Onder de hoede van Doña Antonia

Hoe het leven er in El Alto uitzag, was al duidelijk in het verhaaltje van Tim, maar de precieze particulariteiten van één welbepaald ‘huis’ hebben we nog niet toegelicht. Wij leefden tien dagen bij Doña Antonia. Bij het arriveren op een zonnige maar erg koude zondagochtend, hadden we nog geen enkel idee wat we allemaal zouden meemaken …

Op die welbepaalde zondagmorgen, een drietal maanden geleden, worden we om 8u verwacht ergens in een huis op een hoek met de naam ASARBOLSEM, in de wijk Primero de Mayo, in El Alto, La Paz. Bolivia. Geen enkele taxichauffeur die deze plek kent uiteraard, noch de straatnamen die we opgegeven kregen. Gelukkig is ons Spaans al iets geavanceerder dan in het begin van ons avontuur en vragen we aan verschillende passanten onze bestemming. Mooi op tijd (zoals altijd ;-) ) worden we hartelijk ontvangen door Mercedes en Damian, de vorige eigenaars van Melquiades (ons liefste en witste bolleke). Zij zijn op hun beurt te gast bij Doña Antonia Rodriguez, een gewezen minister en heden ten dage de bezieler van de organisatie ASARBOLSEM, een organisatie die de Boliviaanse artisanale arbeid ondersteunt via logement en eerlijke prijzen.

Hoe onze ervaring en ons tiendaags verblijf beschrijven en waar te beginnen? We zitten in één van de vele wijken van El Alto, een heel eind voorbij de luchthaven, dus ver voorbij de ‘veilige toeristenzone’. Het is één van de vele wijken in opbouw, het is een klein bouwblokje van deze gigantische nieuwe stad van één miljoen inwoners. Ik begin bij ons onthaal door Doña Antonia. We merken een schuchtere vriendelijkheid, “wat komen jullie hier doen?”, “zijn jullie zeker dat jullie de auto kopen”, “zijn er nog mensen geïnteresseerd in die auto??” … De vragen lijken op een zeer sympathieke maar onzekere manier te polsen hoe lang het busje hun binnenplein nog zal blokkeren. We vernemen later dat Dami en Mercedes op dat moment al een grote week te gast zijn bij Antonia. Zij zijn daar beland door een verre nonkel van Mercedes die de zoon is van Antonia.

De familie Rodriguez heeft een opvallende eigenschap die ons vanaf de eerste minuut al overvalt. Ze kunnen niets op hun gemak doen. Alles moet altijd gehaast zijn. Doña Antonia vliegt altijd voorbij, ze praat als een wervelwind, alles wordt snel beslist. Ze laat ons bijna geen tijd om te antwoorden op haar vragen en bijgevolg is er ook bijna geen tijd om meer diepgaande gesprekken te hebben. Wanneer we bijvoorbeeld later op de dag in de centrale keuken zitten, loopt de andere zoon van Antonia als een wervelwind zevenendertig keer voorbij. Waarom hij om de vijf minuten naar boven komt en weer naar beneden sprint, is ons nog steeds onduidelijk, want er blijkt in al die haast geen tijd voor vragen. Hij heeft het duidelijk van zijn moeder (de appel en de boom?).

Doña Antonia is duidelijk altijd al de leidende dame geweest en sinds het oprichten van de organisatie ASARBOLSEM heeft ze de touwtjes stevig in handen gehad. Een organisatie met het hart op de juiste plaats. Vanaf midden de jaren tachtig is er een dalende werkzaamheid in de mijnen en de inheemse bevolking ziet zich genoodzaakt om af te zakken naar “de stad”. De laatste twintig/dertig jaar boomt – en kraakt – El Alto onder de steeds toenemende stroom van nieuwe stadsbewoners. Nieuwe huizen worden opgetrokken, nieuwe terreinen worden omheind, nieuwe wijken krijgen vorm, nieuwe werkzaamheden moeten worden gezocht. Doña Antonia groepeert de nieuw aangekomen vrouwen onder één koepel: ze vormen in de eindeloze stadsjungle een kleine gemeenschap die artisanale producten maakt. Parallel komt deze organisatie op voor eerlijke handel, in samenwerking met internationale NGO’s wordt gezocht naar een eerlijke prijs voor eerlijk werk. Deze vrouwen maken hand gebreide pulls, sjaals, handschoenen, wanten, sokken en andere kledingstukken in alpacawol (of voor de niet-wol-kenners: een soort lamawol). Ondertussen zijn ze uitgegroeid tot een omvangrijke gemeenschap, met een centraal huis. Het huis van ASARBOLSEM waar wij tien dagen onze thuis zullen vinden. (http://asarbolsembolivia.blogspot.com/)

De dames kleden zich nog steeds in traditionele klederdracht: zwart bolhoedje, wit geborduurd hemd met daarover een driehoekige sjaal, een klokvormige kleurrijke rok en niet te vergeten de rubberen sandaaltjes, die altijd te klein zijn, met dikke wollen sokken – sandalen op een hoogte van 4100m en een gemiddelde temperatuur van 5°C?!? De dametjes worden minimum één dag per week verwacht in het gemeenschapshuis om alle bestellingen te verdelen of samen te werken. Doña Antonia heeft ondertussen al een uitgebreid netwerk van afnemers opgezet: van Noord-Amerika en Europa tot in Japan. Hoe het werk precies verdeeld wordt, hebben we eens kunnen observeren. Als buitenlanders – of gringo’s zoals ze ons nog steeds graag noemen – zijn we getuige van een manier van werken waar we niet aan gewoon zijn. Er liggen allemaal stapeltjes wol in verschillende kleuren in het rond, schijnbaar willekeurig. Antonia loopt vervolgens rond met tientallen mini blaadjes (hoe deze niet verloren raken, is een wonder). Doña Antonia zwaait de plak en beslist wie wat moet maken, want alle Boliviaanse vrouwtjes zitten maar te poepgaaien en schaapachtig te lachen. Vanaf wanneer er buitenlanders aanwezig zijn, ook Dami en Mercedes die Argentijnen zijn, valt er een directe en onverbiddelijke stilte. Ik vraag me af hoe ze onder elkaar communiceren als er niemand anders bij is. Want wij treffen alleen doña Antonia die luidop aan hoog tempo spreekt, typische mopjes maakt en in naam van iedereen het woord voert.

Maar hoe kwam het nu dat we daar mochten verblijven? Wij hadden helemaal niet gedacht dat het – het worden van een tijdelijke “El Alto bewoner” – mogelijk zou zijn. Dami en Mercedes verbleven daar al een kleine week en kenden bijgevolg al een beetje de huisgewoontes. Zij gingen eens polsen of er eventueel nog plaats was voor ons en hadden al snel door dat het beter zou zijn als zij het zouden aankaarten met alle nuances in de Spaanse taal. We hadden een vermoeden dat het niet gemakkelijk zou worden. Een kwartier later was alles reeds beslecht en we mochten blijven. Hoera! Wat was nu de reden waarom ze eerst aarzelde? “Zijn we wel brave mensen? Zullen we niet elke avond tot een gat in de nacht gaan feesten en ons bezatten?” Op dat moment kenden Dami en Mercedes ons ook nog niet zo goed, maar we zagen er uiteraard als heilige engeltjes uit.

Als brave logées stonden we de eerste morgen op rond 7.30u, omdat we vroeg aan de dag wilden beginnen en om alle auto-werkjes zo snel mogelijk gedaan te krijgen (we zijn en blijven de efficiënte Europeanen…). We wisten nog niet dat elke morgen om 8u – stipt – Antonia zou komen binnenstormen. Ze klopt drie keer als een dulle Griet op één van de deuren van het appartement om haar 47 jarige zoon uit zijn bed te halen. Het was voor ons een uitstekende aankondiging met welke gedreven dame we te maken hadden.

Een paar avonden later – en zonder dat de autowerkjes al te veel gevorderd zijn – splitsen we de werkjes op: Tim & Mercedes gaan om auto-onderdelen en ik & Dami om inkopen. We beslissen dat het een mooie avond is om lekker te koken en om een pintje te drinken. We kopen slechts vier blikjes voor vier volwassenen voor een hele avond. Tijdens de maaltijd komt Antonia binnengewaaid, zoals altijd heel onaangekondigd: “Er mag geen alcohol gedronken worden in dit huis.” Ik dacht eerst nog dat ze een mopje maakte, maar niets was minder waar. We besluiten dan maar in de toekomst braaf buitenshuis te drinken.

Aangezien we te gast zijn in het huis van ASARBOLSEM, willen we graag een handje toesteken. Maar het is niet gemakkelijk om een plekje te vinden waar er nog hulp nodig is. Doña Antonia heeft haar eigen structuur en vooral haar eigen ideeën en regels over hoe de dingen moeten lopen. We blijven aandringen dat we graag ergens willen helpen en uiteindelijk heeft ze een taakje voor ons gevonden. Mercedes en ik mogen de winkel met allerlei tentoongespreide alpaca spulletjes herordenen en vooral kuisen. Een taak die we waarschijnlijk serieuzer nemen dan ze bedoeld had, want we vullen er twee volledige dagen mee. Tijdens onze activiteiten vroegen we ons af wie de winkel ooit bezoekt, want tijdens onze tiendaagse hebben we niemand ooit de winkel zien betreden… Dat heeft grotendeels te maken met de verkoop in grotere oplages, zoals bijvoorbeeld aan Oxfam.

Een paar andere gebeurtenissen die ons gastvrije – maar tegelijkertijd ook beklemmend – verblijf ten huize doña Antonia weergeven. Op een doordeweekse middag kookt Antonia voor de derde keer op rij voor ons: kleine rode patatjes, witte maïs, grote maïskolven, bonen en alpacavlees. Wij zijn dankbaar dat ze voor ons kookt, om de echte Boliviaanse keuken beter te leren kennen, maar tegelijkertijd moeten we toegeven dat we daar misschien niet zo heel veel zin in hebben. Wanneer wij het omgekeerde aanbieden, bijvoorbeeld een vegetarisch gerecht met veel groentjes, weigert ze altijd heel beleefd. Het is duidelijk, ze eet alleen maar de traditionele Boliviaanse maaltijden.

Eén minuut nadat we ons bord leeggegeten hebben, kondigt ze aan dat we nog eens moeten mee-eten met de dames beneden. In de werkplek zitten een achttal dames gezellig bij elkaar op de grond. In het midden ligt een doek met daarop de verschillende potten: rijst, vlees, pikante saus… Zelf hebben ze geen bord noch bestek om mee te eten. Ze leggen hun eten op een veel te klein plastiekje, waar natuurlijk de helft naast valt. Op de koop toe nemen ze het eten met zijn allen uit dezelfde pot en valt nog eens de helft op de grond tussen de pot en hunzelf. Alle vrouwtjes in El Alto, en ook alle traditionele dames die we gezien hebben, dragen een schort boven hun kleed. Deze schorten zijn het best te vergelijken met een schort die onze grootmoeders droegen wanneer ze het eten klaarmaakten, met dat verschil dat na het middagmaal de schort aan de haak ging. Deze dames daarentegen dragen die – vuile met etensresten besmeerde – schort de hele dag door: wanneer ze eten, wanneer ze kletsen, wanneer ze over straat lopen, wanneer ze werken (= wanneer ze breien met alpacawol) …

Wat de oplossing is voor deze netelige situatie, zijnde waar etensresten worden gemengd met pure alpacawol, ontdekten we de volgende morgen. Als een voorbeeldige gast, beslis ik op een willekeurige morgen nadat we al een vijftal dagen te gast zijn bij Antonia, om de keuken en de gemeenschappelijke ruimtes te kuisen, als teken van dankbaarheid. Ik had geen slechtere dag kunnen kiezen. De keuken is nog niet half gedroogd of er komen al vijf dames binnengelopen. Geen idee wat er aan het gebeuren is, Antonia is zelf nog nergens te bespeuren, dus we kunnen alleen maar toekijken wat er zal gebeuren. Alle waskuipen worden buiten op het terras gezet. (Het terras van de organisatie is echt fantastisch, met een geniaal uitzicht over de stad. Als er zon is in El Alto, dan is er echt heel de dag door zon op het terras.) Er worden zakken en zakken handschoenen, wanten, sjaals etc. naar boven gehaald om die allemaal tegelijk op het terras te wassen. De vijf dames, zelfs na de handeling vermoedelijk al 100 keer te hebben uitgevoerd, weten ook nog niet zo goed wat ze nu precies moeten doen. Op dat moment komt redster Antonia op de proppen. Zij dirigeert alle dames: waar de kuipen te zetten, hoeveel water te gebruiken, hoelang te schrobben … Wanneer wij beslissen een handje toe te steken, laat ze ook duidelijk merken wat wij moeten doen én wat we helemaal niet correct doen. Je moet wel degelijk op een heel specifieke manier schrobben. Op het einde voelen we dat een ‘dankjewel’ niet thuis hoort in deze cultuur en dat we dat ook niet mogen verwachten, je voelt je toch steeds een beetje een buitenstaander.

