend land aan de andere kant van de wereld. Het is een chaotische bedoening, maar wanneer nodig heeft Eker zijn groep leerlingen opnieuw in de hand.

Naar de praktijk. We voelen ons meteen als twee deskundigen in een plantenparadijs. We worden meegenomen op het schoolterrein van zeven hectares vol met nieuw aangeplante bossen, visvijvers, cacaoplantages, bananenvelden, en vooral honderden plantensoorten en gewassen die ons volledig onbekend zijn. Gedurende vier uur (jawel, vier uur non-stop) worden we rondgeleid, ik als de fotografe en Tim als flinke berichtgever van alle info. We proberen zoveel mogelijk informatie op te slaan en te verzamelen om die dan een weekje later door te geven aan het LTI. Opvallend was dat niet alleen de betreffende leerkracht Eker zo honderduit en bijzonder gedetailleerd vertelde over alle planten en bloemen, ook de leerlingen spreken enthousiast en vol kennis (soms bijgestaan door Eker) over hun planten. Als plantkundigen in spe zijn ze tijdens hun driejarige opleiding verantwoordelijk, twee aan twee, om de planten te verzorgen, te kweken, te snoeien …

Uitgeput door alle ontmoetingen, informatie, rondleidingen… worden we om 16u afgezet aan een klein restaurant waar een lunch op ons wacht. Blij om even in het Nederlands op adem te komen. De rest van de dag besteden we aan het neerpennen van alle gegeven informatie en het selecteren uit de honderden genomen foto’s. De centrale keukentafel bij Aura wordt ons tijdelijk bureau. Aura en haar familieleden raken er maar niet aan uit dat wij uren aan een stuk achter onze computer geconcentreerd zitten te werken. Het blijkt een compleet andere manier van doen te zijn. We moeten onze geest opnieuw scherp zien te krijgen, want morgen wacht ons opnieuw een rondleiding.

Ditmaal geen rondleiding op de schoolterreinen maar op het terrein van het bedrijf waar Eker werkt naast de schooluren. De biologie- en plantendeskundige Eker houdt ervan om zelf actief te blijven in de privé-markt. Hij vindt het belangrijk om op de hoogte te blijven van de laatste technologieën. Daar heeft hij de vrijheid om nieuwe testen uit te voeren met verschillende plantensoorten, andere oriëntatie in te zetten, nieuwe combinatie van planten te proberen etc. Deze nieuwe kennis brengt hij over aan de leerlingen tijdens de theorie- en praktijklessen. Deze kennis zorgt ervoor dat de leerlingen een blijvend en diep respect hebben voor Eker. Hij is geen leerkracht die blijft hangen bij de technologieën van twintig jaar geleden, hij is up to date en geeft deze kennis en passie door aan zijn leerlingen. Wij zijn oprecht onder de indruk van de inspanningen die Eker tijdens en naast de schooluren opbrengt in functie van zijn leerlingen.

Dit uitwisselingsproject met het LTI in België vormt dan ook de perfecte manier om zijn kennis, die van de andere leerkrachten en die van de leerlingen uit te breiden. Hij en alle leerkrachten zijn dan ook bijzonder enthousiast om deze unieke mogelijkheid verder uit te werken. Dit uitwisselingsproject biedt niet enkel een grote kans om kennis te maken met technieken in België, en bij uitbreiding Europa, maar ook met alle andere landbouwsoorten, gewassen… en vooral de levenswijze aan de andere kant van de wereld. We kunnen natuurlijk alleen maar hopen dat de leerlingen en leerkrachten in België even enthousiast zijn over deze uitwisseling in alle mogelijke manier en vormen.

De thermale baden specialisten !!

We mogen het toch wel gezegd hebben, na meer dan vijftien verschillende baden in Peru, Bolivië, Equador en het noorden van Chili (we zijn nog niet verder geraakt), weten we hoe een thermaal bad eruit moet zien. Liefst een groot gezamenlijk zwembad, altijd leuk om nog een beetje sport te doen. Nadien bekomen in een natuurlijk stoombad geënsceneerd in een uitgehouwen grot en tot slot ons zweet afspoelen in een persoonlijke hete pozo (of groot bad).

We moeten eerlijk zijn dat het jammer genoeg niet altijd zo is. Laat staan dat deze baden aan de hygiëne-normen voldoen. Vaak durven we amper leunen tegen de muren, zitten op de bank noch met onze blote voeten rondlopen. Van één ding zijn we wel altijd zeker: dat er in de baden stromend water loopt. “Dus dat zou toch min of meer proper moeten zijn??” denken we. We hebben al vaak genoeg vastgesteld dat we toevallig, iedere keer na een bezoek aan een thermaal bad, toch net iets meer naar het toilet moeten lopen, rennen, crossen, om er toch maar op tijd te raken.

We blijven volharden om jullie ook te voorzien van beeldjes van uit alle thermale baden van in het zuiden zuiden van Amerika.

De (architectuur)werkzoektocht van de twee (bijna verloren gelopen) reizigers

Velen onder jullie denken waarschijnlijk af en toe wel eens … “wat stellen die twee het daar goed, ze blijven maar op reis, ze blijven daar maar hangen aan de andere kant van de wereld, die wereld van de Inca’s en die immense hoogvlaktes, die wereld moet wel heel erg verleidelijk zijn om iemand daar zo lang te houden”.

Jawel, we zijn al meer dan een jaar onderweg. Ook voor ons is dat een heel erg lange tijd. Willen we hier nog lang blijven? Dat is een goeie vraag en daar weten we het antwoord nog niet op. Wat we wel weten, is dat we ooit eens willen terugkeren naar België. Dus niet gevreesd voor al diegenen die ons liefhebben, ooit komen we terug. Maar voordat we terugkeren, willen we toch iets gedaan hebben hier. Het reizen is tof – dat zullen we niet ontkennen – en we genieten (niet elke minuut van de dag, want dat zou een beetje te veel zijn), maar er zijn ook momenten waarop we ons afvragen wat we hier nu eigenlijk doen. Het is interessant en boeiend om hier rond te lopen en met de plaatselijke bevolking te spreken, om het andere eten te ontdekken, andere emoties te ervaren, maar soms willen we iets meer dan dat… En wat is dan dat meer? Opnieuw een goeie vraag die we onszelf niet dagelijks, maar toch heel veel stellen. Wat willen we? Waar (letterlijk en figuurlijk) willen we naartoe?

Eén ding dat we alvast weten is dat we alvorens terug te keren naar huis, hier een werkervaring willen opdoen. Onze architectuurcarrière kent dan nog wel geen lange geschiedenis (Tim was twee jaar assistent aan de universiteit en volbracht twee jaar architectuurstage; voor mij geldt een erfgoedwereldervaring en de tweejarige architectuurstage), toch willen we onze werk gerelateerde kennis op alle mogelijke manieren uitbreiden, naast al de rest natuurlijk. Hoe beter ervaring opdoen dan hier echt de handen uit de mouwen steken?

Awala-Yalimapo, Frans Guyana

We komen er al een eerste keer (eerlijkheid verplicht ons te zeggen dat dit al in maart 2015 was) mee in aanraking in Frans Guyana. Veel te vroeg naar ons aanvoelen. We waren nog maar net vertrokken, zo’n 4 maanden… Noodgedwongen (omdat alles veeeeel veel te duur is in Frans-Guyana) hebben we toen gelift. Ja ja … toen was het nog zonder de auto en dus een heel andere reismethode. We kunnen het ons bijna niet meer inbeelden. In de Franse ‘kolonie’ (sorry departement…) zijn we slechts één week op bezoek, het was een snelle doorkruising van het land met slechts enkele bezoeken. Eén van onze eerste ontmoetingen was met een wel zeer sympathieke dame, Nadia, die ons niet alleen meenam in de goeie richting, maar ons werkelijk na een grote detour afgezette op de plek waar we moesten zijn. Tijdens de rit babbelde ze honderduit over haar leven, familie, de gecompliceerde relatie met de Métropole (het deel Frankrijk in Europa, soms vergeten we toch allemaal collectief dat Frankrijk nog steeds een koloniale grootmacht is…) en over de regio. Om Nadia te bedanken hebben we haar toen meegenomen op café, hoe kan het ook anders met twee caféliefhebbers als ons zelve. Aan het strand, in een boerengat, werkelijk drie huizen en een paardenkop, vinden we een gezellig nieuw uitgebaat baartje.