Een andere vorm van Antonia’s communicatie – of niet-communicatie – komt ook naar voor op diezelfde morgen. Iedereen van ons gezelschap is met iets bezig, ook ik ben aan het meehelpen aan de was, maar plotseling zegt Antonia dat ik met haar mee moet. Ik dacht dat ik net zoals de dag ervoor mee moest om haar inkopen te helpen dragen. Maar neen, niets is minder waar. Het is een eerbetoon aan de politie van El Alto die reeds zes jaar bestaat. Er staat een podium waar alle belangrijke personen (o.a. de ambassadeur van het Verenigd Koningrijk) op mogen/moeten staan, ook doña Antonia – en dus ik ook in mijn vuilste werkkleren. Ik zit daar meer dan anderhalf uur op het podium, te kijken naar allerlei fanfares en huldigingen (en te verkleumen van de kou). Ook doña Antonia krijgt een eerbetoon die ze snel in mijn handen duwt. Geen idee wat ik eigenlijk doe op dat podium tussen allemaal belangrijke dames en heren en legerofficieren. Half verkleumd en met blauwe vingers keer ik uiteindelijk terug naar onze thuisbasis waar opnieuw een heerlijke maaltijd van Antonia wacht.

Het werk van Doña Antonia is fantastisch. Zij is er in de afgelopen twintig jaar in geslaagd om een organisatie op poten te zetten die lokale vrouwen de mogelijkheid heeft om hun kwaliteiten te benutten en dit op een faire manier te vergoeden. Het is een organisatie die erin geslaagd is om niet alleen op nationaal niveau bestellingen te leveren, maar ook een internationale afzetmarkt op te zetten. Ze slaagt erin om de niet zo spraakzame traditionele dames te verenigen onder één vlag. Ze is erin geslaagd om in een periode waarin er een massale toeloop was van de dorpen naar de stad, het grote aantal traditionele vrouwen een waardige plek te geven in een ongekende en eerder vijandige wereld van de nieuwe stad, El Alto.

Wij hebben de unieke kans gekregen om van dichterbij kennis te maken met deze organisatie en dus ook met de traditionele dames, die door de band genomen heel erg verlegen zijn en hun mond bijna niet durven te openen bij buitenlanders. We kregen de mogelijkheid om mee te helpen, slechts op kleine manieren, in de organisatie. We hebben geleefd volgens de soms moeilijk interpreteerbare regels van Doña Antonia, of dat hebben we toch gepoogd. Of we op het einde echt een praktische meerwaarde hebben kunnen toevoegen, is voor ons nog steeds onduidelijk maar we hopen dat we ook voor hen een eye-opener konden zijn.

En toen waren we met drie …

Dit is één van de kenmerkende Zuid-Amerikaanse gewoontes: het geven van ‘droom’-kasteelhuizen in miniatuurvorm, gefakete diploma’s, pakken monopolie-geld, mini autootjes … allemaal met het doel je naasten het allerbeste toe te wensen. We zagen menig markten waar talloze kraampjes uitpuilden met dergelijke zelfgemaakte poppenhuizen. We hadden nog geen idee dat …

Even terugkeren naar het begin. Zoals alleen wij dat kunnen, hadden we ons hoofd op iets gezet en smeten we ons volledig op de zoektocht naar … een auto. Jawel, we misten ons Marianne VW busje net iets te hard. Na wat veldwerk bleek de gemakkelijkste manier om een auto in Zuid-Amerika te kopen – voor een buitenlander – in Chili te zijn. Na de horizontale luilekkerweken in de Amazone per boot, klimmen we een eerste keer per bus naar het 4000 meter hoge La Paz om daarna af te zakken naar het noorden van Chili.

Net toegekomen in Arica worden we meteen gezegend door een sjofele man op straat. Ketters zoals we zijn, schenken we daar niet te veel aandacht aan. Maar een dagje later, tijdens een toeristisch uurtje, dat we onszelf toestaan tussen al het autozoekwerk en Chileense papperassenwerk door, bezoeken we de kathedraal van Arica, gebouwd naar ontwerp van Eiffel, en worden we overweldigd door een dame die waarschijnlijk niet meer alles op een rijtje heeft. We worden voor een tweede keer gezegend in het centrum van Arica, tien minuten aan een stuk. Om deze reeks van zegeningen af te sluiten, en met een glimlach te denken aan alle goeie dingen die uit drie horen te bestaan, beslissen we om een kleine bijdrage aan Santa Theresia van Arica te schenken, om ons te beschermen en te helpen in onze queeste. Benieuwd of deze heilige ons zal bijstaan…

Arica is een klein rustig stadje gelegen aan de Stille Oceaan met in zijn achtertuin één uitgespreid dor woestijnplateau. Er is ‘an sich’ niets meer dan zee, wind, ruw zand en geen regen (maximum 1 dag per jaar). Deze moderne ‘verdedigingsstad’ is daarenboven honderden kilometers ver gelegen van de rest van de bewoonde wereld. Het is een regio die bewoners uit geheel Chili probeert aan te trekken door een Zona Franca te zijn, een plek waar je quasi geen belasting betaalt. Ook de auto’s kopen en verkopen verloopt compleet vrij van taxen. ‘Fantastisch’ dachten we. Het nadeel bleek echter al snel duidelijk. De aangekochte auto’s mogen deze zone maar maximum drie maanden verlaten. Dus echt veel hadden we ook niet aan deze locatie. Toch niet rechtstreeks…

We schaften onze Chileense documenten tegen beter weten in toch maar aan. Het idee was: we houden alle optie open. Het belangrijkste document was het Chileense registro civil. Dit papier zorgt er voor dat je als buitenlander transacties kan realiseren, zoals het aankopen en verkopen van een auto. Dit had een eenvoudige onderneming moeten zijn volgens al ons onderzoekswerk, ware het niet dat de wet net een beetje verstrengd was en dat er een Chileen voor ons garant moest staan. ‘Niet eenvoudig in een stad waar je niemand kent’ dachten we.

We trokken onze stoutste schoenen aan en vroegen lukraak hulp aan de ingang van twee notariaten en na minder dan tien minuten viel de hulp voor onze voeten. De ongelooflijk sympathieke Juan, die er van overtuigd was dat ons gekruiste pad geen toeval kon zijn, stelde zich meteen voor ons garant zonder ons van ‘haar noch pluimen’ te kennen. Later vernamen we dat hij bij het vluchten ten tijde van Pinochet in België meteen politiek asiel kreeg en had bijgevolg verschillende Belgische vrienden opgebouwd. Deze dienst – jaren na datum – kunnen beantwoorden met een wederdienst aan ons adres, bleek voor hem een even groot cadeau als voor ons te zijn. Het was niet enkel de dienst die hij ons bewees door zich voor ons als aanspreekpunt voor de staat beschikbaar te stellen, maar ook de verschillende uren die hij voor ons opofferde in de notariaten.

Een notariaat… Dat klinkt nogal gewichtig voor een Belg, maar voor een Chileen is het meer een kruising tussen de civiele dienst en een supermarkt. Je spendeert er menig vrije vrijdagvoormiddagen: je trekt er een nummertje en komt na enkele uren terug. Je moet er heen voor alles wat een beetje officieel ruikt: voor gecertificeerde kopies, voor voorbereidende papiertjes voor de burgerlijke dienst, voor eender welke aankoop of verkoop, en ga zo maar door…

Op zoek dan maar naar andere manieren om een auto te vinden. Internet is en blijft gelukkig onze vriend. Voor google heeft geen van ons geheimen, maar tegelijk blijft google ons de geheimen van het net onthullen en al snel vinden we verschillende sites waar reizigers hun auto verkopen. We sturen berichtjes naar meer dan twintig annonces en eentje daartussen is naar de eigenaars van Melquiades. We zoeken nog wat verder en vinden een facebooksite van ‘El gran viaje de Melquiades’ (https://www.facebook.com/Elgranviajedemelquiades). We zijn op slag verliefd op deze auto van middelbare leeftijd. We sturen een wel heel enthousiast mailtje, zoals alleen Tim dat kan, en hij verwijst naar onze kennis i.v.m. T2-busjes. Het is bang afwachten, want er zijn veel mails gestuurd naar velerlei opties, maar we zijn slechts verliefd op EEN bus! Daarna gaat alles aan TURBO(*)snelheid: we mailen wat op en af, we skypen een eerste keer, het wordt duidelijk dat de eigenaars Mer(cedes) en Dami(an) wel heel sympathiek zijn en we beslissen zonder al te veel nadenken: we gaan naar El Alto (de bovenstad bij La Paz op de altiplano van Bolivië op 4200 meter hoogte) om Melqui het hof te maken.

Wie is die Melquiades nu precies? Een Volkswagen Transporter 2 busje van Mexicaans-Duitse makelij van het jaar 1975. Met zijn 40 levensjaren heeft het busje al een lange – en onbekende – geschiedenis achter de rug. Ooit was het een passagiersbusje, vandaar de openklappende zijdeur die alleen door de bestuurder (erg spectaculair) kan opengedaan worden. Hoeveel kilometer hij al precies heeft afgelegd, is een groot mysterie aangezien noch de snelheidsmeter, noch de kilometerteller werkt. De vorige eigenaars hebben de bus Melquiades gedoopt naar een gipsy personage in Honderd jaar eenzaamheid van Marquez. Zo voelen we ons soms ook, als een boodschapper van een onbekende en heel verre wereld. Wij als groentjes voelen ons nog wat onwennig in vergelijking met deze doorwinterde – en zomerde – ervaren Amerikakenner. Benieuwd waar hij ons nog allemaal naartoe zal voeren…

Guyana eiland of Caribisch vasteland

De weinig gekende Guyana’s zijn een geologische gebied gelegen tussen de Orinoco delta, de Amazone en de Atlantische oceaan. Een regio gekenmerkt door savanne, regenwoud, tafelbergen en watervallen. De drie Guyana’s zoals wij ze vandaag kennen, Brits Guyana, Suriname en Frans Guyane, vormen geografisch één geheel met Spaans Guayana (vandaag Venezuela) en Portugees Guyana (Noord-Brazilië).

Deze landen worden ook gekenmerkt door een zelfde late kolonisatiesgolf met wisselende ‘eigenaars’, voornamelijk Groot-Brittannië en de Nederlanden, die in de 17de, 18de en 19de eeuw in het leeuwendeel van de voedselproductie in Europa voorzagen. De eerste ontdekkingsreizigers zagen niet veel heil – noch goud – in het ontginnen en ontdekken van deze mangrove wildernis. Het was pas een paar eeuwen later, in het begin van de 17e eeuw, dat de Nederlandse kolonisatoren de eerste suiker- en cacaoplantages opstartten. De Hollandse sporen blijven tot op de dag vandaag traceerbaar.

Deze kolonisaties bepalen ook voor 90 procent de demografie van deze regio die bestaat uit een mix van Afrikaans en Oost-Aziatisch. Deze eerste groep geïmporteerd uit Afrika als slaven, zoals in het volledige Caribische gebied. De tweede groep na het afschaffen van de slavernij in midden 19de eeuw. Toen begon de importatie van de makkelijke werkkrachten uit de Aziatische kolonies. Voor de Britten uit Indië en voor de Nederlandse West-Indische Company uit Indonesië.

Zo kwamen de Oost-Indiërs die Colombus ooit zocht in het Westen toch nog in de ‘new world’ aan.

Door deze mix aan culturen, de slavenmuziek, de uitzonderlijke mengeling van Indische Roti met creools zoethartige keuken; door de late onafhankelijkheidsrevoluties en door de talenmix van Engels, Nederlands en Frans hebben deze landen veel meer de neiging zich tot de noordelijke gelegen eilanden te richten dan tot de buurlanden. Ook al liggen ze aan de Atlantische oceaan, toch noemen ze zichzelf maar al te graag Caribisch.

Ze vormen handelsrelaties met de Caribische ex-kolonies, terwijl de banden met de rest van Zuid-Amerika bijna onbestaand zijn. Er zijn bijvoorbeeld heel wat meer vluchten naar de eilanden en de Guyana’s hebben zo goed als geen verbindingsroutes over land met hun buurlanden (geen enkele met Venezuela; en enkel een zandweg – die we verderop beschrijven – en een boottochtje Brazilië), ze spreken als enige landen geen Portugees of Spaans en hebben een Caribische cultuur. Ze zijn geografisch een, bijna hermetisch afgesloten, eiland bovenaan het Zuid-Amerikaanse continent.