De uitbater Hervé, een vlotte sympathieke verkoper, komt een babbeltje slaan. We voelen aan onze kleine teen dat hij graag wat langer met ons wil babbelen. Hij had blijkbaar opgevangen dat we architecten zijn. Hij nodigt ons uit om bij hem te komen eten die avond. De volgende avond zien wij ons dus genoodzaakt om op zijn sympathieke uitnodiging in te gaan en samen met de familie te eten. We komen terecht in een typisch lokaal Guarani gezin.

Hoe wordt een ‘indianen’-gezin hier tot stand gebracht? Een man op vrijersvoeten in zijn twintigerjaren zoekt een jonge inheemse vrouw, vaak een heel stuk jonger. Wanneer hij zijn keuze maakt en haar huwt, is het de traditie dat de man bij de schoonfamilie gaat wonen. In het geval van Hervé, 40 à 45 jaar, is hij vijftien jaar ouder dan zijn vrouw, 28 à 30 jaar, met andere woorden onze leeftijd. Zij hebben al drie kinderen van respectievelijk 10 jaar (een tweeling) en 5 jaar oud.

We starten zoals het hoort met een apéritief, maken grondiger kennis met elkaar want de dag ervoor hadden we slechts kort gebabbeld. Het gebeuren is heel joviaal en sympathiek, maar na een halfuur komt de aap uit te spreekwoordelijke mouw (in Amazoneregio’s weet je nooit…). Hij heeft een stuk bouwgrond, braakliggend, waar hij graag een nieuw hostal wenst op te richten. De regio en meer bepaald het dorp Awala-Yalimapo waar we nu dineren (het noordwestelijke strand van Frans Guyana) staat bekend om de schildpadden die jaarlijks hun eieren op het strand komen leggen. Geen gewone schildpadden, maar beesten die minimum anderhalve meter groot zijn (in één van onze eerste blogs kan je daar de ervaringen over lezen). In de maanden maart en april komen er horden toeristen de stranden onveilig maken tijdens de nachtelijke uren om deze wonderbaarlijke beesten te spotten. De aanwezige toeristen die wij getroffen hebben in dit dorp, zijn dus hoofdzakelijk natuurspotters. Als we dit even veralgemenen, zouden we kunnen stellen dat alle bezoekers van deze regio (en bij uitbreiding Suriname en Guyana) alleen de natuur komen bewonderen, gezien de stedencultuur minimaal zijn. Dit in gedachten, luisteren we naar het idee van Hervé voor zijn hostal.

Hervé wil een unieke plek creëren (“wie ook niet?”). Hij wil zich graag onderscheiden van de andere al aanwezige hostals (in deze regio zijn er al talloze hotels en B&B’s) door ‘De Architectuur’ van zijn project. Hij zou de architectuur van de traditionele hutten op een hoger niveau willen tillen door een moderne herinterpretatie van deze hutten. Deze hutten, in het Frans Carbets, zijn de typische traditionele woningen van de regio, gebouwd volgens een wel heel typische structuur. Onderaan een open structuur die gedeeltelijk dichtgemaakt kan worden, met daarop een palmendak bestaande uit kepers en ‘pannenlatten’, met daaraan gebonden palmbladeren.

Het is duidelijk dat hij geëngageerde architecten zoekt om zijn project vorm te geven. Wij voelen ons meteen verleid en laten er geen gras over groeien. De volgende ochtend om 7u gaan we mee op sitebezoek. Het blijkt een smal langwerpig terrein te zijn (20m x 70m), gelegen tussen de hoofdweg en een rivier achteraan, in het midden ligt een lichte heuvel en aan de lange zijden zijn er hoge boompartijen aanwezig. We begrijpen het enthousiasme van Hervé over zijn terrein, maar er rijzen meteen enkele problemen voor ons. Ten eerste en meteen ook de belangrijkste reden, ligt het terrein bijzonder ver van het strand. De bezoekers, vaak backpackers, zouden een auto moeten huren of een taxi bestellen om midden in de nacht naar het strand te rijden. Het is onmogelijk om er te voet of met de fiets te raken. En dit is toch een van de belangrijkste redenen om hier te komen? Bovendien ligt het terrein nog op een behoorlijke afstand van het dorpje. Dus ook daar is er geen connectie mogelijk. Ten tweede stikt het van de kleine vliegjes op zijn terrein, blijkbaar zijn ze er al altijd dankzij het naburig kreekje. Als bezoekers willen genieten van de rust en de aangename natuur/architectuur, hoe kunnen ze dit doen als ze worden opgegeten door miljoenen vliegjes?

Diezelfde ochtend moeten we snel afscheid nemen, want er staan andere afspraken op Hervé zijn agenda. We denken er nog veeele dagen over na. We staan stil bij het basisconcept van het project, bij zijn terrein, bij de persoon Hervé, we denken na over de locatie, de timing etc. Op het moment van ons bezoeken is het maart en Hervé had al graag begonnen met de eerste steen in augustus. Dat zou een hele verandering zijn van onze reis. Maar de belangrijkste vraag was: zagen we het zitten om enkele maanden door te brengen in Frans Guyana? Kuststrook plus jungle, gemixt met een vreemd onderhuids etnisch conflict. Departement of neo-kolonie die met handen en voeten aan ons buurland geboden is. Na er een paar weken uitgebreid over nagedacht te hebben op de boot in de Amazone, beslisten we toch om alleen digitale tips te geven en vriendelijk te bedanken voor de opdracht.

 

Nueva Union, Noord-Peru               

Enkele maanden is het schijnbaar werkstil tijdens onze reis. We zoeken immers wel verder, maar deze keer op digitale wijze en stellen ons wat weigerachtiger op t.o.v. spontaan opduikende kandidaat bouwheren. Via bouwcontacten in België (dankjewel Frank Van Huffel, Bruno Deraedt en Yvo Beysen) komen we via via in contact met een jonge architect, Pedro Cordova, in Peru, meer bepaald in Tarapoto, een stadje aan de rand van de noordelijke jungle. Hij is zeer enthousiast en wil zeer graag met ons samenwerken.

Het contact gaat een beetje op Peruaans tempo. We mailen verschillende malen op en af, bellen ook enkele malen, maar het is niet gemakkelijk om te communiceren, zowel van onze kant als van zijn kant. Ons Spaans is dan ook nog niet perfect. Het taalprobleem via geschreven tekst of aan de telefoon is toch nog steeds merkbaar. We beslissen dan maar om onze route door Peru zo aan te passen dat we op het eind passeren in Tarapoto om face to face te kunnen bespreken wat mogelijk is en wat niet, welke projecten er op de tafel liggen, hoe er over architectuur gedacht wordt, wie de medewerkers zijn, wie de bouwheren zijn van de projecten …

Zo gezegd, zo gedaan. We spreken af en we worden eind juli met open armen ontvangen. We worden vijf dagen hartelijk ontvangen en opgenomen in de familie Cordova. Het blijkt één grote familie (mama, papa, vier zussen met hun man en kinderen) te zijn in één grote woning waar alles gecombineerd wordt. Op de beneden verdieping is er respectievelijk een klein bureautje voor de zaken van de ouders, de ingang van het leefhuis van de ouders en de ingang naar het eerste verdiep met het architectenbureau en de andere verdiepingen voor de appartementen van de zussen.

In ons vijfdaags verblijf worden we geconfronteerd met alle aspecten van het Peruaanse leven, zowel het thuisleven dat we van heel dicht meemaken, als het werk gerelateerde leven. We worden namelijk gehuisvest bij zijn ouders. Tim en ik zijn jammer genoeg beiden geveld door één of ander virus in ons darmstelsel en moeten noodgedwongen de helft van de dagen doorbrengen in bed. Gelukkig leent één van de zussen van Pedro ons haar kamer en kunnen we op ons gemak uitzieken. Wel op ons gemak … met op de achtergrond de eeuwig luidspelende televisie (24 uur op een dag, 7 op 7). Met de meest onnozele spelprogramma’s, Turkse tele-novelles en nieuwsshows die je je maar kunt inbeelden. Met alle spelende kleintjes van de zussen (minimum vijf) samen met al hun vriendjes natuurlijk die graag heel het huis op stelten zetten. De buren die langskomen en alle mensen die ons graag willen verwelkomen en ga zo maar door.

Naast het sociale leven komt natuurlijk ook de professionele kant van het verhaal. We hebben het geluk gehad om één van de vele projecten, waar onze architect Pedro aan gelinkt is, van de organisatie Los Gorriones VZW te bezoeken. De organisatie is opgericht in 2002 door Yvo Beysen, zijn vrouw Marita en vele andere enthousiastelingen. De VZW heeft in zijn dertienjarig bestaan talloze projecten opgezet en tot een goed einde gebracht. Het is een organisatie die zich inzet om de levensomstandigheden van de kinderen in Peru te verbeteren en dat op verschillende niveaus. Er wordt niet alleen gedacht aan nieuwe speeltui(g/n)en, maar er wordt ook gewerkt aan ondersteunende workshops om thuissituaties te verbeteren, de schoolprestaties op te krikken, samenlevingsprojecten op te zetten en aandacht te hebben voor de gezondheidstoestand. Dankzij de hulp van vele individuen (peters en meters), privé-initiatieven, gemeenschappen, steden, provincies,… wordt een platform gecreëerd die een continue input beoogt, zowel op kleine als op grote schaal. (voor meer informatie over de organisatie zelf, alsook hoe zelf een steentje bij te dragen, zie www.losgorriones.be)

Het project dat wij bezocht hebben bevindt zich in een klein dorpje, Nueva Union, op anderhalf uur rijden van Tarapoto. In de afgelopen jaren zijn er reeds verschillende projecten door Los Gorriones opgezet in Nueva Union (een bed voor elk kind, een speeltuin …). Dit project is een opvolging van de vorige projecten die allemaal uit hun voegen barsten. Zo hebben er bijvoorbeeld vandaag de dag al meer dan 70 kinderen een Belgische meter of peter. Het begon ooit in de living van één van de ouders, maar de living begon te klein te worden en er was dus nood aan een grotere gemeenschappelijke ruimte. Er wordt gezocht naar een oplossing. Een lap grond aan het centrale plein blijkt de ideale locatie, deze plek zal dienst doen als een multifunctioneel gebouw. Het gebouw zal een grote gemeenschappelijke ruimte op de gelijkvloers bezitten, een keuken, een berging en een ontvangstruimte (dokter, verpleegkundige etc.). De mezzanine erboven zal dienst doen als bibliotheek en computerruimte. Achteraan ligt de sanitaire unit aan een kleine open ruimte. Een droom die werkelijkheid wordt voor velen van de organisatie en de inwoners van het dorp.

Op het moment dat wij de bouw bezochten met Pedro (juli 2015) was de ruwbouw net afgewerkt. Op anderhalf jaar tijd is er stevig doorgewerkt. Zowel aan de Belgische zijde om de zaak te financieren, als aan de Peruaanse zijde om de plannen in werkelijkheid om te zetten. Eenmaal aangekomen op de werf worden we direct vergezeld door de plaatselijke verantwoordelijken die het project duidelijk met hart en ziel ondersteunen. Pedro toont met trots het project, de rondleiding gaat doorheen heel het gebouw zoals het hoort en wij blijven wat langer stilstaan bij de bouwdetails, hoe kan het dan ook anders met twee pietjes preciezen.

Wij zijn onder de indruk omtrent hetgeen we te zien krijgen, niet alleen door het project op zich en alle initiatieven die dit tot stand werden gebracht, maar ook door de verre staat van het project. In het begin zag het ernaar uit dat wij onze handen uit de mouwen konden steken om dit project verder te finaliseren. Het leek ons een goed idee dat er Belgen ter plekke waren om dit te vervolledigen, maar we zijn blijkbaar net te laat gearriveerd. Alleen de afwerking van het gebouw ontbreekt nog: zonnepanelen, timmermanswerk, pleisteren en schilderen. Wij hadden het gevoel dat onze bijdrage geen extra meerwaarde zou leveren, vandaar dat het voor ons dan ook logisch leek om ons terug te trekken en de eer te laten aan alle plaatselijke medewerkers.

Dit was één van de Pedro’s projecten waar we op voorhand dachten aan mee te werken. Een andere mogelijkheid was een pilootproject met bamboe. Maar voor dit project waren er voor ons nog te veel factoren die niet bepaald waren (en de Peruaanse timing kennende, zou dat ook nog niet voor de volgende jaren zijn…). Enkele behoorlijk belangrijke onbepaaldheden: waar precies zou worden gebouwd, wie de bouwheer zou zijn, welke functie het gebouw zou hebben, waar het geld vandaan zou moeten komen, welke bamboespecialist ons iets zou kunnen bijleren en vooral… waarom bamboe als materiaal zou gebruikt worden in een regio waar dat nooit gebruikt werd of wordt. Dit allemaal samen zorgde ervoor dat we beseften dat dit een onhaalbaar project was. We hadden gehoopt dat er nog verschillende andere projecten waren, maar Pedro is net als wijzelf een beginnende jonge architect (26 jaar), heeft een aantal projecten lopende, maar weinig projecten die nog extra handen kunnen gebruiken.

Naast de zoektocht naar mogelijke projecten, hebben we natuurlijk ook gepraat over alle thema’s die in aanraking komen met architectuur: hoe er over architectuur wordt gedacht in Peru en meer bepaald door Pedro en zijn collega’s, welke materialen er worden gebruikt (alleen ‘moderne’ materialen zoals beton en gekleurd glas, want oude materialen zoals adobe en pannendaken worden door de nieuwe rijken aanzien als materialen van de armen), hoe praktisch een dag eruit ziet van een architect (er wordt gewerkt van 8u ’s morgens tot 8u ’s avonds, dat zijn inderdaad lange dagen, maar meer dan de helft van de dag wordt er niets gedaan in onze ogen: een half uur weg voor één potje lijm, oeps, iets vergeten, aah oeps eten, aah oeps, een vriend belt, het zal voor morgen zijn… We blijven dan ook de efficiënte Belgen die als ze werken, willen werken) … Het werd dan ook langzaam duidelijk van twee kanten dan we niet op dezelfde golflengte zitten en dat samen werken geen evidentie is, zeker niet als we in gedachten houden dat we van twee verschillende continenten komen. We hebben van beide kanten ontzettende veel bijgeleerd, we hebben gepraat over verschillende projecten, we zijn samen naar enkele werven geweest en we hebben de gezelligste restaurantje van de stad verkend.

 

 

Vilcabamba, Zuid-Ecuador

Een bijzondere ervaring rijker, vervolgen we onze route verder naar het Noorden, naar Ecuador. Na een intense periode van drie maanden reizen (eerst Rik en Nick op bezoek, nadien alle problemen met de auto en tot slot het intense bezoek aan Tarapoto), hadden we nood aan een rustpunt. Eventjes wat langer zijn op eenzelfde plek, daar hadden we ons gedacht op gezet. We beslissen om terzelfdertijd vrijwilligerswerk te doen. Werken voor kost en inwonen, leek ons een goed principe. Gelukkig zijn we niet de enige die hier zo over denken, er zijn behoorlijk veel gelijk denkenden en dus vele internetsites. Wij kozen Workaway. Het heeft een simpel principe: je werkt vijf dagen per week, gemiddeld vijf uur per dag en je krijgt eten en een aangename plek om te slapen.

Hoe de zoektocht te beginnen op deze site vol info? Mijn kleine linkerteen leidde me in de richting van het zuiden van Ecuador en meer bepaald in Vilcabamba, een klein Gringodorpje met een groot aanbod aan werk. We schreven drie verschillende plekken aan en uiteindelijk viel onze keuze op een Belgisch-Brits koppel, Marleen en Chris. Hoe of wat het precies zou zijn of worden, daar hadden we nog totaal geen idee van. De meeste beschrijvingen op de site zijn eerder vaag. Eenmaal aangekomen, worden we hartelijk ontvangen en gaan we samen iets eten om elkaar wat beter te leren kennen. Een paar glazen verder, ziet het er naar uit dat we goed zullen overeen komen. De volgende dag worden we meteen meegenomen naar hun terrein en krijgen we een grote hoop info over hun plannen en ideeën. Hun terrein ligt op een tweetal kilometer van het centrumpje. Een dertigtal meter hoger dan de hoofdbaan gelegen en één hectare groot. In het afgelopen jaar hebben ze reeds het woonhuis opnieuw opgebouwd en sfeervolle een groeten- en fruittuin aangelegd. Het hogere doel van het project is om een Spaans schooltje op te richten voor toeristen (Marleen is licentiate Spaanse) samen met een slaapgelegenheid en een restaurant (Chris is chef-kok).

Probleem: hun terrein ligt dertig meter hoger dan de weg en door de nieuwe hoofdbaanaanleg is, tijdens het laatste regenseizoen een deel van hun terrein weggespoeld. Op dit deel van hun terrein lag de toegangsweg. Er is veel ontwerpwerk aan het project en wij voelen het kriebelen om onze architectuur skills nog eens te gebruiken, maar dus eerst die terreinverzakking… We nestelen we ons in de rol van landmeters en wegenbouwers. We maken terreinprofielen op, rekenen uit hoeveel de weg maximaal mag stijgen en uiteindelijk zetten we de weg uit op het terrein. Een klein werkje van meer dan een week.