Wij begeven ons dan ook op een boeiende tocht door een totaal nieuwe wereld. Een onderneming van 3200km, waarvan 1200km onverhard, over 5 grenzen en met evenveel verschillende talen.

Culinaire verwennerij

Na alle schotels met –telkens opnieuw –  hoofdzakelijk rijst en kip in Venezuela, worden onze smaakpapillen uitgebreid verwend. De drie Guyana’s hebben allen verschillende specialiteiten. Bij de Britten vinden we heerlijke hartige broodjes, quiches, en daarnaast ook zoete taartjes en gebakjes … zoals het een Britse tea time betaamt. We proberen er dan ook verschillende: een ananasflapje, een warm kaasrolletje, een groetendriehoekje …

In Suriname worden we in de watten gelegd met vele Indische invloeden: kilo’s bami-noedels met bijbehorende pindasaus; nazi-rijst bij de vleet; allerlei brochettestokjes van rundsvlees tot scampi’s; bakabanaan, een gefrituurde banaan, met verse pindasaus natuurlijk; en heerlijke zoete poffertjes en hartige pannenkoeken. Maar wat vinden we tot slot aan de rand van alle kraampjes? Een Nederlands Patatkraam! Dat kan natuurlijk niet tippen aan onze Belgische frietkraampjes, maar na vijf maanden reizen kwam het voor ons toch behoorlijk dicht in de buurt van onze heilige huisjes.

Echt thuis voelden we ons qua eten pas in Frans Guyane (technisch gezien Europa, duidelijk weerspiegeld in de Parijse prijzen). We lieten het niet aan ons hartje komen en lieten ons gaan in croissants en Franse baguettes met camembert. Het echte Guyanese eten hebben we echter pas ontdekt dankzij een uit de hand gelopen lift.

Gezien de uit de pan swingende prijzen voor transport, beslissen we te liften doorheen Guyane. We hadden al vernomen van andere reizigers dat dit de enige oplossing blijkt te zijn als je geen honderden euro’s voor luttele kilometers kwijt wil, en bovendien is het er heel erg veilig. Slechts één dag aangekomen in het Franse deel en we belanden bij een wel heel sympathieke dame in de auto. Zij blijkt de zus te zijn van de burgemeester van het dorp waarnaar we op weg zijn. Ze heeft deze zondagmiddag niet veel te doen en neemt ons op sleeptouw doorheen de verschillende dorpen. Eenmaal aangekomen, trakteren we haar een rondje in een net geopende zaakje en keuvelen gezellig verder. Bij het afscheid stelt ze voor om de volgende dag samen te picknicken aan het strand. Zo gezegd, zo geregeld. We treffen haar samen met twee neefjes met een uitgebreide picknickmand vol lekkernijen: een slaatje met zoete aardappel, maniok en gekookte plataan; een vissoep gemaakt op basis van maniok en tot slot ook nog een rode vissoep met witte vis en pepers. Heerlijk!

Band met het moederland

De winnaar hier is natuurlijk Frans Guyane… als hedendaagse moderne ‘kolonie’ van de ‘metropole’ (zoals de Fransen graag hun overzees vasteland noemen, dat land dat wij Frankrijk noemen en waarvan we maar al te vaak vergeten dat het nog steeds één van de weinige echte koloniemachten van de wereld is). De Franse cultuur is overal voelbaar: de vele Renaults, Citroëns en Peugeots laten niet veel aan de verbeelding over; de Franse straatnaambordjes die doen denken aan de Parijse; het onderwijssysteem dat gelinkt is aan het moederland (zo stimuleert de overheid bijvoorbeeld de jongeren om na hun 18e naar Parijs of andere steden in het ‘moederland’ te gaan om daar hun universitair diploma te halen); maar ook de hoge prijzen hebben iets te vertellen, alles wordt namelijk uit Frankrijk geïmporteerd.
Maar vooral het Camp de Transportation in Sint-Laurent de Maroni, laat duidelijk de aanwezigheid van de Fransen voelen. Niet alleen door de fysieke aanwezigheid van dit Franse gevangenkamp, maar het museum op zich, dat gehuisvest is in de voormalige barakken, is naar Europese standaarden. Het museum is zonder twijfel en met grote voorsprong het beste museum dat we in vijf maanden bezocht hebben. De ver afgelegen kolonie was in het begin van de 20e eeuw een perfecte locatie om de gevangenen te huisvesten, ver van het Parijse bed. De barakken worden sinds een tiental jaar gerestaureerd en enkele ervan bieden plaats voor een tentoonstelling. Het geeft een zeer helder overzicht van de ontwikkeling die het bewakersdorpje Sint-Laurent heeft ondergaan tot de levendige samenleving die het vandaag vormt. Bovendien leidt een vlot vertellende gids ons gedurende anderhalf uur rond in het afgesloten deel van het kamp: de isoleercellen, waar ook Papillon een deel van zijn straf heeft uitgezeten alvorens naar Île du Salut te zijn overgebracht, de gemeenschappelijke plekken voor de gevangenen, de primitieve rechtbank, de toiletten waar soms al eens iets anders gebeurde en de locaties van de verplaatsbare guillotine

Zilver gaat naar Suriname. Het is een land dat een bijzonder hechte band heeft met zijn voormalige heerser. Het is een land dat trots verwijst naar Nederland. Een land waar de inwoners met plezier Nederlanders ontvangen, het loopt er dan ook vol met Nederlandse toeristen, vele malen meer dan toeristen van andere landen. Zo Frans Guyane leerkrachten uit het moederland ontvangt zo ontvangt Suriname vele overzeese stagiairs. In Suriname zijn het enkel Nederlandse stagiairs en Belgische, respectievelijk in de geneeskundige en de onderwijssector.

De (hoofd)steden

Georgetown of G-town, zoals alle inwoners de stad noemen, is een stad vol tegenstrijdigheden. Het is de hoofdstad van Brits Guyana, maar het ligt vol Hollandse kanaaltjes. De kanaaltjes, die ooit ontworpen zijn om de stad meer aangename koelte te geven, liggen er nu verlaten en vol afval bij. Enerzijds is er de aanwezigheid van grootse stijlvolle houten bouwwerken, maar anderzijds worden deze totaal niet onderhouden. Zo is het stadhuis bijvoorbeeld zijn einde nabij. Het is een stad die de ruimte bezit om mooie stadsparken aan te leggen, maar deze parken zijn eerder verlaten plekken voor daklozen of allerlei dieren. Het is een stad waar verschillende religies samen naast elkaar bestaan. Je kan de stad moeilijk multicultureel noemen, want er is nauwelijks contact tussen de verschillende religies en elke religie heeft zijn etniciteit en zijn eigen politieke partij die als voornaamste functie heeft zijn eigen groep voor te trekken.

Waar G-town een wijds grid is met grootschalige gebouwen, kanaaltjes en een ongecontroleerde chaos, daar is Paramaribo het schoolvoorbeeld van Hollandse kolonisatiearchitectuur. Het historische centrum van Paramaribo is opgebouwd uit slechts een aantal straten met statige bouwwerken in een typische houten structuur, ons hotelletje is hier een schoolvoorbeeld van.
Fort Zeelandia daarentegen staat als stenen constructie aan de monding van de Suriname rivier als blijvende herdenking aan de koloniale wreedheden van de afgelopen eeuwen. Het voelt voor ons eerder als een Bokrijk-park aan met allerlei stenen en houten constructies. Toch moeten we toegeven dat dit museum, naast dat van Saint-Laurent, één van de betere musea is van deze reis. Het geeft een duidelijk chronologisch overzicht van de geschiedkundige gebeurtenissen in (min of meer – wat geen evidentie is gezien de complexe band met de ex-kolonisatoren) neutrale vertelstijl.
Deze voorgaande bouwwerken vormen het toeristische beeld van de hoofdstad van Suriname, maar wat treffen we meteen naast deze voormalige koloniale gebouwen, naast het fort, naast de houten kathedraal?? Vanaf het ogenblik dat we over de grens met Suriname zijn, valt het ons op hoeveel Chinese winkels en supermarkten er zijn. Onvoorstelbaar, om de vijf gebouwen is er een Chinees met een winkel. En in elke winkel… uiteraard Chinese producten… Ook de bouwmarkt blijkt volledig overheerst te zijn door de Chinezen. We vernemen dat deze Chinese investeerders grote voordelen krijgen van hun eigen ambassade en dat de jonge Surinaamse regering onmachtig is om een minimum aan protectionisme in te voeren. Of onmachtig hier betekent niet in staat zijn omdat het politiek niet makkelijk is ten opzichte van zo’n grootmacht of omdat de kadootjes die ze ongetwijfeld krijgen te mooi zijn om te laten liggen, laten we aan de politieke journalisten over.

Niet alleen in Brits Guyana maar ook in Suriname is er een grote Indische gemeenschap. We konden dit niet alleen merken in de Indische keuken, maar ook in de uitvoering van de religie. Op vrijdag 6 maart wordt het Pagwa-kleurenfeest gevierd. Alle straten in het centrum kleuren vrolijk op met mensen die geschilderd zijn in talloze verschillende kleuren. Willen of niet, gekleurd zal je zijn want iedereen smijt lustig naar iedereen! Zo was het ook voor ons…

In Frans Guyane hebben we slechts enkele plekken bezocht in sneltempo: de grensstad met Suriname Saint-Laurent de Maroni, een klein dorp dat is opgebouwd rond de voormalige gevangenis; Awala-Yalimapo, een idyllisch strand waar grote groene schildpadden hun eieren komen leggen; het lanceercentrum voor satellieten in Kourou; duivelseiland Ile du Salût en een blitsbezoek aan Cayenne.

Politiecontroles en andere ontmoetingen

Ons transportverhaal start onderaan Brits Guyana aan de grens met Brazilië in Bonfim-Lethem. We zijn nog maar goed en wel uit het douanekantoor gewandeld met onze Brazilië-uit-stempel op zak en we worden al aangeklampt door een eerder assertieve man om ons mee te nemen in zijn busje tot aan het volgende immigratiekantoor, om onze Guyana-in-stempel te krijgen. We weten deze man af te wimpelen en gaan met een andere vriendelijkere auto mee. Eenmaal buiten het twee politiekantoor – stempels krijgen ging bijzonder vlot en bagage wordt nauwelijks aangeraakt – komen we dezelfde man opnieuw tegen. Ondertussen is er een tweede chauffeur bijgekomen. Ideaal om de concurrenten tegen elkaar uit te spelen. We regelen een busrit met de eerste man tegen een lagere prijs, het ticket kunnen we pas bij de volgende bushalte kopen.

Een halfuur later komen we bij deze ‘bushalte’ aan, schijnbaar gewoon een oprit van een huis aan de rand van de stad Lethem. We weten nog niet zo goed wat we moeten verwachten: wanneer de bus nu precies vertrekt, met welke auto we nu precies mee moeten, want niemand voelt zich echt geroepen om ons veel info te geven … Even later wordt duidelijk dat we in het aangrenzende huis met een dubbele ondoorzichtige glazen deur onze tickets moeten kopen. De deur gaat open en we staan oog in oog met twee mannen elk met een shotgun. “Hmmm… we wensen graag twee tickets te kopen naar Georgetown”, zeggen we wat verlegen. Beetje onwennig kopen we dus ons ticket. Het blijkt de enige aanwezige busdienst te zijn, dus veel alternatieven hebben we niet. Eenmaal buiten halen we opgelucht adem en valt onze symbolische frank. Natuurlijk staan ze daar met shotguns, we zitten in dé goudregio! Dat kantoortje is vermoedelijk meer dan alleen een kantoortje met busticketjes.