De bulldozers laten nog even op zich wachten door juridische discussies, maar wij laten ons niet tegenhouden en we zetten ons aan de tekentafel om de ideeën van Chris en Marleen uit te testen. Het is net zoals vroeger, met potlood en papier want de digitale architectuurwereld hebben we achter gelaten in België. Het is een heen en weer beweging van testen, overleggen, opnieuw tekenen, houtproducenten en adobemakers bezoeken, naar de site gaan en kijken wat er mogelijk is, hertekenen … tot wanneer we na drie weken moeten ophouden en de laatste plannen afwerken. (voor diegenen die geïnteresseerd zijn, enkele plannen: PLAN 2PLAN 4PLAN 9PLAN 10PLAN6 ) De reisweg wacht opnieuw op ons en Melqui staat te kwispelen. (een kleine update, vier maanden later: hoorden we dat de weg reeds is aangelegd en dat de eerste bouwwerken zullen starten)

Maar hoe was het leven zelf in Vilcabamba, naast de uren van werk? Het is een bijzondere en tegelijk een heel bizarre wereld in Vilcabamba. Het is een wereld waar iedere langdurige Ecuadorbezoeker wel eens passeert en waar meer dan de helft zijn hart verliest. Het is een kleine dorpje in het midden van een vallei met een wel zeer merkwaardig klimaat. Het is een microklimaat met altijd mooi, zonnig en warm weer. Eén vallei verder, misschien twee kilometer verder, regent het altijd en hangt er altijd mist.

Toen we aan de Peruviaanse/Ecuadoraanse grens kwamen, zagen we al hoe wispelturig de valleien van Ecuador kunnen zijn. De dag van de grensovergang startte met grijs regenachtig weer, en tijdens onze vele uren van wachten (sommige grensovergangen gaan nu eenmaal niet zo snel, zeker niet als er geen internetverbinding is en amper telefoonconnectie) veranderde het weer volledig, we reden Ecuador binnen badend in de equinoxzon en nauwelijks een uur later passeerden we de ene grondverzakking na de andere in de dikke mist.

Even een situatieschets van deze merkwaardige grensovergang in de verste uithoek van het land. Er is slechts één douanekerel die alle binnenrijdende auto’s moet registreren, een man in legeroutfit, goed gezet en met autoriteit. Hij checkt onze auto met een half oog, slaat een vriendelijk babbeltje met ons alvorens hij aan het paperassenwerk begint. Hij moet ten eerste wachten tot na de middag om te kunnen bellen omdat de windrichting niet goed zit, en als hij dan al kan bellen, moet hij tot drie keer toe al onze gegevens door de telefoon schreeuwen, want zo hoor je het beter aan de andere kant é ;-). Zowel Tim als ikzelf moeten tot bloedens toe op onze lip bijten om niet spontaan in de slappe lach te schieten. We horen hem roepen dat al onze papieren tip top in orde zijn (hij heeft ze niet eens opengeslagen), we zien hem verschillende zaken opschrijven, hij loopt vijf huizen verder om een papier af te drukken (hij heeft geen eigen printer) om uiteindelijk tot bij ons te komen met het juiste papier. Meer dan zes uur later kunnen we eindelijk Ecuador binnen rijden.

 

De rare kwibussen van Vilcabamba. Iedereen die zich hier nestelt, zelfs als is het maar voor korte tijd, moet ofwel een samenzweringstheorie hebben, er vast van overtuigd zijn dat de wereld op een welbepaalde datum zal vergaan of een verjaarde hippie zijn. Een andere definitie van de blanke bevolking die één van de nieuw aangekomen bewoners ons gaf, is dat een groot deel economische vluchtelingen zijn: mensen die op zoek zijn naar een goed klimaat en die hun pensioen goed willen inzetten in de niet al te dure wereld van de Ecuadoraanse-Amerikaanse dollar. Ik moet toegeven dat het toch nog altijd vreemd is om de US-munteenheid in een Spaanssprekend land te gebruiken. Al vijftien jaar zorgt deze munteenheid voor een zekere stabiliteit die het land zeker kan gebruiken, misschien wel één van de meest stabiele landen van Zuid-Amerika.

Het centrale plein (in Ecuador noemt men dit het Parque Central, in Peru noemt dit telkens het Plaza de Armas) is het verzamelpunt van iedereen. Alles gebeurt op of rond het plein, iedereen lijkt elkaar te kennen, toch zeker alle mensen van de gringo-wereld en alle Ecuadorianen. Want als je beter kijkt, zie je een hele duidelijke tweesplitsing tussen de witte geïmmigreerde bevolking en de plaatselijke inheemse bevolking. Een overzicht wat en wie je allemaal kan treffen op dit centrale plein:

  • De Argentijnse artesano’s die in grote getalen aanwezig zijn en die zoals altijd allemaal hetzelfde verkopen: macramé-achtige bandjes, zelfgeplooide metalen oorbellen waar één of andere geneeskrachtige steen in wordt verwerkt. Of als ze al wat origineler zijn, dan maken ze koekjes of chocoladepralines (die om eerlijk te zijn, niet te vreten zijn).
  • Alle “lokale” verkoop mensen met andere woorden residentiele gringo’s. Bijvoorbeeld een Nederlands sprekende Duitser die zelfgemaakt brood verkoopt (aan 2,5 dollar, jawel het zijn Europese prijzen); Franco Organico, die zoals zijn naam al verraadt organische producten verkoopt zoals zelfgemaakte pindaboter; de Franse bakker met de heerlijkste croissants die we het in het afgelopen jaar gegeten hebben …
  • Alle Europese/Amerikaanse getinte restaurantjes die Italiaanse, Japanse, Franse … keuken serveren. We moeten toegeven een heel aangename afwisseling na de rijst met kip of kip met rijst in Peru
  • Op die terrassen komen alle mogelijke theorieën samen, gaande dat de wereld zou vergaan ergens in september als gevolg van een ongelofelijke vloedgolf, door de mens gecreëerd (is blijkbaar niet gebeurd ;-)), tot kerels die beweren dat de Eluminati ALLES onder controle hebben of allerlei alternatieve geneeswijzen die de wereld zou verlossen van alle kwaad.
  • Talloze winkeltjes die alleen maar fluffy toeristische brol verkopen, zoals de immer terugkerende pyjama-streepjes broek, wollen mutsen met altijd hetzelfde model, wierookstokjes en pluchen lama-beesten …
  • Domme Amerikaanse viswijven die een hele middag zagen over hoe zwaar hun leven wel niet is, terwijl hun kuisvrouw het huis op orde legt. Hoe ze moeten leven met hun mannen en hun opstandige puberende dochters. Hoe moeilijk het Spaans toch nog wel steeds is (zelfs als wonen ze hier al meer dan tien jaar, nog steeds kunnen ze niet meer dan ‘Hola’ zeggen) …
  • De muziek die eindelijk eens iets anders is dan het getsjingel getsjangel van Peru met de vals zingende dametjes. Eindelijk is Bob Dylan opnieuw te horen. Zijn lokale optredentjes met aanwezige rockgitaar mogelijk (opnieuw komen bijna alleen de buitenlanders hiernaartoe).
  • Zoals aan elk centraal plein staat er een ‘grote’ kathedraal. Deze wordt wekelijks gebruikt door de inheemse bevolking. Dit is quasi het enige moment dat de inheemse bevolking wordt gemengd met de ‘immigrantegroep’ die het dorp bijna overneemt. Wanneer de Argentijnse artesano’s hun circuskunstjes tentoon spreiden voor de kerkdeuren staat jong en oud van elke nationaliteit naast elkaar. Ze worden plotseling overrompeld door iedereen die na het aflopen van de mis naar buiten komt.
  • De Hare Krishna beweging heeft ook hier een gemeenschap opgericht.
  • Naast al deze stereotype groepen en gemeenschappen zijn er ook een hele reeks verschillende individuen die hun plek proberen te zoeken: personen die kritisch willen zijn ten opzicht van de vele samenzweringstheorieën, maar die tegelijk geen beter alternatief kunnen geven, graatmagere zestigjarige vrouwen die hun nog tieners wanen, de nuchtere zakenman zoals de pizzaman Shanta …

 

We hebben slechts twee uitzonderingen getroffen die pogen verbindingspersoon te vormen tussen alle aanwezigen in het dorp, die proberen zich tussen iedereen in te bewegen: een Peruaanse vrouw die haar zaakje probeert op te richten zoals ze het in Peru zou doen (en niet iets maakt wat de toeristen willen) en een Chileense vrouw die al twintig jaar haar Italiaans-Ecuadoraans zaakje heeft en die probeert iedereen te ontvangen en met iedereen een goede band te hebben. Wij voelden ons, als langdurige nuchtere reizigers zonder samenzweringtheorieën, niet eens zo vreemd hier ;-).

 

Het fabelachtige noorden van Peru, daar waar de toeristen nog niet geraakt zijn!

Na alle avonturen in het Zuiden van Peru, het deel(tje) dat iedereen kent van Peru of men er nu geweest bent of niet: iedereen heeft een beeld hoe Machu Picchu eruit ziet, hoe de Inca’s van Cusco de hoofdstad maakten van hun immense rijk of hoe intens blauw het Titicacameer is met de collectie grazende lama’s ernaast.

Maar (bijna) niemand hoorde van steden zoals Cajamarca, Chachapoyas of de Cordillera Blanca met Huaraz als hoofdstad. Zo goed als geen enkele toerist kent de wondere wereld van de ronde huisjes van het fort Kuelap en ga zo maar door. Laat dit een toeristische warmmaker zijn voor iedereen die meer wil ontdekken van de ongekende hoekjes van Peru. Laat dit misschien een reden zijn om ooit eens een reis naar Peru te wagen zonder het toeristische zuiden in te plannen?!

Onze route door Peru neemt rare en vooral onlogische vormen aan. Even een algemeen overzicht zodat iedereen nog een klein beetje weet waar we ons nu eigenlijk bevinden. Zoals jullie al vermoeden zitten we een beetje achter met onze blog. Reizen is een razend drukke bezigheid: voorbereiden, veranderen van plannen, plaatselijke mensen ontmoeten (zij willen graag weten waar je vandaan komt, wat je vindt van hun land, stad etc.), andere reizigers ontmoeten, hun reistips aanhoren en andere geven, nog eens van plannen veranderen, proberen wat geschiedenisboeken te lezen van Zuid-Amerika (voor diegenen die het interesseert: “Open Veins of Latin America” van Eduardo Galeano en “The Pinguin history of Latin America” van Edwin Wiliamson), romans lezen, internet vinden, rijden (ja dat hoort er ook bij), foto’s trekken, vooral veel foto’s wissen, weer van plannen wijzigen, bezoeken brengen aan mechaniekers, vrienden op bezoek hebben, weer veranderen van plannen

Begin mei startten we onze autotour in het zuiden van Peru aan de Grens met Bolivië. We verbleven ongeveer anderhalve maand in het zuiden, waarvan drie weken met de ouders van Tim. Vervolgens zaten we even vast rond Lima: dat lezen jullie in het vervolg van de pageturner. Pas daarna reden we door naar het Noorden, met een uitstap naar de selva of de jungle. Na drie maanden of 90 dagen Peru was ons toeristenvisum verlopen en dan wil je echt wel uit het land zijn. Als persoon betaal je eenvoudigweg een boete voor het aantal dagen dat je langer in het land blijft, maar de auto die nemen ze in beslag. We zijn nu nogal gehecht aan ons beestje, dus we maakten ons snel uit de voeten. Augustus en september hebben we twee fantastische maanden beleefd in Equador (maar die verhalen volgen nog). Begin oktober gingen we opnieuw de grens over naar Peru. Ditmaal gaan we er wat sneller door en houden we alleen halt in de bergen van de Cordillera Blanca en in Lima (bij onze favoriete garagist, voor een klein onderhoud dat meestal een groot wordt).

 

Piura – Lima

De kust van Peru zal nooit geroemd worden omwille van zijn schoonheid. Met zijn oneindige woestijnen van grauw grijs zand, ongezellige lineaire baraknederzettingen en hopen stinkend en rottend afval is het geen plezier om door te rijden. Maar soms, liggen de geheimen onder de oppervlakte. Zo tonen de ontelbare verschillende ruïnes een amalgaan van de grootse culturen, die hier, vóór de Inca’s, hun imperium uitbouwden. De ene ruïne is nog spectaculairder dan de andere en de opgravingen blijven doorgaan. Soms aan een hoog tempo, soms aan een lage conjunctuur. Want alles blijft afhankelijk van Europese en Noord-Amerikaanse archeologenteams, gelinkt aan onze universiteiten. In Peru (en met uitbreiding de rest van Zuid-Amerika) ontbreken hier vaak de centen voor, of is archeologisch onderzoek op nationaal niveau enkel gewaardeerd als het woord Inca er kan aan gelinkt worden.

“Wij zijn één volk dat afstamt van de grootse Inca voorvaders.” Klinkt het op overheidsniveau en dus ook uit de monden van alle gidsen in het toeristische zuiden. Maar hier horen we voor het eerst een spectaculair ander (en genuanceerder) verhaal uit de monden van vele gemotiveerde gidsen, trotse ‘Norteniërs’ (bewoners van het noorden), archeologen en geschiedkundigen.

Een greep uit de (vele) volkeren die we langs de kust kruisten, van noord naar zuid.

Tucume (bij de stad Chiclayo)

De Sicán volkeren (1000 – 1375 n. Chr.) regeerden over heel de noordelijke kust met Tucume als hun hoofdstad. Ze lieten ons deze prachtige ruïne na met 26 piramides en vele andere gebouwen. (voor zij die geïnteresseerd zijn, een interessante documentaire over deze site: https://www.youtube.com/playlist?list=PLA1D1E1905AB0D185)

 

Chan Chan (ten noorden van de stad Trujillo)

De Chímu bevolking regeerde van 850 tot 1500 n. Chr. Zij creëerden in Chan Chan hun hoofdstad met 60.000 inwoners en het is de grootste opgegraven adobestad ter wereld tot nu toe. Alle verschillende delen van de stad (religieus, profaan …) zijn ommuurd met muren van 11 à 12 meter hoog. Wij bezochten slechts één religieuze site met volgende afmetingen …., en zo waren een tiental ‘compounds’, om maar een idee te geven hoe groot deze nederzetting was.

Huaca de la Luna (ten zuiden van de stad Trujillo)

De Moche cultuur leefde van 100 v. Chr. Tot 850 n. Chr. en vormt zo de bevolking voor de Chímu in de noordelijke kustregio. Vermoedelijk is ook de Moche cultuur uitgeroeid door El Niño, het natuurfenomeen dat één keer om de zoveel jaar voorkomt en deze droge regio overspoelt met overvloedige onweersbuien en uit zijn oevers tredende megastromen. Ook vandaag de dag komt El Niño nog om de tiental jaren voor. Eind december wordt een krachtige El Niño aangekondigd. Talloze dorpen worden aangemoedigd om te verhuizen, maar velen leren niet uit de voorgeschiedenis. Huaca de la Luna vormt samen met de Huaca del Sol de twee grootste structuren op de site. Het zijn religieuze tempelstructuren, waarvan slechts een deel is blootgelegd. Per nieuwe koning wordt een nieuwe tempel over de vorige gebouwd. De tempels worden bijgevolg telkens groter en groter. De schatting luidt dat er 60.000.000 adobe stenen hiervoor gebruikt worden.

Sechín (250 km ten noorden van Lima)

De site van Sechín is samen met de site van Caral (zie hieronder) één van de oudste van het land, 1600 v. Chr. De opgravingen hebben slechts een heel beperkt deel van de site blootgelegd. Alleen de religieuze tempel is te bezichtigen. Zoals bij vele van deze kleinere sites is er een mini-museumpje aanwezig met een verhelderende maquette. Het moet gezegd zijn dat deze dorpen hun best doen om de archeologische sites toeristisch aantrekkelijk te maken. Ondanks de primitieve informatie in het museum en vele artefacten die in de nationale musea van Lima liggen, slagen ze er toch in om een algemeen beeld te geven van de verschillende culturen.

 

Caral (100 km ten noorden van Lima)

Een van de spectaculairste sites was tenslotte die van Caral. Ook voor de wereldgeschiedenis is dit de belangrijkste ‘recente’ ontdekking van Peru. Het toont ons de oudste ‘stad’ ter wereld, 2600 v. Chr., tot nu toe ontdekt (dus “dag daaag Mesopotamië”). De site werd ook kort na de ontdekking meteen beschermd door Unesco (2009) en staat nu op de werelderfgoedlijst als één van de belangrijkste te bewaren ruïnes voor de mensheid.