Ons minibusje loopt aardig vol. We zitten in totaal met 17 mensen, en een klein vogeltje in een kooitje, bijeengepropt in een klein Toyota-busje. Tijdens de busrit vernemen we dat dit de Guyanese versie is van het Belgische vinkentellen en dat het vogeltje beter verzorgd wordt dan alle aanwezige goudzoekers samen. Wij worden beetje aanzien als ere-gasten want we mogen helemaal vooraan zitten naast de chauffeur. Het blijkt dezelfde man te zijn aan wie we de ticketjes gekocht hebben. We vertrekken bij ondergaande zon, iedereen lijkt goed genesteld te zijn. Hoelang deze tocht zal duren is niet echt duidelijk, het kan 24 uur of 72 uur worden. Veel hangt af van de staat van de weg en of het regenseizoen is of niet. Daarin hebben we geluk, we zitten in het droge seizoen. De weg is een aarden weg met de nodige putten en bulten. De chauffeur baant zich er vlotjes een weg door, hij heeft deze weg dan ook al menig maal afgelegd in zijn leven. Hij weet duidelijk wanneer het beter is om op of naast de weg te rijden, er zijn namelijk talloze natuurlijke zijwegen ontstaan. Alles gaat goed tot op een gegeven moment hij naast de weg wil raken, over een aarden hoopje moet rijden en vastraakt met het chassis. Ok, hup, iedereen uit de wagen en duwen maar! Alles verloopt gelukkig vlot, na vijf minuten duwen raken we uit onze put. Ondertussen is mijn oog gevallen op iets blinkends op de stoel van de bestuurder. Jawel, de chauffeur rijdt met een revolver onder zijn kont. Het is mogelijk, heel zelden weliswaar, dat er rovers langs de route staan. Dan moet de chauffeur voorbereid zijn é! (We praten hierover met onze bestuurder en hij laat ons weten dat dit écht normaal is in Guyana… We wennen langzaam aan…)

De nacht is ondertussen volledig gevallen. Naast het laveren tussen de overvloedig aanwezige putten, moeten we ook over verschillende brugjes passeren. Deze zijn telkens mooi aangegeven met een ‘narrow bridge’-verkeersbord. Het blijken smalle gammele houten constructies te zijn waar net één auto aan maximum 5 per uur over kan rijden! We maken opnieuw vaart en klang … platte band. Dat kan gebeuren. Omdat ik naast de chauffeur zit, vraag ik zo langs mijn neus weg “hoe vaak komt een platte band voor?”. “Eén keer op vijf” is het antwoord. Die mannen zijn duidelijk ontzettend getraind in het vervangen van een platte band, want 10 minuten later zit één van de twee reservebanden al gemonteerd.

Het wordt al snel duidelijk dat we niet de hele nacht door zullen rijden, maar een noodgedwongen slaappauze zullen hebben. De weg tussen Lethem en Georgetown ligt door een nationaal park. Dit park wordt gesloten tussen 16u en 4u ’s morgens om de plaatselijke fauna te beschermen. Om 23u houden we halt in een klein campement dat duidelijk voorzien is om alle passerende klanten te voorzien van een hangmatplek. Om even voor 4u. worden we gewekt om zeker bij openingstijd aan de ingang van het park te staan voor de controle: iedereen uit de wagen, paspoortcontrole, bagagecontrole, controle van het busje … Alles samen duurt het zeker meer dan een  uur tot alles goedgevonden is.

Voor de onoplettende toerist lijkt zekers niets fout met deze controles. Wat wij ons echter afvragen… Waarom wordt de bagage van de aanwezige vrouwen telkens gecontroleerd en wordt er helemaal niet geraakt aan de bagage van de 6 aanwezige goudzoekers?… Goudzoekers die onderweg verschijnen uit en verdwijnen in de dichte jungle.

Tot een halfuur voor het arriveren in Georgetown, verloopt alles behoorlijk vlot: nog zeker vijf politiecontroles, vijf koffiestops en een ferry overtocht. Aan de banlieues van G-town is er nòg een politiecontrole, ditmaal een controle van de papieren. Na vele luide woorden en dreigementen van onze chauffeur aan het adres van de agenten blijkt de verzekering van de auto verlopen. ‘Verdorie! We waren er bijna!’ We moeten naar het politiekantoor rijden met een taxi als geïmproviseerde combi achter ons. Onze chauffeur is ondertussen verwoed aan het telefoneren, gaat ook zonder gêne buiten de auto telefoneren terwijl de ‘flikken’ wachten, vermoedelijk omdat wij nog in de auto zitten en niet mogen meeluisteren. Wij zijn op dat moment nog de enige gasten in de auto, naast vier goudzoekers die op één of andere manier gelinkt zijn aan het ‘busbedrijf’. Vijf minuten later belt DE baas – vermoeden we – naar onze chauffeur; deze neemt op; stampt op zijn rem; gaat direct langs de kant van de weg staan; loopt met de telefoon naar de politiechef; minder dan 20 seconden wordt er gebeld en het probleem is opgelost. Geen vuiltje aan de lucht. Het is duidelijk, DE baas die heeft zijn connecties.

Oef, wij zijn blij dat we na een rit van 21 uur aankomen in G-town! De chauffeur legt voor de derde keer uit dat zijn organisatie naast bussen ook kamers heeft. Wij houden niet van zijn opdringerigheid maar uit beleefdheid gaan we toch eens een kijkje nemen. Het blijkt een ontzettend muffe kamer te zijn, in een groezelig pand met eindeloze gangetjes voor 4000 Guyanese dollar (+/- 17 euro). Wij bedanken vriendelijk en zeggen dat we nog eens zullen rondkijken iets dichter bij het centrum (lees: iets verder van deze goudmaffia). Eenmaal beneden horen we dat DE baas ons roept. Wij zijn nog een beetje versuft van de busrit en weten nog niet helemaal goed wat ons overkomt. We gaan door een eerste ruimte met de nodige shotguns, een tweede ruimte met nog een bewaker om tot slot in een klein bureautje te komen, net genoeg plaats om een bureau, één zetel en een tv-scherm met er op 10 camerabeelden te plaatsen. Achter het bureau zit een zwart-Indische man met tien gouden ringen aan elke hand, vijftien kilo gouden kettingen rond zijn nek en een revolver naast zijn rechter hand en hij vraagt aan ons: “Waarom bevalt je de kamer niet? Ik kan er 3000 van maken.” “Wel eeuuhhh, we houden er van om nog eens rond te kijken….” stamelden we. We bedankten hem nog eens voor de busservice en snel weg waren we. We zijn ze gelukkig niet meer tegen het lijf gelopen tijdens onze dagen in G-town.

Hartelijkheid

De laatste ontmoetingen in Brits Guyana, overtreffen de onaangename ervaringen van de eerste dagen. Tijdens ons avondmaal op zondagavond in een klein bartje-hoekrestaurantje, aangezien al de andere zaken dicht zijn, raken we aan de praat met vier kerels van middelbare leeftijd die hun weekend komen bezegelen met een pintje. Vier gezellige kerels die geïnteresseerd zijn in wat wij als blanke toeristen in G-town komen doen. We vertellen ons verhaal, onze lange en langzame tocht naar het Zuid-Amerikaanse continent, ons bezoek aan Venezuela, en hoe langer hoe meer raken ze geïntrigeerd. Op onze beurt vragen wij hen natuurlijk uit over alle bijzonderheden van de capital en Guyana in het algemeen. Zij blijken alle vier voor de overheid te werken en blijken behoorlijk trots te zijn op hun land. Trots is iets wat bij de Guyanesen primeert. Vaak vertaalt dit zich in een vijandige houding ten opzichte van blanke Europeanen (“go home”, “what are you doing here”,… hoor je al eens op straat), maar dus niet bij deze sympathieke kerels die ons een positief beeld van hun land willen meegeven.

Zij willen aantonen dat het land bijzonder veel toeristische attracties kent en dat de inwoners eigenlijk wel net heel hartelijke mensen zijn. Wanneer we hun vertellen over de vijandige houdingen van enkele landgenoten zeggen ze dat er nog veel werk is in de opvoeding en laten ze ons begrijpen dat het kolonieverleden nog niet veraf is en dat de bevrijding niet zonder slag of stoot verliep. Wanneer we vragen naar de problemen omtrent de golddiggers die illegaal werken voor ‘legale’ bedrijven die niet gecontroleerd worden, verzekeren ze ons dat dit bijna opgelost is. Het is duidelijk dat ze de problemen willen ontkrachten, maar tegelijk werkt hun enthousiasme aanstekelijk en willen we echt geloven dat het land in de goeie richting gaat.

We nemen de proef op de som, we gaan in op de uitnodiging van Terry om mee te gaan naar een wel heel specifieke bar. We worden verwelkomd door allerlei schaarsgeklede dames, videoschermen die niet veel aan de verbeelding overlaten en door een knappe dame die haar kunsten laat zien in een paaldans. De vrienden van Terry voelen zich duidelijk ook niet op hun gemak om een jong toeristisch koppel mee te nemen naar deze bar en al snel wordt duidelijk dat er op zondag toch niet veel te beleven valt. We lachen er allemaal hartelijk om en we verplaatsen ons naar een ‘normale’ bar met een gezonde mengeling van mannen en vrouwen ;-).

De volgende dag worden we opnieuw getrakteerd op heel wat hartelijkheid, ditmaal op een heel andere manier. We nemen één van de vele minibusjes of collectivos richting Corriverton, de grens met Suriname. Samen met +/- 20 passagiers zitten we gezellig bijeen gepropt voor een uur of drie. Naast ons zit een zwarte man in een chique kostuum, duidelijk op weg naar huis na een dag werken. In tegenstellig tot de meeste Guyanesen, is het Engels van deze man heel erg verstaanbaar. De Engelse taal die normaal gesproken wordt, is niet zoals het ons bekende Britse Engels, maar een verbastering tussen Engels en het Creools, het deed ons een beetje denken aan dat andere Caribische Engels in Tobago en Trinidad. We raken aan de praat met deze sympathieke business man. De busrit wordt opeens een stuk aangenamer. Opnieuw wordt gesproken over het land Guyana en de politieke problemen (de tegenstelling tussen de Afrikaanse bevolking en de Indische bevolking, de religieuze verschillen…). Het is duidelijk dat iedereen in de bus meeluistert naar dit gesprek, maar niemand anders neemt deel. En dát blijkt het grote probleem van dit land: Er wordt tussen de Indische hindoe bevolking en de zwarte Christelijke bevolking niet gepraat over politiek. Elke groep heeft zijn eigen partij en elke partij bevoordeeld de eigen bevolkingsgroep. Zelfs goeie vrienden die over hun verschil in cultuur en religie kunnen praten, halen het politieke thema niet aan; dat doe je enkel met personen van je ‘eigen groep’.

En wij zijn eventjes in deze kleine bus de kleine ‘crack’ die zorgt dat er wel eenmaal luidop gepraat wordt over politiek. Er wordt meegeluisterd, er wordt in stilte meegedacht, er hangt duidelijk een spanning, maar wij en onze gesprekspartner zijn hier blij om… Alles begint volgens ons met erover praten, al moet je als buitenstaander weten dat jij het verschil niet zal maken.

We rijden ondertussen voorbij rondlopende koeien en kunnen een fantastische zonsondergang bewonderen.

Zoals het echte reizigers betaamt, wisten wij helemaal nog niet hoe en waar we onze avond aan de grens zouden doorbrengen alvorens we de volgende dag met de boot tot in Suriname zouden raken. Tijdens het gesprek kwamen we erachter dat Clive, tot drie weken geleden in G-town woonde, maar sinds kort het ouderlijk huis van zijn vrouw bewoont samen met hun twee kinderen Eden en Naima, in ‘dorp 67’. Geen idee waar het ene dorp eindigt en waar het volgende dorp begint, de bebouwing lijkt bijzonder goed op onze welbekende lintbebouwing. Zijn vrouw, Celina, is een biochemiste met Indische roots, samen hebben ze zich bekeerd tot de islam. Zonder meer is dit een grote uitzondering in een samenleving waar verschillende religies schijnbaar goed samenleven, maar eigenlijk naast elkaar leven.

Zoals het door de Islam is voorgeschreven, nodigen zij ons uit om de nacht bij hen door te brengen. We worden heel hartelijk onthaald, we krijgen avondeten en kletsen we op hun terras de avond vol. De volgende morgen worden we nog verwend met vers gemaakte pannenkoeken. Ze staan erop om ons tot aan de grens te brengen en te begeleiden tot wanneer we op de veerboot zitten. Onderweg houden we nog even halt bij een suikerbedrijf. We verlaten Guyana met een compleet ander beeld dan waarmee we aangekomen zijn.

De wondere wereld van Roraima

De tafelberg Roraima is een machtige brok natuur die omgeven is door een band van moglie-achtige jungle en torenhoog uitsteekt boven het zacht glooiende landschap van de Gran Sabana. Het is de inspiratiebron voor de Walt Disney-Pixar tekenfilm ‘UP’, waarin een oude grompot met zijn vliegend huis aan een gigantische bundel gekleurde ballonnetjes noodgedwongen op reis gaat naar de andere kant van de wereld, naar de fictieve ‘paradise falls’ op de berg Roraima, op zoek naar zijn dromen van weleer. Wij trekken als jonge avonturiers ook naar dit wonder der natuur. Niet met ons huis, enkel met onze rugzak. Wel… ondertussen staat onze rugzak een beetje gelijk aan ons huis.

Zoals dat op deze reis af en toe al eens gebeurde, loopt de organisatie van deze klim heel spontaan en rollen we als vanzelf van de ene gebeurtenis in de andere. We zitten op de bus van Ciudad Bolívar naar Santa Elena, een grensstadje met Brazilië. Een busrit van 10 à 12 uur. Over het algemeen wordt over deze lijn ’s nachts gereden, gezien de grote afstanden. Wij wilden deze rit daarentegen overdag doen omdat onze reisgids ons aangegeven had dat dit een wonderbaarlijke rit is met fenomenale zichten. Een eerder toevallige keuze die de rest van dit verhaal mogelijk maakte.

Op verkenning in het busstation om 5u op de zondagochtend van het carnavalsweekend. Eén van de meest chaotische busstations die we in de afgelopen maanden te zien kregen: het is een plein waar minimum 50 bussen staan te wachten, allerlei verschillende maatschappijen in evenveel verschillende kleuren en motieven. De plaats lijkt tegelijk op een groentemarkt omdat er minstens evenveel eet- en sapjeskraampjes staan als bussen. Aan loketten doen ze niet mee in Venezuela en aan uurtabellen nog minder, dus je bent aangewezen op rondvragen en elke verkoper heeft het over andere uren en prijzen… We hadden de tip gekregen om ’s morgens om 5u naar het station te trekken om een ticketje te bemachtigen, voor een bus die normaal pas 12u later zou vertrekken. Jawel, anders zijn deze tickets al uitverkocht (vreemde systemen aan de overkant van de oceaan). Na wat rondvragen komen we erachter dat er ook een bus vertrekt om 6u ‘s morgens. Onze bus blijkt een kleine gele speedo met allerlei vlammenmotieven. (we voegen een foto van de bus toe voor designstudio Sam B.)

Wij slaan nog even de laatste koekjes en wat vocht in, want we weten nog niet echt wat ons te wachten staat voor onze eerste lange busrit van deze reeds 4 maanden durende reis. Het is beter om op alles voorbereid te zijn.

Na ongeveer 30 minuten rijden, houden we voor een eerste keer halt bij een controlepost, de eerste van talloze keren! Een controlepost: dat kan de guardia zijn, de lokale politie, de federale politie, het leger, de douane … Na de derde stop beslissen we te turven: in totaal worden het 19 controleposten waarvan 5 met onderzoek in de bus.

Wat gebeurt er dan bij zo’n bezoek? Mannen (of soms ook vrouwen) in een van de vele kostuums of in legeroutfit (altijd perfect tot in de puntjes) komen binnen in de bus, zeggen meestal geen woord, kijken boos (ze moeten toch hun autoriteit tonen), vragen aan willekeurige personen hun paspoort, vragen aan sommige personen hun bagage te tonen – of omgekeerd: ze nemen een stuk bagage en vragen wie de eigenaar is … Over het algemeen hangt een ongemakkelijke stilte. Af en toe breekt iemand in protest uit.

Veel controles, meer dan in de rest van dit anders al behoorlijk militaristische land. Deze rit verloopt dan ook voor 500 van de 800km door een goud- en drugsregio. Eén van de stops die ons bijbleef: er wordt een jonge man gevraagd zijn identiteitsbewijs te tonen, maar hij heeft dit niet (bij). Hij wordt op staande voet meegenomen naar een klein hokje naast de weg, vermoedelijk ter ondervraging. We zien hem er niet meer uitkomen. De bus vertrekt na vijf minuten zonder hem. Wij zijn wat verbouwereerd over wat we net observeerden, maar we veronderstellen dat we al blij mogen zijn dat er niet te veel aan ons is gevraagd.

Wat kunnen we doen tijdens één van de vele stops en tijdens de vele momenten van wachten? Een babbeltje slaan natuurlijk! We hadden in onze ooghoeken al gezien dat er een groepje vrienden, dat wandelstokken bij zich had, opgestapt was. (Wat zouden ze van plan zijn?). We halen ons beste Spaans boven (op dat moment gaat dat nog niet zo vlot), en vragen ze uit over de vele controleposten. Uiteraard vermelden we langs onze neus weg dat we eigenlijk op doortocht zijn naar Roraima. Wonder boven wonder en heel toevallig, zijn zij ook van plan deze te beklimmen en zit hun gids op de bus.

Wanneer de bus één uurtje later een middagpauze houdt en er even tijd is om wat te knabbelen, gaan we samen met de groep op tsjok. Het is al snel beklonken: we worden uitgenodigd om met hen de Roraima te beklimmen, wat we met plezier aannemen! We worden deel van hun groep: zes Venezolanen uit Caracas samen met twee Belgen. We bestellen cachupa, een dikke maïspannenkoek met een buffelmozarella-achtige kaas.

Eens aan tafel wordt hun onderlinge link duidelijk: vrienden uit de sportclub die elke dag minimum één uur sporten alvorens de dag te beginnen… We wezen gewaarschuwd!! Voor ons was het duidelijk, we waren met ons gat in de boter gevallen om deze tocht te ondernemen: de tocht kostte slechts de helft van de tochten georganiseerd voor toeristen en continu praten met zes Caracassers in het Spaans, een onderdompeling in de Venezolaanse cultuur op alle niveaus.

De volgende dag krijgen we nog een dag rust want er deden een paar van de vrienden mee aan een triatlon. Waarom ook niet… net voor een vijfdaagse bergwandeling een paar kilometer zwemmen, fietsen en lopen? Ons stelde dat enigszins gerust dat er toch een paar lieden niet in topconditie zouden zijn.

De tocht zelf begint met een jeeptour van 30 kilometer om ons naar het laatste bereikbare dorp voor Roraima, Paraitepui, te brengen. We zitten lekker op elkaar gepropt achteraan in de Toyota Landcruiser: wij acht samen met de gids Gumercindo en de drie draagjongens die al het eten en het kookgerief dragen (in de traditionele rieten draagrugzakken). In Paraitepui worden we nog een laatste keer geconfronteerd met administratieve rompslomp: inschrijven in het natuurpark en ingeënt worden tegen een plaatselijke variant van de mazelen. De eerste dag is een makkelijke dag waarop we goed voortmaken: een dag van platte kilometers in de Venezolaanse Gran Sabana. We leren elkaar al een kleine beetje kennen, iedereen babbelt met iedereen, voornamelijk in het Spaans en een allerminimum Engels (om het voor ons wat te verlichten). Het is fantastisch dat zij ons allemaal zo hartelijk opnemen in hun groep. Geen enkele persoon heeft ook maar enig bezwaar gemaakt op onze deelname. Wij vragen hen wat uit over wat ze doen, waarmee ze bezig zijn, wat ze over hun land vinden, hoe ze de politieke situatie inschatten, hoe ze ten opzichte van de Verenigde Staten staan, hoe ten opzichte van hun buurlanden …

Het thema politiek wordt meerdere malen aangehaald (meestal door de mannen), niet alleen tijdens deze tocht, maar tijdens onze volledige maand in Venezuela. Het is onmogelijk om het niet over dit thema te hebben. Iedereen, echt iedereen, wil graag zijn ei kwijt aan een buitenlandse observeerder over hoe hij /zij over de politieke situatie denkt. Het is een uitdaging voor ons om tussen de zwart/wit uitspraken pro/contra Maduro alle grijze tussenlagen te vinden. Het is daarom zo interessant om met deze groep te discussiëren, de groep is gevarieerd pro en contra en er wordt echt fundamenteel dieper ingegaan op de complexe problematiek. We blijven voor het eerst niet aan de oppervlakte van de discussie steken. (In een volgende blog mogen jullie je aan een blik op de politiek verwachten)

Tussen alle gesprekken in – we zouden het bijna vergeten – bewonderen we de fenomenale landschappen van de savanne: groene uitgestrekte glooiende vlaktes met aan het einde van de horizon de hoge platte tafelbergen, die als robuuste eilanden in het landschap staan. Wanneer we deze voor het eerst zien, zijn ze gehuld in een grote witte mist. Onze gids weet ons te vertellen dat sommigen de Roraima, zelfs na 10 keer deze tocht te ondernemen, nog steeds niet zonder mist gezien hebben.

De tweede ochtend ontwaken we om 5u en we worden meteen verwend! We krijgen een helder uitzicht op zowel de volledige Roraima berg als zijn broertje de Kukenan. We zien meteen wat er van ons verwacht wordt op deze tweede dag: een beklimming van meer dan 1300 meter. Tijdens de voormiddag wandelen we steeds dichter naar de muur en zien we de indrukwekkende verticale wand steeds hoger en hoger opdoemen. We passeren het laatste base-camp aan de voet van de berg, een laatste rustpunt voor de werkelijke klim.

We verlaten de Savanne voor een klimwerkje over gele trapstenen, we werken ons door een deel oerwoud, we klauteren door verschillende bosvormen in de groene band rond de berg tot we werkelijk langs de rotsige wand passeren. Het voelt net als the Wall die John Snow samen met de Wildlings moet temmen. Gelukkig doen we dit niet zoals hen, klimmend langs de verticale wand, maar langs de enige normale wandelroute omhoog. Een route langs uitgehouwen trappen, door een waterval – die op dit moment gelukkig behoorlijk droog staat – om tot slot het laatste deel omhoog te klimmen tussen grijze blokken. Wij hebben geen ballonnen gehad om ons naar boven te hijsen, maar onze benen hebben het, enkele uren later, niet begeven EN we waren niet te laatsten van onze sportieve groep! HOERA!

Het landschap boven zou het landschap van een andere planeet kunnen zijn: een gigantische massa grijze rotsen, die 3 miljard jaar oud zijn, met groeven die groter zijn dan één meter. Af en toe is er een grote stenenmassa die er als een alien uitziet. We ervaren met onze eigen zintuigen dat deze wereld gedurende miljoenen jaren volledig afgesloten was van de ‘benedenwereld’.

Voldaan maar uitgeput zoeken we een geschikte slaapplaats voor onze tenten. We zijn op zoek naar een hotel zoals ze dat noemen: terrassen in de rode steenmassa’s die gedurende eeuwen uitgesleten werden door regen en wind. Na onze tent geïnstalleerd te hebben, vernemen we van de gids dat er een jacuzzi aanwezig is waar we ons allen in kunnen baden. In de laatste avondzon wagen we ons aan een bijzonder frisse duik op 2700 meter hoogte. Verfrist en uitgehongerd keren we terug naar onze bivakplek waar we uitkijken naar het warme maal. Lang zullen we echter niet buiten zitten. We stellen vast dat de avond heel snel valt en dat de welgekende mist (die we reeds van beneden zagen) dan toch is teruggekeerd. Ijzig koud en vochtig! De enige oplossing is met acht gezellig dicht bijeen in één tent kruipen. Gezellig keuvelen we verder en we zijn blij dat we onze rum met hen kunnen delen.

Dag 3 van de tocht is een rustdag met verscheidene bezoeken bovenop de tafelberg: verschillende keren zwemmen in de riviertjes en watervallen, wandelen naar de randen van de tafel (proberen geen hoogtevrees te hebben), zichten op de andere Tepui krijgen … We sluiten die dag af (en bereiken mentaal het einde van de Roraimatrip) met een fenomenale zonsondergang. We wandelen naar het hoogste punt van de Roraima: ‘punt Maverick’ (wanneer je onderaan de berg staat, lijkt het silhouet van deze rots op een auto). Daar kunnen we de volledige hoogvlakte van deze berg – en die van de Kukenan – bewonderen. We zien de zon boven de savanne dalen en de contouren van deze machtige tafelbergen steeds scherper afsteken tegen het zachte glooiende landschap. We kletsen na in de laatste avondzon, nemen de laatste groepsfoto, en wanneer de zon werkelijk ondergaat, kijken we uit over de uitgestrekte magische Venezolaanse vlaktes die rood, geel en blauw kleuren.

Fauna & flora in de Orinoco-delta

We hebben ons genesteld in het gezellige Pequeña Hotel onder de vleugels van uitgeweken Italiaan Donato en diens Cubaanse vrouw Marizza in het mini stadje Tucupita, Venezuela. Van hieruit plannen we het vervolg van onze trip in het nieuw aangekomen land. In eerste instantie waren we niet van plan om een boottripje op de Orinoco te ondernemen. Na de laatste boottocht wilden we toch even land onder onze voeten voelen, maar al snel kwamen we erachter dat dit toch één van de must-see’s van het land is. Opnieuw het water op!

Het onevenwicht tussen toeristen en aanbieders van deze trips is opmerkelijk. Om de haverklap worden we aangesproken door iemand die zeker dé beste tour aanbiedt! Als enige toeristen – of gringo’s – in deze uithoek van Venezuela, vallen we dan ook nogal op. Zoals alles in Venezuela begint ook dit met onderhandelingen. Na even heen en weer getelefoneer tussen ons en aanbieder Antonio, waar Donato ons bijstaat zowel in de Spaanse taal als de invulling van de trip, regelen we een driedaagse tocht met twee overnachtingen voor 10.000 Bolívar per persoon (=65€ PP), all-in! We voelen ons in onze nopjes met deze goede deal!