Waarom is die ruïne dan zo onbekend? Hij werd slechts tiental jaar geleden ontdekt en de opgraving zijn nog lang niet afgelopen… Maar dat is uiteraard niet de hoofdreden, want de site, met de meest professionele gidsen van het land, geeft al een heel goed beeld van deze stad en deze cultuur. De site past eenvoudigweg niet in de route van de toeristen die enkel ten zuiden van Lima floreren. De site mist de boot van subsidies, mist dus de boot van enige infrastructuur, mist daarnaast de boot van de grote professionele Peruaanse promotiemolen en krijgt dus maximum 20 toeristen per dag over de vloer. En zo gaat het verhaal voor elk wonder dat we in het mooie noorden van Peru zagen. Maar jullie hoeven dit niet aan de grote klok te hangen: hou deze informatie voor jullie en neem binnen de kortste keren een vliegtuig naar Peru en laat het zuiden van het land onder je liggen en verken het onbezoedelde noorden!

De bovenaardse ervaring van Caral zouden we lyrisch en in een aparte blogpost kunnen beschrijven, maar deze keer doen we het met een reportage die enkele jaren terug door de BBC werd gedraaid! Zie zelf waarom deze locatie zo bijzonder is.

https://www.youtube.com/watch?v=ZMacuGusmeg (Sorry voor de overdreven Angelsaksische stijl, het is onze reportage niet…)

 

Cajamarca – Chachapoyas

In Cajamarca verblijven we bij een op en top couchsurfer, Herbert. We komen toe rond de middag, maken net kennis en we worden direct meegenomen naar zijn taller, zijn architectuuratelier. Voor aankomst wisten we dat ook hij architect was en dat we in zijn bureau zouden slapen, maar dat hij ook lesgaf aan de universiteit van Cajamarca én dat we als gastarchitecten mee in zijn ontwerpatelier zouden staan, was een behoorlijke verrassing. We worden voorgesteld aan een zestigtal studenten uit het 4de jaar als twee internationale gastdocenten die even op bezoek zijn. We voelen ons onwennig met al die starende blikken. Gelukkig is de eeuwig vlotte ex-assistent Tim een bende studenten gewoon en babbelt hij er vlot – in het Spaans – op los. Een aantal studenten stellen enigszins schuchter hun projecten aan ons voor. Ze moesten een centraal busstation ontwerpen voor de stad Cajamarca, nu telt de stad minstens twintig privébedrijfjes met kleine informele haltes. Herbert lichtte ons net voordien in dat we niet te afbrekend mochten wezen, want het was de laatste begeleiding voor de jury van de komende week. Dus radicale veranderingen in het ontwerp zijn niet meer mogelijk. Een moeilijke opdracht want het kritisch zijn, zit ons in de genen. Zo goed als we kunnen, geven we voor de komende vier uur tips en opmerkingen.

De rest van de avond wordt er geklonken op de leuke ervaring. Onze Couchsurfer is een kenner van bijzondere plekjes in zijn stad. Samen met een vriendin van hem zetten we een avondje uit in Cajamarca. Wij waren er ondertussen, na acht maanden reizen op dit continent, van overtuigd dat het onmogelijk was om een gezellig cafétje te vinden. We moesten echter toegeven dat we fout waren. Een paar straten van het centrale plein bellen we aan bij een schijnbaar normaal huis. Niets te zien aan de buitenzijde, gewoon een kleine poort, geen ramen. Voor een Bruggeling gaat onmiddellijk en belletje rinkelen. “Retsins, moest je daar ook niet aanbellen?” Wel, wij hebben de Zuid-Amerikaanse versie ervan gevonden! Een kleine goed gezette patrones komt de deur opendoen en leidt ons vlot door één, twee, drie kleine zaaltjes met telkens een tweetal tafeltjes, een terrasje, een trap op, een trap af, opnieuw een trap op, tot helemaal achterin. En daar vinden we nog één leeg tafeltje. Eenmaal genesteld bestellen we één van de nationale drankjes (ditmaal niet de pisco) maar een goedkopere broer: de aguardiente, een alcoholisch drankje gemaakt van rietsuiker met fruit op smaak gebracht. Een paar literkaraffen later, wisten we onze weg niet meer recht naar huis, zelfs ‘gps-Tim’ moest heel diep denken.

De volgende ochtend deed nog eens écht pijn, jawel, voor ons allemaal. Wat is er beter om een pijnlijk hoofd te genezen? Water! Of: Op relaxuitstap gaan natuurlijk, naar natuurlijke warmwaterbronnen. Herbert tovert nog een bijzonder plekje uit zijn mouw. De vorige dag vergezelden twee andere couchsurferdames ons reeds en op zaterdag moest Herbert niet werken en dus vertrekken we met een gezellige bende van zes. Ons busje stalden we in een veilige parking, dus met ons zessen nemen we een colectivo. Neen, deze colectivo’s werken niet zoals de bussen bij ons, ze vertrekken niet op een vast uur. Je moet wachten tot het busje vol zit. Als je geluk hebt, vertrek je binnen de paar minuten, deze keer was het anders voor ons. Meer dan een uur moesten we wachten voor vertrek. Een beetje slapen in de oncomfortabele zetel dan maar ;-). Na een klein uurtje rijden stappen we af aan een godvergeten huis. Van uit deze locatie slingert een grindpaadje de heuvels in. Een klein wandelingetje had onze vriend ons verzekerd, bij schemer en anderhalf uur later komen we aan bij een duister huis, dat duidelijk al zijn beste tijd heeft gekend. Gelukkig houden we hier niet halt. Eenmaal door het bouwvallig spookhuis is de duisternis volledig gevallen. We strompelen langs een smal bospadje tot we schijnbaar aankomen. Het pad is even smal als voorheen, maar hier kunnen we net in één lijn onze drie tenten opslaan. Eenmaal geïnstalleerd, snel badtenue aan, gaan we op zoek naar het warme water, want op 2600 m wordt het in Peru ’s nacht ook wel koud. Ons thermenresort ziet er als volgt uit: een klein riviertje waar twee watervallen samenkomen, een hele koude en een heeeele warme. Schitterend, onder een volle sterrenhemel, met picnicbroodje in de ene hand en een fles rum in de andere hand brengen we enkele uren door in het heerlijke warme water tot we doorweekt, gerimpeld en welriekend (naar zwavel) het bassin uitstrompelen en na tien meter languit op onze matjes in slaap vallen. Dít is het Walhalla!!!

De tocht van Cajamarca naar Chachapoyas bezit ontzettend veel ongekende bijzonderheden: gaande van de bekende baños del Inca (waar de laatse Inca gevangen werd genomen); tot ongerepte boerenwegeltjes met rondwandelende ezeltjes; veel te hete dorpen door een apart microklimaat; veel (om niet te zeggen veel te veel) nietsdoende werkers (in België treffen we soms twee personen die staan te kijken hoe de derde werkt, hier zijn het er minimum zes die staan te kijken en geen één die werkt); nachtelijke feesten (voor elke heilige van het dorp, telkens toevallig als wij er passeren), onontgonnen historische begraven steden op privé terrein (we moesten natuurlijk eentje drinken met de eigenaar); zelfgemaakte zwembaden naast de rivier; één van de hoogste watervallen van de wereld: de Gocta watervallen (de hoogste van de wereld, Salto Angel, hebben we al mogen bewonderen in Venezuela, zie één van de eerste blogs) …

Het hoogtepunt van deze route is zonder enige twijfel de ruïne van Kuelap. Een gigantische pre-Inca site die midden 19e eeuw herontdekt is. De site is gebouwd over een periode van 600 jaar, tussen 500 en 1100 na Christus en kent drie keer zoveel stenen als de grote piramide van Gizeh in Egypte. Het is een massief fort gebouwd op een uitstekende rots over een lengte van bijna 600 meter, met een maximale breedte van 100 meter. De site telt meer dan 4000 ronde huisjes waar meestal alleen de basis van overschiet. Op deze plek hebben ze één rond huisje heropgebouwd (we mochten wel niet binnenkomen) zoals het vermoedelijk geweest zou zijn en de maquette toont hoe het geheel moet gefunctioneerd hebben. Een drie uur durende gidstour geeft ons alle details over deze magische plek. Niet enkel het bezoek aan het fort was impressionant, ook de weg ernaartoe hield enkele verrassingen in. We komen met ons busje aan in het dorp aan de voet van de ruïne omstreeks 17u. We vragen aan een agent die het verkeer staat te regelen (in een mini-dorp waar er maximum vijf auto’s per uur passeren? Tuurlijk moet hier een agent verschijnen, er staan geen verkeerslichten), hoever het nog rijden is naar de site. “Tien minuutjes” antwoordt hij. Perfect! We beginnen aan de route en we onderzoeken de omgeving. Onze kleine teen zegt dat het logisch zou zijn mocht de site aan de andere kant van de heuvelrug liggen op een mooie uitstekende rots met uitzicht. Om in tien minuten daar te raken, leek ons moeilijk, dus het moest ergens anders zijn. Twee en ene half uur later – en natuurlijk in het donker – komen we met een zure kont inderdaad aan op de plek met het mooiste uitzicht waar wij dachten dat de rit heen zou gaan.