Zaterdagmorgen om 9.00u worden we aan onze Posada opgehaald door Antonio en zijn chauffeur. We weten nog niet zo goed waar we ons allemaal aan moeten verwachten. De auto laat alleszins niet veel aan de verbeelding over. Het lijkt erop dat dit vehikel (de eerlijkheid gebiedt ons te zeggen dat dit voor de meeste Venezolaanse auto’s geldt) zelfs na vijf grote onderhoudsbeurten niet door de Belgische keuring zou raken: de ruit is dichtgeplakt, één van de achteruitkijkspiegels is afgebroken, de veren of de schokdempers hebben hun beste jaren achter de rug, uiteraard werken niet alle lichten … Onderweg houden we bovendien nog even halt bij een autoshop om olie te kopen – later blijkt dit niet voor de auto te zijn, maar voor de motor van de boot.

Eenmaal bij de rivier aangekomen tussen groezelige huisjes in een smal straatje, ligt ons bootje (geschatte grootte: 4m lang en 1m breed) met een andere gids José (??) op ons te wachten. Antonio blijkt helemaal niet mee te gaan (we laten dan toch ook even ons ongenoegen blijken). We worden overhandigd aan de op het eerste zicht schuchtere kerel José, die de broer of één van de broers blijkt te zijn van Antonio. Op dat moment valt onze symbolische frank dat we José als eens eerder waren tegen gekomen op straat, als één van de vele verkopers. Toen geloofden we hem niet toen hij zei dat hij de broer was van Antonio. De inheemse Venezolanen lijken te veel op elkaar voor ons. De wereld is blijkbaar ook in Tucupita klein.

We worden ingeladen samen met een frigobox, die ons de hele trip zal volgen – met líters frisdrank. ONVOORSTELBAAR!! In alle winkels, supermarkten, bars, wegrestaurantjes … staan de flessen frisdrank per lopende meter geëtaleerd, alle mogelijke merken en soorten zijn verkrijgbaar. Er is alleen een kleine naamsverandering gebeurd, ze krijgen een Zuid-Amerikaanse variant vb. Sprite wordt Chinotto, Fanta wordt Hit. Het is dan ook veel gemakkelijker om een fles Cola of Fanta te kopen dan een fles water.

Het is nog even wennen aan ons nieuwe, kleine vervoersmiddel – wij zijn dan ook nog steeds niet echt bekomen van de laatste boottocht tussen Trinidad en Venezuela. We inspecteren de boot, uit macht der gewoonte, en stellen al snel vast dat het water langs verschillende plekken binnenstroomt, afhankelijk van snelheid en zitpositie. Het goeie nieuws: hoe sneller we gaan, hoe minder water! Iedere boot heeft dan ook een klein emmertje (of iets wat hiervoor moet doorgaan) als waterschepper in de boot liggen.

Onderweg blijkt onze eerste boottocht al heel snel meer te zijn dan transport van plaats A naar plaats B. HEERLIJK!! Onze gids José stelt ons al snel gerust door te zeggen we veel foto’s moeten nemen en remt ook steeds af wanneer, zowel hij, als wij iets zien bewegen. Als eerste diersoort treffen we kleine rode Capuccijnenaapjes in de dichtbeboste oeverzijden, ze doen ons denken aan de aapjes die we getroffen hebben in de zoo van Port Of Spain, Trinidad. Later blijken dit de enige apen die we zullen zien, de andere zullen we alleen horen brullen als leeuwen. Na deze stop maken we opnieuw snel vaart met onze rode speedboot. We blijven de oevers afspeuren om iets van leven te spotten, maar het is José die teken doet naar het midden van de rivier. Daar zien we een hele groep rivierdolfijnen rond ons zwemmen, springen, salto’s maken … We stellen vast dat ze heel goed gelijken op hun zeevarianten. We kijken niet alleen rond, we horen ook allerlei bizarre en vaak onherkenbare geluiden. Een krijsende schreeuw wordt steeds duidelijker en wordt ook steeds overheersender. Vijf seconden later vliegt er een volledige school papegaaien voorbij in geel, groen en fel blauwe kleuren. Wij kennen deze dieren normaal alleen maar zittend in een kooi of in de zoo waar ze amper kunnen rondvliegen. Hier zien we ze aan hoge snelheid voorbij sjeezen van de ene kant van de rivier naar de andere kant. Naast papegaaien zien we ook talloze andere types vogels: witte ranke vogels (Snowy Egret voor de kenners, de gids had ons verteld dat dit de nationale vogel was, blijkt eigenlijk niet correct te zijn), rode sierlijke vogels (of de rode Ibis) …

Hoe langer we op onze rode speedboot zitten, hoe meer we het landschap langs de oevers zien veranderen. Ter hoogte van Tucupita zijn de oevers duidelijk zichtbaar en berijdbaar met allerlei voertuigen, is de flora heel wijd verspreid en is een ver zicht mogelijk door de velden van de Finca’s (boerderijen). De plantenstructuur wordt langzaamaan denser, de planten tropischer en het woud ondoordringbaarder. Het land maakt langzaamaan plaats voor de duistere wereld van de mangroves.

Na drie uur varen, met alle nodige stops om de fauna en flora te bewonderen, komen we aan op onze bestemming. Het is het huis van de vader en moeder van zowel José en Antonio (en nog talloze andere broers en zussen, zullen we later ontdekken). Wij treffen er op dit moment een neefje van José samen met zijn vrouw (19 jaar oud) en hun twee kinderen van 3 en 1 jaar oud. Maar ook nog een andere broer met zijn vrouw en kind, vier honden, een aantal ‘barberi’-eenden, kippen en een huispapegaai. Het is een bizarre mix tussen een authentiek huis en een omgevormde toeristenattractie. Het woonhuis van de ouders is een opgekalefaterd gebouw in snelbouwsteen met golfplaten, het nieuwe materiaal waar alle daken in de Orinocodelta (en ver daarbuiten) in worden gemaakt. Onze slaapplaats daarentegen is een traditioneel gebouwd hutje met houten wanden tot 1,20m hoog en een dak van palmbladeren (die veel beter de warmte buiten houden). Het meubilair in onze hut is even schaars als in hun huis: hangmatten (met muskietennetten) of bedden om in te slapen en één tafel met bank om aan te eten. We krijgen even de tijd om onze spullen uit te pakken en ons thuis te voelen. We verkennen snel de rest van het terrein. We ontdekken een amalgaan van oude ineengevallen woonvertrekken, een voormalige toeristische hut, een gigantische hoop kokosomhulsels, het nodige rondslingerende afval, een HUDO-hutje en drie aanlegsteigers.

De bevolkingsgroep in de Orinoco Delta wordt de Guarau-gemeenschap genoemd, mensen die met de kano varen zoals letterlijk vaak vertaald wordt. Het is een groep van meer dan 30.000 mensen die verspreid langs de Orinoco rivier woont, afzonderlijk of gegroepeerd in palendorpen. De meningen over deze bevolkingsgroep, die we hoorden, zijn unaniem. Zowel inwoners uit Tucupita, als Caracas, als onze Italiaanse host lieten zich negatief uit over de Guarau. Het is een volk dat zich goed voelt in zijn huidige ledige en nietsdoende staat, in hun karige huizen op palen langs de rivier zonder enige bezittingen. Voor ons voelt het dan ook heel bevreemdend en ongemakkelijk om op bezoek te gaan in een palendorp waar in het pallisadepad meer openingen zitten dan planken, waar huizen geen muren hebben, waar geen meubels staan, iedereen ofwel op de grond zit of in de hangmat hangt, waar de weinige bezittingen (in plastiek samen met al het afval) die ze hebben in het rond slingeren zonder enige zorg. We bezoeken niet het toeristische ideale kamp, zoals velen, maar krijgen een blik in de naakte werkelijkheid.

Wanneer de avond valt, wordt duidelijk dat er quasi geen elektriciteit is. Ze hebben een generator, want er staat een televisiescherm in de enige gemeenschappelijke ruimte, maar die wordt slechts op gerichte tijdsstippen gebruikt. Avondverlichting wordt gemaakt met twee oude verfpotten gevuld met brandende benzine. Jawel, je leest het goed, er worden liters benzine verbrand niet alleen als verlichting maar ook als amusementswaarde. Hun aanlegsteigers zijn de ophoudplek voor talloze drijvende groene plantenmassa’s die massaal muggen aantrekken. Ze gieten een emmer benzine uit over dit drijvend geheel om dit erna te ontsteken. Welgeteld 10 seconden is er een vlammenzee waarna deze automatisch uitdooft. Hallucinant! De reden waarom er zo kwistig met benzine wordt omgegaan is de belachelijke prijs. We vernamen dat een tank van 80 liter wordt gevuld voor 5 Bolívar fuerte, wat omgerekend minder dan één eurocent is. Logisch (?) dat environment issues hier niet aan de orde zijn.

Het is eigenlijk pas de tweede dag dat onze excursie echt begint. We starten de dag om 7u met koffie en een plaatselijk ontbijt: arepa (een vers gebakken maïsbroodje) met ei en platanos (gebakken banaan). Alles wordt geserveerd in plastieken borden en koppen. Het wordt voor ons snel duidelijk dat er hier aan (Chinees) plastiek geen gebrek is. (Zo wordt bijvoorbeeld de koffie in alle koffiezaakjes geschonken in plastieken wegwerptassen. Aan recyclage wordt hier eenvoudigweg niet gedaan.) We vertrekken twee uur later samen met José’s neef die hem tijdelijk bijstaat richting een klein zijarmpje van de rivier, voor het eerst werkelijk het oerwoud in. We worden echter nog even op onze honger gesteld, want veel nieuwe diersoorten krijgen we hier niet op ons bord geschoteld. We horen wel het brullen van de apen. José maakt me al lachend wijs dat er tijgers in de bossen zitten en voor een fractie van een seconde geloof ik hem. De rest van de dag is een duizelingwekkende opeenvolging van verschillende uiteenlopende activiteiten. We bezoeken een dens stukje mangrove-woud, waar we amper binnenraken met de boot. Alle kerels moeten uit de boot springen om ons vehikel vooruit te duwen. Even een voordeel om een vrouw te zijn, want echt happig ben ik niet op de modderboel vol beestjes. Later op de dag krijgen we sowieso nog een modderbad voor onze voeten tijdens een korte wandeling op een nieuw aangespoeld eiland. De grond is het best vergelijkbaar met drijfzand waar je niet in vast wil raken. Op die excursie moeten we dan ook driemaal aanmeren met onze boot alvorens het zand enigszins hard genoeg is om op te wandelen. Je zakt in dit geval alleen maar tien centimeter in de grond weg. Het is een heel vreemde gewaarwording, vooral omdat je niet wilt komen vast te zitten in een modderpoel omgeven door een bruine rivier waar je geen twee centimeter diep kan kijken. Je vermoedt dat er ongetwijfeld gigantisch veel (on)gedierte zit rond te zwemmen. Toch weerhield ons dit er niet van om verschillende keren samen met de plaatselijke familie te zwemmen midden in de Orinoco rivier. Het moet gezegd zijn dat ook zij niet lang in het water blijven spartelen, want echt zwemmen kunnen ze niet. Er wordt lustig met spectaculaire salto’s van de boot gesprongen, maar er wordt even snel terug geklommen in de boot. Het wordt voor ons ook al heel snel duidelijk dat dit niet alleen hun manier is om een douche te nemen, ook hun kleren worden op die manier meegewassen aangezien ze met alles aan in het water springen.

Na een mini maaltijd worden we onmiddellijk opgehaald voor een kanotochtje in een uitgeholde boomstam, zoals de plaatselijke bevolking. We voelen ons een beetje alsof we in een plaatselijke zoo met de Guarau als fauna zijn terecht gekomen. Het lijkt quasi een pretpark-activiteit (we zijn dan vermoedelijk ook niet de gemakkelijkste toeristen om tevreden te stemmen).

Wanneer we na een intense dag ’s avonds aankomen, weten we al uit ervaring dat de muggen in massale zwermen aanwezig zijn en vooral dat ze kunnen bijten. We vluchten direct naar onze veilige haven (ons muskietennet) om beschermingskledij met lange pijpen aan te trekken en deet over ons volledige lichaam te spuiten. Alles tevergeefs want we worden levend opgegeten – door onze kleren heen – door de muggen die duidelijk het witte vlees weten te appreciëren. We worden die avond nog getrakteerd op een nachtelijke uitstap. We varen nog even een aantal andere mensen terug naar hun huis, want de meeste Guarau hebben geen gemotoriseerde boten. In de terugtocht speurt José de oevers af met onze zaklamp. We weten niet goed naar wat we eigenlijk precies op zoek zijn. We zien af en toe eens een glittering in de donkere bosrand, we vermoeden dat het nachtuilen zijn. We blijven verder en dieper in een klein zijriviertje in de duistere nacht varen. We voelen dat José echt zijn best doet om toch maar iets te vinden, wij denken dat het tevergeefs moet zijn. Maar net op dat moment vallen zijn ogen op iets. We kunnen nog niets zien, maar dan … zien we twee ogen en een gladde hoop leder. Het blijkt een gele ratelslang te zijn. In de nacht valt er echter niet zo heel veel aan te zien. We beslissen om de volgende morgen terug te keren. Wonder boven wonder vinden we dezelfde boom heel snel terug. José begint in de boom te klimmen, slaat gedurende meer dan 20 minuten takken weg met zijn armlange machete. Ik dacht dat hij het zicht wou verbeteren, neen niets is minder waar: hij wil de boom makkelijk inklimmen. Na nog wat ‘groendienstwerk’ klimt hij een tweede keer in de boom met een lange stok in de hand terwijl wij onder het beest in ons bootje een klein beetje op ons ongemak zitten. Hij slaagt er in om het beest op de oever te smijten. Hij slaat het beest vervolgens verschillende keren. Wil hij de slang doden? Neen, hij wil het temmen om hem vast te nemen en in zijn nek te leggen. Hij is fier als een gieter.

Een mooie afsluiter van een geslaagd weekend vol uiteenlopende ervaringen en belevenissen.

Trintobagian vocabulair

Calypso = muziekgenre van midden 20e eeuw in Frans-Creoolse taal met trage Afrikaanse ritmes. Het is ooit ontstaan als ‘Voice of the People’, als een uitdrukkingsvorm van de conflicten in Trinidad/Tobago met (verdoken) commentaar op zowel sociale als politieke gebeurtenissen. Vandaag is deze muziek beter gekend onder het genre ‘Soca’ (zie verder). Elke dag komen we wel iemand tegen die deze muziek nog brengt, het blijft een ‘cultural heritage’.

Darling = werkman bij Sweetie Pie (zie verder), echte naam is Hewlitt. Maar is meer bekend onder zijn bijnaam Darling, voor ons toch eerder moeilijk om over onze lippen te krijgen… Het wordt al snel duidelijk dat iedereen in Tobago een bijnaam heeft, al vanaf wanneer ze klein zijn. Soms zijn deze bijnamen grof, soms positief, maar je kan die nooit in je leven nog veranderen.

(to) Lime = één van de meest gebruikte woorden op de eilanden! Het is onmogelijk voet aan land te zetten zonder in aanraking te komen met zowel het herhaaldelijk gebruikte woord ‘lime’, als met de alomtegenwoordige zichtbare betekenis. Het Engelse woord dat het dichtst in de buurt komt om de betekenis duidelijk te maken is ‘hangen’. Het is op een aangename wijze je tijd verdrijven met vrienden, een pintje te drinken, beetje niets doen, groentjes roken, beetje feesten, gewoon wat op het strand liggen. Wij hebben de eerste dagen na onze aankomst lustig geprobeerd ‘pro’s’ te worden in deze nationale gewoonte!

Maxi-taxi = het plaatselijke vervoermiddel, meestal een klein Toyota busje voor +/- 10 personen, maar evengoed een grotere bus. Iedereen die langs de weg staat, zelfs niet eens op een specifieke busstop, wordt meegenomen voor het bedrag van 4 tot 14 TT dollar of 50 cent tot 2 euro. Zo zijn wij bijvoorbeeld zeer vlot van Charlotteville tot aan Scarbourough geraakt, een rit van één uur. Op de internationale reiswebsites stonden enige veiligheidstwijfels vermeld over dit vervoersmiddel, maar ter plekke hebben wij hier geen enkel probleem mee ervaren.

Roti = een plaatselijke variant van een Indisch gerecht dat wordt gegeten als middagmaal, als tussendoortje of als late avondsnack (25 TT dollar of 3,5 euro). Het is een hartige (en gigantische) pannenkoek gedrenkt in currypoeder die wordt gevuld met kikkererwten, patatten, eend of schaap … Het deed ons denken aan een kruising tussen een veel te hoge hamburger en een uit de kluiten gewassen durum, geen van beide valt op deftige wijze op te eten, maar het smaakt des te meer.

Soca = is een moderne up-tempo muziekvariant van de Calypso. Het is momenteel zo populair dat dit overal op het eiland te horen is, in alle cafés, winkels, maxi-taxi’s … Het is onmogelijk om te ontkomen aan de hitsige ritmes waar iedereen op meebeweegt, niet alleen omdat het overal wordt gespeeld, maar vooral omdat het volume van deze muziek je bijna naar oordoppen doet grijpen. Wij concluderen dat mensen op dit eiland een gehoorprobleem hebben.

Steelpan = nationaal symbool en muziekinstrument van Trinidad en Tobago, gemaakt en gevormd uit het bovenste deel van een ‘barrel’ of metalen olievat, mogelijk in alle maten en vormen. We hebben zelfs een Italiaanse zakenman ontmoet die speciaal naar Trinidad komt om een collectie ‘steelpans’ te laten maken in één van de enige fabrieken ter wereld, om deze op zijn beurt te exporteren naar Europa. In het dorpje Buccoo hebben we dan wel geen Sunday School (zie hieronder) meegemaakt, we hebben wel de halve finale van de Single Steelpan Competition (samen met de minister van cultuur) kunnen aanhoren. Vijf muziekgroepen van ongeveer 50 man die de ziel uit hun lijf kloppen op eigen gemaakte variaties van zowel plaatselijke als Amerikaanse nummers. De winnende groep krijgt een mooie som geld, maar mag vooral vooraan in de Carnavalstoet van Carnaval Trinidad lopen, één van ’s werelds grootste Carnavalfeesten.

Sunday School ≠ religieuze school, noch catechese van eender welke strekking, maar het feestconcept op ZONDAGAVOND van het eiland Tobago. Iedereen die het eiland bezoekt, kent de party op zondagavond in het kleine vissersdorpje Buccoo. Buccoo is hét feestmekka voor local en toerist. De plaats waar de laatste weekendcenten opgesoupeerd worden. Wij misten het bekende feest, maar kregen er genoeg kleine Lime-feestjes voor in de plaats. En er is in Buccoo nog wel wat meer te beleven… Naast 37 huizen, een wit strand en geitenrenbaan, is er in Buccoo ook het wondermooie koraalrif te bezichtigen. We hebben als luxebeesten genoten van een twee-uur durende uitstap met Captain Thomas en Mr. No (zijn kleine vissersbootje) naar alle bijzonderheden van de Buccoo rif. We hebben kunnen snorkelen met vissen in alle kleuren, een  moddergevecht houden op een, uit koraalsediment gevormd, eilandje, plaatselijke mangroves bekeken, een stukje ‘No-mans’-land bezocht en de tocht beëindigd met hét filmisch idyllische strand van Pigeonpoint. Caraïben ten top.

Sweetie Pie = de ‘landlord’ van ons eerste gasthuis in Charlotteville. Hij ziet eruit als een slordige zwarte man met lange (uiteraard niet gewassen) dreadlocks midden in zijn veertiger jaren. Het is moeilijk in te schatten of hij de conciërgeman is of toch mogelijks de eigenaar van de villa. Na menig gesprekken – zowel in nuchtigere toestand, maar meestal in een zoete waas van groentjes – wordt duidelijk dat hij de man is van een dokteres die op haar beurt eigenares is van de villa. We worden verwend in een appartement dat groter is dan ons vorig huis in de Zakstraat en zeker dan de 15m² van de boot. Perfect om de overtocht even te laten bezinken en een aangename afwisseling om even op adem te komen.

Tut = claxonerende korte tuut om aan te geven dat de gewone personenwagen of ‘route taxi’ passagiers kan meenemen. Alle wagens in Tobago en Trinidad hebben een zeer specifieke begincode  in hun nummerplaat. H = private taxi, T = transport, P = private auto, R = rental car. Wanneer een auto met een P een korte tuut geeft, is het duidelijk dat we met hem meekunnen tot een volgende plaats voor een minimale vergoeding. Het is een fantastisch efficiënt (en veilig) systeem, aangezien de bussen niet al te vaak (lees: 2 keer per dag) rijden.

Tuut tuut = één van de vele tuut-codes op de weg. Tweemaal kort claxoneren is een snelle manier om merci te zeggen aan een andere chauffeur.

TUUUUUT = “domme gast, waar ben jij mee bezig.” Die kennen we bij ons ook.

West-indies = zijn niet de mensen die in het westen van Indië wonen. In het Britse Imperium werd bij het benoemen van de Commonwealth volkeren een onderscheid gemaakt worden tussen de Indiërs in India en de Indiërs (of Indianen) die Christoffer Columbus dacht te hebben ontdekt. De Caraïben en de Guyana’s werden als West-Indies benoemd. Als gevolg van het koloniaal Brits verleden in Trinidad is bijna de helft van de bevolking Hindu, overgebracht vanuit India. (Toevallig in de periode dat de zwarte slavenbevolking een beetje in opstand kwam). De Hindu tempels getuigen hiervan.

(to) Wine = op een zeer suggestieve (sexy) manier dansen op de ritmes van Calypso of Soca. De man raakt de vrouwelijke verleidster niet met de handen aan, maar schuurt (of grind) zijn opperdijbenen tegen de hammen van het vrouwtjesdier aan.

Zulma ≠ een Trintobagions woord. Het is de vrees van elke reiziger die een zee over moet, de gereïncarneerde versie van Grendel. Ze is een veel te dikke vieze tante die samen met haar handlanger de enige veerbootdienst verzorgt tussen Cedroz op Trinidad en Pedernales in Venezuela. Wij vertrokken in dit – veel te kleine – bootje, met ongeveer 10 mensen aan boord, in het idee dat dit een tocht zou worden van 40 à 60 min. Zodra we de laatste rotsen van Trinidad voorbijvoeren bleek dat het iets langer zou duren dan verwacht, de zee-engte woester was dan verwacht en dat de nacht verrassend snel kwam aanzetten. Wordt vervolgd …

Het ritme van een zeerot, deel 2

Kling, klang, bats, boem, krrrr … alles beweegt altijd, soms op het ritme van de golven, soms in tegenritme, soms overlappen drieëndertig ritmes elkaar. Het hout kraakt op alle mogelijke manieren. Alle touwen hebben hun eigen geluid. Elk zeil heeft zijn specifiek lawaai. Alles wat niet is vastgemaakt, valt, botst of kletst tegen de grond. Je probeert je te bewegen in de boot, naar beneden te wandelen op de trap en je moet je heel goed vasthouden om niet te vallen. Je wil iets nemen uit de frigo, je moet hard opletten dat niet de volledige inhoud van de frigo op de houten vloer beland. Je onderneemt een poging om naar het toilet te gaan en dat blijkt toch niet zo evident als op het eerste zicht lijkt. Je probeert de slaap te vatten, terwijl je tracht niet uit je bed te rollen …

Het tweede vertrek vanuit de Canarische eilanden naar Kaapverdië is geschied: zes dagen van intense navigatie. We hebben alleen nog maar winden gehad die de uitersten opzoeken: de eerste drie dagen waren heel stevig met windsnelheden van gemiddeld 40 knopen (en dat terwijl we al heel tevreden zijn met 15-20 knopen), de laatste drie dagen was er helemaal geen wind. In gewone omstandigheden gebruiken we tijdens de (grote) overtocht geen motor om benzine te sparen indien we een noodgeval hebben. Hadden we een noodgeval tijdens onze tweede helft van de tocht? Niet echt, maar we hebben toch gekozen voor een beetje comfort, want we hadden een klein probleempje.

Op de vierde avond van de zeiltocht, tijdens het avondmaal zitten Charlotte en Lola binnen, want het is aangenaam warm in de carré. Stéphane, Tim en ik zitten buiten te genieten van de laatste strepen ondergaande zon terwijl de golven ons heen en weer schudden. We spelen de laatste hap net binnen, onze borden zijn nog net niet helemaal uitgelekt of Stéphane en Tim springen recht. De één sprint rechtstreeks naar de binnencockpit, de andere neemt direct het stuur over. Stéphane controleert tegelijkertijd alle apparatuur binnen. De fok flappert in alle richtingen, de boot draait van de koers weg. Ik besef nog niet helemaal wat er aan het gebeuren is terwijl iedereen op een of andere manier weet waarheen te crossen om het probleem te analyseren. Een paar minuten later wordt duidelijk dat de auto-piloot niet meer werkt. De auto-piloot is één van onze grootste hulpmiddelen op de boot. We stellen de koers in door de koers in graden te bepalen en de auto-piloot zorgt er (normaal) voor dat de boot blijft varen in die vooropgestelde richting. Stéphane probeert de oorzaak te vinden waarom de auto-piloot het plotseling heeft begeven. Even later komt hij boven met een inox staaf van 5 mm dik die in twee gebroken is. Onmogelijk te herstellen aan de ene kant omdat we geen herstelstuk liggen hebben (sowieso heb je nooit het precieze stuk liggen dat je nodig hebt ook al heb je er honderden voorhanden in honderd verschillende verborgen koffers), aan de andere kant is het onmogelijk om dat stuk te kunnen bereiken tijdens het varen. We besluiten de komende dagen te verdelen in wachten van drie uur per koppel: Stéphane & Charlotte en Tim & Eline en… de sturen op de ‘old fashion’ manier! Een goeie doop met kruisende golven en stevige winden!