De volgende ochtend opent het landschap zich en hebben we een fabelachtig zicht op de Ruïne en de – nu nog – ongerepte omliggende valleien. Heerlijk om hier twee dagen (gratis) te kamperen met vriendelijke bewakers naast ons deur en dit magisch uitzicht.

Cordillera Blanca

Het tweede deel van deze toeristische tour gaat verder via de Cordillera Blanca, in het noordwesten van Peru. Beter bekend in toeristische gidsen als: de regio rond Huaraz. Het is normaal niet onze bedoeling om toeristische hoogmis te zingen in deze blog, maar deze regio verdient het! De topmaanden om deze regio te bezoeken zijn eigenlijk van juni tot en met september, vanaf oktober start het regenseizoen. Wij hadden het geluk om alleen maar zon en een beetje wolken te treffen.

Wij verkenden deze vallei in omgekeerd richting als de autoloze toerist. De avonturentocht begon aan de kust en ging langzaam naar omhoog langs de dorre Cañon del Pato. Een fabelachtige ruwe, dorre Cañon die op zijn diepste punt meer dan 1000 m in de woestijnbergen insnijdt en op zijn smalste punt rotsen heeft die elkaar op 15 meter na raken. Tijdens de 180km tocht tot aan het centrum van deze bergketen konden we onze ogen niet afhouden van dit wonder der natuur. (Pelwim: Tim kan maar niet stoppen om te refereren naar de vallei tussen Tadzjikistan en Afghanistan… Verifieer zelf maar eens) Later bevestigde ook de Lonely Planet dat dit één van de must sees is, deze route door 36 gammele tunneltjes. Het is een machtig mooie cañon, miljoenen jaren aan een stuk uitgevreten en slechts vlak naast de rivier is het een stukje vruchtbaar. Aangezien onze bolide niet zo snel kan rijden, zoeken we noodgedwongen een rustplek voor de nacht. Dankzij de tips van andere gelijkaardige reizigers vonden we een fantastisch verlaten plekje tussen de weg en de rivier waar niemand ons kon zien. En zo werd de noodzaak opnieuw een waar genoegen!

De volgende dag vervolledigen we onze tour tot aan Caraz, een klein dorpje dat naast Huaraz ook een goeie basis is voor (dag)wandelingen. In één van de weinige cafés die open zijn die avond, want we zijn nu eenmaal buiten hoogseizoen (handig dat er op zo’n moment niet zo veel toeristen zijn, maar aan de andere kant zijn er ook heel veel lekkere en gezellige plekjes gesloten), hadden we het genoegen om te worden bediend door een vriendelijke en niet opdringerige touroperator. Hij gaf ons super goeie tips omtrent welke wandelingen we wel en niet zouden kunnen doen in deze periode. We waren bijna verleid om de vier daagse tocht, Santa Cruz, te ondernemen, maar door gebrek aan sportieve trainingen de laatste weken en in combinatie met de hoogte van 4000 tot 5000 meter, hebben we het toch maar op dagtochten en tweedaagse tochten gehouden. En dat was maar best ook. Tijdens onze eerste tocht, hijgen en puffen we toch iets meer dan gedacht. We hadden een lichte tocht in gedachten. Vier uur later kijken we eens op de telefoon (want gedetailleerd zijn de kaarten hier niet) en zien we dat we 800 meter moesten stijgen, van 3400 naar 4200 meter. De beloning was dan ook groot wanneer we onze middaglunch konden verorberen aan het fantastisch hemelsblauw meer van Laguna Parón.

De laatste wandeling die we ondernemen in de Cordillera Blanca, starten we met het nemen van een colectivo. Om eerlijk te zijn, we missen de immer goeie muziek die altijd aanwezig is in zo’n busje een beetje… NOT! Als proevertje hebben we tijdens onze anderhalf uur durende rit een kort filmpje gemaakt over hoe het eraan toe gaan tijdens zo’n tocht. Beeld je maar eens in dat je oren altijd zo mogen genieten? Eline en Tim en hun favoriet muziek

Het zonnegeluk staat iets minder aan onze zijde tijdens deze tocht, want we treffen alleen maar wolken en mist die dag. Geen erg, we wandelen stevig door om misschien toch met een opklaring de Laguna 69 te treffen. We blijven geloven dat het lukt en mits wat goede wil, konden we zeggen dat er een opening was tijdens onze lunch. Met een koe in onze rug, kijken we naar dit mooie spektakel. Vervolgens dalen we met onze Belgische wandelpartner Steve terug aan hoogtempo.

Hoewel de colectivo’s niet vertrekken op stipte uren, hadden we toch bij nader inzien een erg strak tijdsschema. Om 8u ’s morgens werden we gedropt aan de start, drie uur heen wandelen en een kleine drie uur terugwandelen, de laatste colectivo vertrekt om 14.30u, dat geeft ons een halfuur luchtpauze. Onze conditie blijkt toch nog niet zo slecht, want ruim op tijd bereiken we de eindmeet.

Hoe beter deze dag in de bergen af te sluiten dan met een heerlijk bad? Wel eigenlijk geldt in ons geval: hoe beter elke dag afsluiten dan met enkele hete natuurlijke baden? Ik denk dat we ondertussen thermale-baden-professionals zijn geworden. Onze queeste bestaat er dan ook in om alle baden in de komende gebieden onveilig te maken. Voor ons bestaan geen betere rustplekken: gratis kamperen, ’s avonds een sauna of stoombad en ’s morgens een plons in het zwembad of het privébad. ZO doen wij energie op om te blijven doorgaan!!

El viaje siempre es mejor … en una kombi

De reis is altijd een beetje beter (en aangenamer en cooler en hipper en…) … in een combi! Ook voor de ouders van Tim (Rik en Nick) die ons voor twee en een halve week kwamen vergezellen in het Zuiden van Peru.

Jawel, bijna drie weken op tjsok met je schoonouders, hoe moest ik dat overleven? Gewoon doen, niet te veel over nadenken en toeristische plekjes bezoeken. Neen neen, het waren drie heerlijke intense weken en vooral toeristische tijden pur sang. Ik denk dat we tijdens onze ondertussen elf maanden durende reis geen enkel moment zo intens dingen bezocht hebben als tijdens deze periode, en ook geen enkel moment zo goed gegeten en gedronken met de Bourgondiërs uit de bossen van Sint-Andries, maar straks daarover meer.

Het startschot van deze reis werd gegeven met een persoonlijke ontvangst in Cusco bij een dochter van John Driege, een goeie vriend van Rik, Joana en haar Peruaanse vriend Müller. Wij werden al enkele dagen voor de aankomst van Rik en Nick hartelijk ontvangen om de laatste regelingen te treffen als plaatselijke touroperators en om de puntjes op de i te zetten voor onze Melqui (die nog maar net uit tweede behandeling kwam…). Op dat moment hadden wij echter nog niemand op het hele Europese continent ingelicht over onze aankoop om Rik en Nick een grote verrassing te bezorgen … Zij hebben namelijk een gelijkaardige reisbus in België (we moeten eerlijk zijn: hun Rachel staat in net iets betere conditie dan ons vervoersmiddel). Op voorhand hadden we hen ingelicht dat wij de Salkantay trek zouden doen (wat ook initieel het plan was) en dat we hen pas gingen treffen aan de voet van Machu Picchu (wat is er nu een mooiere plek om elkaar na zeven maanden te treffen?). Bovendien hadden we hen ook gezegd dat we een Mitsubishi L300 hadden gekocht (een ongelofelijk lelijk Chineesachtig busje) en geen Volkswagen Transportertje. De verrassing was dan ook compleet wanneer we hen gingen ophalen aan de luchthaven van Cusco met ons hippie busje.