De nachten worden hoe langer hoe meer interessanter. De maan heeft ons tot nu toe bijna op alle nachten vergezeld, zowel tijdens de eerste vijfdaagse, als op de tweede zesdaagse tocht. De sterren zijn niet altijd even zichtbaar, de wolken durven nogal eens te verschijnen, maar als de sterren zich tonen dan wordt de boot toch een beetje magisch. Als je bovendien even met je hoofd buiten de boot hangt, blinken er honderden/duizenden groene lichtjes in het water van al de zwemmende plankton. Wij hebben het geluk nog niet gehad om ’s nachts rondspringende dolfijnen te bewonderen die licht geven door de plankton, maar Charlotte en Stéphane zeiden dat het magnifique was!

Overdag daarentegen hebben wel al verschillende keren dolfijnen zien spelen. Ongelofelijk! De dolfijnen zwemmen echt mee met de boot, maken salto’s, jumpen meer dan 10 meter ver (uizonderlijk…) … We hebben al verschillende keren pogingen ondernomen om die dolfijnen op foto te nemen, maar het blijft een uitdaging. Gisteren, tijdens één van de vele apéro’s, toonden één van onze nieuwe Franse vrienden een onderwaterfilmpje (we proberen een link te zetten naar het filmpje op facebook: https://www.facebook.com/video.php?v=10152901109528750&set=vb.679893749&type=2&theater). We hebben niet alleen de dolfijnen beter leren kennen (en aangeraakt!), we hebben (of ik toch in ieder geval) ook het bestaan leren kennen van vliegende vissen. Kleine en grote blauwe vissen die meters ver net boven het watervlak vliegen. Het lijkt alsof de vissen niet meer weten waar ze thuis horen en alsof de vogels te gedesoriënteerd zijn om land te vinden. En af en toe beland er eens eentje op het dek!

Hoe langer, hoe meer worden we werkelijk deel van het bootleven, we worden even sociaal als onze kapitein die altijd alle mensen van ons ponton (en verder) kent. Doorheen de verschillende weken en havens heen, hebben we al een vaste crew opgebouwd die min of meer dezelfde koers vaart als ons. Met andere woorden, we komen telkens dezelfde (en nieuwe) vrienden wanneer we in de volgende haven aankomen. Zo zijn er Ludo en Laurence samen met hun twee zonen. Zij nemen een jaar vrijaf om even te ontsnappen aan de dagelijkse drukte. Zo zijn er ook nog Eric en Mireille met hun 3 kinderen samen met nog 3 vrienden van hun kinderen (allemaal pubers en adolescenten) en een hond. Allemaal samen op één boot die maar twee meter langer is als die van ons. We dachten allemaal dat het een onmogelijke opdracht ging zijn voor hen om de oceaan te kruisen maar ze lijken hun structuur en organisatie te vinden. Een koppeltje Fransen van onze leeftijd die richting Brazilië trekken en we verder misschien nog tegenkomen! Verder Belgen uit Antwerpen, Belgen uit Brussel, veel Fransen uit Bretagne, Zwitsers …

Tussen al de ontmoetingen door (wat niet altijd even gemakkelijk is) moet er ook gewerkt worden aan de boot eens aangekomen in de haven. De auto-piloot moet worden hersteld, olie moet worden vervangen, benzine moet worden aangevuld, de boot moet gekuist worden, de VHF-radio hersteld, De waterreservoirs uitgekuist, de boekenplankjes verstekt, de zeilen een lapje opgenaaid, enkele kabeltjes verzekerd, een geluidje aan het stuur gecontroleerd, en ga zo maar door … Hoe en waar moet het vervangstuk gevonden worden? Door een babbeltje te slaan natuurlijk !! met één van de vele mannen en kinderen die staan te wachten aan de haven. De mensen hier zijn ongelofelijk vriendelijk en behulpzaam en het leven is hier niet makkelijk voor hen, dus de haven trekt hen aan. Stéphane en Tim komen terecht in een buitenwijk van Mindelo bij een zaakje … die alle mogelijke stukken maakt die nodig zijn. Ons stuk wordt op maat gemaakt. Het is een zaak die we in Europa niet meer kunnen vinden, 5 kleine werkplaatsen, een container op straat, nog drie andere plekken in het midden van de achterstraat met ongeveer 20 werknemers. Als we onze zaken niet vinden in een welbepaalde zaak, dan zoeken we het maar op straat, want waar kan je beter dan op straat de ‘niet-gedefinieerde’ zaken vinden. We zochten een oude binnenband van een vrachtwagen om zelf rubberdichtingen te make:. Een groepje van mannen met kinderen is aan het bricoleren op straat. Met heel veel vriendelijkheid hebben ze ons geholpen.

Wat moeten we nog allemaal doen als we op zee zitten??, want de dagen zijn heel goed gevuld en gaan heel snel voorbij. Op geluidenzoektocht gaan, want altijd is er wel een geluidje die iets onheilspellend zou kunnen betekenen of gewoon de slapenden zou kunnen wakker maken. Onze slaapkamer omtoveren tot een living. Ontbijt, middagmaal of avondmaal prepareren en zo heeft Tim een eerste keer een brood gebakken. Peter, zijn grootvader, had hem toch iets beter moeten opleiden: het brood was een beetje hard, maar er is progressie in zicht. Vissen behoort ook tot de dagelijkse bezigheden. Ook wel eens een verjaardag vieren op de boot. Een andere belangrijke bezigheid op de boot is naar muziek luisteren en uitwisselen. Zo Konden we bijvoorbeeld de passende begeleiding kiezen bij het aankomen in Mindelo: Cesaria Ivora begeleidde ons persoonlijk met vrolijk en melancholische tonen bij het aankomen in haar stad, Mindelo op Soa Vincente, een van de eilanden van Cabo Verde.

Het ritme van een zeerot

Vertrekken uit Gibraltar na het uitgebreid bekijken van alle getijden, weersvoorspellingen en windrichtingen. Het is geen evidente zaak om te vertrekken vanuit het zuidelijkste punt van Europa. Om de haverklap draait de wind en veranderen de stromingen. Het wordt één van de eerste testen, want de wateren rond Gibraltar en verder voor de kusten van Noord-Afrika zijn woelig en weinig voorspelbaar. Gelukkig duurt de eerste tocht niet erg lang; na een tocht van 6 uur is de welbekende Straat overgestoken en naderen we de vage silhouet van de stad Tanger, sinds eeuwen de verst gelegen stad van de Mare Nostrum.

Welkom op het eerste nieuwe continent van de reis! De haven is volzet en we moeten op Afrikaanse wijze aanleggen als achtste boot op rij. Gevolg: telkens wanneer we op land willen, moeten we over zeven andere boten kruipen. Erna volgt een zeer groezelige haven (die bovendien stinkt naar containers vol vis met ontelbaar veel katten). Tanger is zoals een Marokkaanse havenstad dient te zijn: chaos, marktjes, overal taxi’s, koffiebartjes, veel toeristen van de cruiseschepen, kleine straatjes, openbare douches, … Het heeft charme!

Het bezoek aan Tanger wordt plots korter dan verwacht. Na twee nachten en een dag wordt beslist dat we de wind moeten volgen. Als we nu niet vertrekken, krijgen we mogelijks te maken met ‘ouils’ (deiningen) van 6 meter hoog. Alle hens aan dek, want de boot is nog niet klaar om te vertrekken voor een vijfdaagse tocht. De voedselvoorraad moet aangevuld worden, de waterreservoirs moeten gevuld worden, een laatste keer opruimen plus alles goed opbergen en vastmaken!

Elke dag is wat verschillend, maar tegelijk heeft elke dag een zelfde ritme. Het is een groots verschil, het leven in de haven en het leven op zee. In de haven staan rust, vakantie en uitstapjes maken centraal. Elke dag wordt wel opgestaan rond 8 à 9 uur want Lola (het dochtertje) moet studeren in de living (of met andere woorden onze slaapkamer). Zij is 13 en doet noodzakelijkerwijs afstandsonderwijs. Niet altijd evident om als puber jezelf de discipline op te leggen om enkele uren door te brengen met wiskunde en allerlei andere basisvakken. Dat – samen met de hormonen – geeft af en toe het nodige vuurwerk tussen beide partijen van ons tijdelijk gezinnetje.

Op zee wordt later opgestaan dan op land als gevolg van de nachten. Wij staan op tegen ongeveer 10u en maken – indien niet te veel golven – een theetje klaar (koffie is geen goed idee op zee, want dat bevordert het zeeziek zijn). Indien mooi weer – vaak ook met slecht weer – wordt het grootste deel van de dag doorgebracht buiten op het dek. Enerzijds omdat de boot erg klein is, anderzijds omdat het uitzicht (zelfs al is het alleen water) toch steeds magnifiek blijkt te zijn. Er zijn altijd andere golven zichtbaar, soms zijn er speciale vogels, soms zijn er ook dolfijnen die met ons meezwemmen.

’s Middags wordt een simpele sandwich gegeten met heerlijke Spaanse gerookte ham en groentjes of… als de hengels hun werk doen met een gezouten, geroosterd visje. De namiddag is steeds een afwisseling van een siësta houden, rondkijken, proberen een boekje te lezen, … en dan plotseling wordt vastgesteld dat er een scheur in de fok zit (het zeil vooraan de boot). Stéphane, de kapitein, wordt meteen wakker gemaakt. De fok wordt opgerold om de scheur niet groter te maken, het grote zeil wordt opengezet, het zeil achteraan wordt zelfs ook uitgehaald om extra snelheid te maken. Maar de boot vordert niet op de goede manier zonder fok. Nood aan een andere oplossing. In de boot liggen verschillende reservezeilen en dus ook nog de vorige fok. Vooraan de boot is er nog een tweede kabel waar de andere fok kan aan bevestigd worden. Maar dit is niet evident, er moeten andere touwen (vallen: ‘des drises’, schoten: ‘écoutes’) gezocht worden, allerlei nieuwe knopen gemaakt worden, de fok moet gehesen worden, … Na een halfuur van intensief bezig zijn, keert de rust terug. Zo snel kan het zen-dein-moment verdwijnen en opnieuw terugkeren.

De avond wordt ingezet vanaf het donker wordt (rond 6 à 7 uur). Het avondeten wordt mede bepaald door de golven. Is het mogelijk om te koken, dan wordt er gekookt (afwisselend door Charlotte, en af en toe eens door ons). Zo is er al tangine gegeten, meer bepaald een boottagine met een snelkoker, of een Franse gerecht van de grootmoeder van Charlotte. Als er stevige windstoten zijn met grote golven, dan is de uitdaging te groot om te koken. Zelfs al zijn de kookvuren zo gemaakt dat ze meebewegen met de golven, is het onmogelijk om te blijven stilstaan. Op zo’n moment wordt iets simpels gegeten. Vanaf 21u a 22u gaat iedereen slapen behalve Charlotte die de eerste wacht houdt. Om 24u start Stéphane, om 2u is het aan Tim en om 4u start Eline aan haar wacht tot 6u. De volgende dag start alles van voor af aan.

Land In Zicht!! Na 4,5 dagen alleen maar diepblauwe zee, kunnen we in de verte al de eerste pastelblauwe contouren zien van het land. De eilanden van de Canarische! Welk eiland zou het kunnen zijn? Graciosa of Lanzarote? Het blijkt Lanzarote te zijn. Op dat moment verandert er feitelijk niets, maar in ons hoofd lijkt het alsof we al aankomen. Maar we wachten en blijven intens rondkijken en pas 7 uur later komen we aan in een andere haven dan aanvankelijk gepland. Het blijkt een gezellige, kleine publieke haven te zijn in plaats van een dure, poepchique privé haven. We lijken langzaamaan onze reisneus te vinden.

Nu volgen een aantal dagen/weken van rust, ronddobberen van het ene eiland naar het andere. Van Lanzarote, via Cran Canaria (slechts voor 1 dag), via Tenerife, tot aan Gommera en uiteindelijk Hierro. Het laatste en meest zuidelijke eiland zal onze laatste stop zijn alvorens te vertrekken richting Cape Verde. Vermoedelijk zal dat ergens begin december zijn. Langzamerhand wordt ook duidelijk dat we een goed team vormen met het Franse gezin. Het is beslist, we zullen samen onze reis doorzetten tot aan de Caraïben.