Jawel, we beklommen – evidament – de Machu Picchu en nog meer impressionant: we bestegen zelfs de 700 extra trappen van de Waynu Picchu (een berg naast het bekende complex; ook Rik en Nick!). De dag begon ontzettend vroeg, om 4u, want het is noodzakelijk om een uur op voorhand aan te schuiven om de bus naar boven te nemen. Het aantal toeristen dat de MP bezoekt, wordt met de dag groter en de rijen gigantischer. Wij stonden een uur voor de eerste bus aan te schuiven en reeds meer dan 50 mensen waren ons voor. Gevolg: we konden slechts op de tweede bus naar boven. Geen erg, want we waren nog steeds stipt om 6u boven om het wonderlijke schouwspel van de zonsopgang te kunnen bewonderen met een minimum (500-tal) aan toeristen. We lopen daar tussen de honderden en duizenden andere toeristen en we luisteren naar de interessante Inca-uitleg van onze gids Heider (neef van Müller) en wie zien we plotseling verschijnen tussen alle andere aanwezigen? Onmogelijk maar toch het geval, een oude klasgenote van Tim (Feline & Kris).

De heenrit naar het dorpje Aguas Calientes (het dorp aan de voet van MP) hebben we op een avontuurlijke wijze beleefd. We wilden namelijk twee verschillende routes doen in de heen- en terugrit. Het werd bijgevolg een behoorlijk wilde busrit van 5 uur door allerlei valleien, honderden bochten en over verschillende bergruggen om aan te komen aan de hydro-elektrico. Een plek waar er niets te doen valt, maar van daaruit vertrekt een oud treinspoor naar Aguas Calientes. Tot slot wachtte ons nog een wandelingetje van drie uur om bij valavond aan te komen in het dorp. Echt origineel was deze tour ook al niet meer, want we werden vergezeld door maar liefst honderden andere toeristen die niet wilden betalen voor de schandalig dure treinrit. We hebben toch de schandalig veel te dure trein teruggenomen (maar liefst 80 dollar per persoon voor een enkele rit aan een Britse hotelketen) van het nieuw gecreëerde dorp Aguas Calientes waar er niets te beleven valt naar het aangename plekje van Ollantaytambo, het eerder onbekende stadje waar de meeste touristibussen en toeristenbussen gewoon langs passeren maar waar wij het genoegen hadden om het feest van de patroonheilige mee te maken: een plaatselijke fanfare en kermis-happening gesponsord door een van de lokale families. Samen met alle dronken mannen en vrouwen van het dorp hebben we een pint gedronken.

Neen, we zijn niet in de hete warmwaterbronnen van Aguas Calientes geweest waar je verdron(g/k)en wordt door de toeristen. We zijn daarentegen midden in de nacht doorgereden langs een wel zeer kronkelend grindpadje en langs veel te snel rijdende chauffeurs (waarvan we één de volgende morgen omgekeerd in de berm zagen liggen) tot aan de thermen van Lares. Een plekje waar alleen lokale baders komen en waar we om 11u ’s nachts alle baden voor ons alleen hadden: zeven koude en warme baden van 7°C tot 45°C. En hoe de avond beter afsluiten dan met een Chilcano cocktail (gemaakt met Pisco, het bekende drankje van Peru en/of Chili, het blijft een eeuwige discussie, wij geven momenteel de voorkeur aan Peru) en vele aperitiefhapjes.

Jawel, we hebben kleinveeliefhebber en –fanaat Rik Cuy (of cavia) laten eten. Je weet wel zo’n lief fluffy langharig zacht beestje met die smekende oogjes dat door vele kleintjes onder ons geliefkoosd werd. Zo’n beestje wordt doorboord met een grote draaistok, door zijn mondje tot helemaal aan zijn anus, net zoals een kip aan ‘t spit. Wij zijn nog geen ervaren cavia-eters geworden, maar het Peruaanse liefje van onze vriendin in Cusco liet zich helemaal gaan en koterde zelfs de hersentjes en de oogjes helemaal uit. Dat was net een beetje te veel van het goeie voor ons.

Gelukkig waren niet alle maaltijden zo uitdagend als deze ;-). Andere specialiteiten die ons ten deel vielen waren Alpacavlees (een lama-achtige, gegeten in verschillende restaurants en het werd duidelijk: het is belangrijk om naar een kwaliteitsrestaurant te gaan), Ceviche (rauwe vis gemarineerd in een limoensausje), Lomo Saltado (een gerecht dat lijkt op onze frietjes met stovers), …

Naast de verschillende geslaagde (en ook wel minder geslaagde) restaurantbezoekjes, lieten we onze eigenkookkunsten ook nog eens botvieren op wel heel specifieke plekjes. Eén van de voordelen van een eigen vervoersmiddel…

Tot slot is het belangrijk om niet alleen goed te eten, maar ook goed te drinken op onze voyage. Voor zij die papa Rik een beetje kennen: Wat is er beter dan één glas wijn…, inderdaad!) We hebben ook de enige wijnregio van Peru, Ica, bezocht, zoals het hoort. Gedurende een hele middag lieten we ons rondvoeren in een taxi (de chauffeurs van Melqui verdienen ook een beetje rust) naar verschillende wijnhuizen. Het werd een proeverij van, niet enkel rode en witte wijnen, maar ook verschillende Pisco-varianten. Noodgedwongen moesten we natuurlijk enkele flessen meenemen in de auto, ze hebben het niet lang overleefd.

Neen, we hebben niet het meest toeristische schiereiland Copacobana aan de Boliviaanse zijde van het Titicacameer bezocht, maar we hebben zelf een tweedaagse in elkaar gebokst vanuit het stadje Puno. Daar is op zich niet zo veel te beleven en Tim en ik moesten er al eens noodgedwongen vijf dagen doorbrengen voor een autoreparatie, vandaar dat we de regio al goed kenden. We kozen ervoor om de ‘minder’ begaanbare paden (of vaarroutes) van de drijvende rieten eilanden te doen gecombineerd met een homestay op een kleiner eilandje genaamd Amantani. Wat houdt dat nu in zo’n homestay?

Eenmaal aangekomen op het eiland, worden we onthaald door een dame in traditionele klederdracht en worden we meegenomen naar haar huis. Op het eiland houdt de burgemeester het systeem goed in de gaten, zodat alle families aan beurt komen om de toeristen te ontvangen. We weten nog niet goed wat ons te wachten staat, en Rik & Nick kijken elkaar eens bedenkelijk aan. Na tien minuten wandelen komen we puffend bij haar huisje aan (je vergeet niet zo snel dat je op 4000m hoogte zit), wij krijgen de bovenverdieping, twee sober aangeklede kamers met telkens twee bedden toegewezen. Een half uur later worden we verwacht voor een eerste maal: een heerlijk Quinoa soepje en een hoofdmaal bestaande uit rijst, ei en gebakken kaas. Simpel maar lekker.

In de namiddag gaan we samen met de twee dochters van Gaby een wandeling maken naar de top van het eiland. We raken er net bij het vallen van de avond (lijkt een gewoonte te worden). Bijgeloof zegt ons dat we drie maal rond de Inca-site bovenop de berg moeten wandelen: éénmaal voor liefde, eenmaal voor gezondheid en eenmaal voor financiële voorspoed.

Neen, we hebben geen vliegtuig genomen om de magische Nasca lijnen te ontdekken. We zijn een viertal keer op zeer labiele trappenconstructies geklommen om een getekende boom of een aap te zoeken, het heeft soms wat verbeeldingskracht nodig om deze (en andere) symbolen waar te nemen. De oorsprong van deze mystieke tekeningen is nog steeds niet ontdekt. Een Duitse onderzoekster heeft meer dan de helft van haar leven er aan gewijd om ze opnieuw goed zichtbaar te maken, ze te registreren, op te tekenen, erkenning te vragen … Dankzij haar onderzoekswerk is het mogelijk deze te bezoeken. Het hotel waar ze meer dan twintig jaar verbleef, heeft een klein museumpje opgericht alsook geven ze nog steeds elke avond een korte uitleg over de geschiedenis.

Langs onze 3000 km-route via bijzonder uiteenlopende landschappen en culturen, vanaf het toeristische Cusco via het Titicacameer, via Arequipa tot aan het zuiden van Lima, zijn we natuurlijk nog heel wat andere particulariteiten tegengekomen: een festiviteit voor één of andere heilige met wel zeer vreemde maskers, een bijzonder rare kruising tussen een hond en een varken (de behoorlijk vaak voorkomende Peruviaanse hond), dametjes die in het midden van een uitgestrekt landschap zitten te weven, oases in de woestijn en condors in de Colca Canyon (die daar artificieel worden gehouden omdat er af en toe een kadaver van een ezel naar beneden wordt geworpen). Maar blijkbaar waren niet enkel wij verwonderd over alle bijzonderheden… Af en toe voelde dit West-Vlaamse viertal zich zelf een attractie… We begrijpen nog altijd niet waarom!!